Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)

Al Qusair, Irak: een christelijk gebedshuis dat door de archeologen is gedateerd in de tweede eeuw n.Chr. Om de waarheid te zeggen lijkt die datering me een fraai staaltje oudheidkundige standaardoverdrijving. Ik kreeg deze foto van Marion Verburg.

Ik had een begin gemaakt met een reeks over het ongrijpbare antieke christendom maar er kwam van alles tussendoor. Eigenlijk leef ik de laatste weken in de vierde versnelling, reizend van Friesland naar Libanon naar Eindhoven en vervolgens via Hilversum weer naar Friesland, onderbroken door een bezoek aan Assen. Afgelopen zaterdag had ik afspraken in Amsterdam, Gouda en Velsen en woonde ik weer een dag in de trein. Ik wil die reeks echter afmaken, dus eerst even een hervertelling.

***

In mijn eerste stukje gaf ik aan dat het definiëren van een christen lastig is. De diverse gelovigen vertonen echter familiegelijkenis: hoewel ze op wezenlijke punten kunnen verschillen, lijken ze toch wel op elkaar. Het aanwijzen van die overeenkomsten is echter subjectief en brengt het gevaar met zich mee dat je eigentijdse noties op het verleden projecteert.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)”

Op de fiets naar Thessaloniki (7)

De opgraving van het boerderij-gedeelte van Plinius’ landgoed.

Ik was – voor degenen die vandaag instappen in het zomerfeuilleton (eerste aflevering hier) – op weg naar Rome. Weliswaar was me verzekerd dat na de Alpen de Apennijnen reuze zouden meevallen, maar het was nog een flink eind naar de bovenloop van de Tiber en vooral: ik moest klimmen naar een pas op zo’n 800 meter hoogte. Minder dan de 1300 meter naar de Col du Lautaret maar meer dan de 700 naar de Col du Montgenèvre. En ik was geen held in klimmen.

Maar het lukte allemaal goed en in Sarsina wachtte me een verrassing, namelijk het standbeeld van Plautus, de Romeinse komediedichter, die daar blijkbaar was geboren. Ik herinner me een wat statig beeld van een man in een toga die vanaf een hoge sokkel over de grote weg uitkeek, maar ik heb het met Google Earth niet kunnen terugvinden. Wel staan er in Sarsina beelden van toneelspelers in Romeinse uitrusting. Met dat laatste toon je beter wat de man heeft betekend, maar vermoedelijk zou hij zelf het eerste soort beeld leuker hebben gevonden.

Lees verder “Op de fiets naar Thessaloniki (7)”

Plinius’ landhuizen

Met weinig mensen heb ik de afgelopen jaren zo plezierig samengewerkt als met classicus Vincent Hunink. Ik zie hem te weinig. Vandaag ben ik in zijn stad Nijmegen maar is hij op vakantie en ik durf er een krat Westmalle Tripel onder te verwedden dat als hij in Amsterdam is, ik net in Leeuwarden ben of in Heerlen. Zo gaat het al tijden. Gelukkig ontmoette ik hem onlangs indirect in zijn laatste boek, een selectie vertaalde brieven van de jongere Plinius, voorzien van de titel Mijn landhuizen. Het is een van Vincents geslaagdere publicaties.

Nu zult u, kritisch als u bent, tegenwerpen dat mijn lof wat bevooroordeeld kan zijn. Maar laat ik u dan iets anders vertellen: Vincent en ik hebben nogal verschillende voorkeuren als het gaat over de wijze waarop je de Oudheid moet uitleggen. Ik heb eergisteren aangegeven dat ik denk dat, zolang mensen hun informatie halen van het internet, boeken alleen zinvol zijn wanneer ze iets bieden wat online niet bestaat. Een overzichtswerk zoals het gisteren besproken Artifice and Artifact, waarin de stof wordt aangeboden met een systeem dat ontbreekt op het wereldwijde web. Of boeken uit de Landmark-reeks, waarin de tekst wordt geflankeerd met landkaarten, foto’s, diagrammen, appendices, voetnoten, margenoten en eindnoten. Of een boek met een aparte invalshoek.

Lees verder “Plinius’ landhuizen”

De Vesuvius in vlammen

vesuvius_in_vlammen

Voor Plinius de Jongere heb ik altijd een zwak gehad: met plezier heb ik op het gymnasium enkele van zijn brieven vertaald en later heb ik een boekje over de man geschreven, Een interimmanager in het Romeinse Rijk. Het tiende boek van zijn correspondentie bestaat uit brieven die hij schreef aan keizer Trajanus en maken het mogelijk te reconstrueren hoe een gouverneur met buitengewone volmachten een crisissituatie bezweert. Ja, Plinius is een interessante man en zijn brieven zijn de moeite waard.

Dat vond ook Vincent Hunink, die werkzaam is aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit en daar het werk doet waar universiteiten voor zijn: ervoor zorgen dat de samenleving beschikt over de actueelste wetenschappelijke inzichten. Ik ken hem – full disclosure – persoonlijk en sta altijd weer versteld van zijn enorme productiviteit als vertaler én als spreker. Er lijkt geen week voorbij te gaan waarin hij niet op Facebook vertelt over een lezing en er lijkt wel geen maand voorbij te gaan zonder dat hij een nieuwe vertaling produceert. Dit keer zijn het de brieven die Plinius schreef aan zijn vriend, de historicus Tacitus.

Lees verder “De Vesuvius in vlammen”

Liefde op het derde gezicht: Plinius de Jongere

Wat resteert van een inscriptie die Plinius vermeldt (Milaan)

Ik zal in de vierde of vijfde klas van het gymnasium gezeten hebben toen ik kennis maakte met de brieven van de Romeinse senator Plinius de Jongere. Terwijl ik zijn Latijnse volzinnen probeerde te ontcijferen, heb ik wel honderd keer de man vervloekt die mijn mooie jeugdjaren verziekte. Dat ik niet meer weet of ik in de vierde of in de vijfde aan dit proza werd blootgesteld, moet een vorm van verdringing zijn.

Ook bij de tweede kennismaking kreeg ik geen al te beste indruk van deze auteur. In het kader van mijn studie oudheidkunde (een combinatie van oude geschiedenis, een paar woorden klassieke talen en een schep archeologie) moest ik de integrale correspondentie doornemen. Ik was er inmiddels aan gewend dat antieke schrijvers in de regel nogal zelfvoldaan zijn en Plinius bleek geen uitzondering. Integendeel. Neem nou Brief 5.19, waarin hij een vriend vraagt of deze in zijn Alpenvilla onderdak kan bieden aan een tuberculeuze slaaf die niet genezen was teruggekeerd van een cruise naar Egypte. Het is moeilijk waardering op te brengen voor dit ogenschijnlijk verlichte personeelsbeleid, want iemand publiceert een epistel als dit alleen om aan de grote klok te hangen hoe goed hij wel niet is. Wat nog aan sympathie voor Plinius restte, verdween na kennisneming van de hypocriete wijze waarop hij zijn pachters behandelde, zijn neerbuigende bezorgdheid om zijn echtgenote Calpurnia en zijn dubieuze carrière aan het hof van de tirannieke keizer Domitianus.

Lees verder “Liefde op het derde gezicht: Plinius de Jongere”