Prinsjesdag, Plinius, Mill en de vergelijkingstheorie

J.S. Mill

Morgen is het Prinsjesdag en dat is een mooie gelegenheid om het weer eens over vergelijkingstheorie te hebben. Het demissionaire Nederlandse kabinet zal wel een miljoenennota indienen en u kent de problemen waarvoor de overheid staat. In heel Europa. De diverse overheden hebben enorme bedragen geleend. Nog nooit – althans in vredestijd – was de staatsschuld zo hoog. Gelukkig zijn de rentes laag, zodat we ons er vooralsnog geen zorgen om hoeven maken. Probleem is wel dat er vrijwel geen marktpartijen meer zijn die schulden tegen zulke lage rentes willen afnemen. De overheid kan hen daartoe echter, ook al zal men het niet graag doen, wel dwingen. Het is weliswaar in hun financiële nadeel, maar in het gemeenschapsbelang. De Romeinen zouden het hebben begrepen.

Plinius in Bithynië

In de eerste jaren van de tweede eeuw n.Chr. was de provincie Bithynië-Pontus in grote financiële problemen geraakt. Keizer Trajanus stuurde een bestuurder met buitengewone bevoegdheden, Plinius de Jongere. Diens correspondentie is over. Aan de dateringen is te zien dat hij werkte zoals een interimmanager betaamt: eerst maakte hij een plan van aanpak, wat aanvankelijk resulteerde in een lawine aan brieven, daarna werkte hij zijn plan uit en neemt de frequentie van de brieven af. Brief 10.54 documenteert het succes. Het begint met Romeinse standaardstroopsmeerderij:

Lees verder “Prinsjesdag, Plinius, Mill en de vergelijkingstheorie”

De laatste dagen van Plinius de Oudere

Romeinse villa aan zee; wandschildering uit Stabiae

Laten we eerlijk zijn: archeologen zéggen dat ze heel goed zonder teksten kunnen – zeker Lewis Binford was op dit punt vrij expliciet – maar in de praktijk vinden ze het altijd leuk als ze iets vinden waarop een tekst valt los te laten. Nederlandse en Vlaamse archeologen zijn in dit opzicht overigens vrij gematigd. Toen ze onlangs bij Valkenburg (ZH) een Romeinse legioenskamp vonden, hadden ze kunnen roeptoeteren dat ze de plek hadden opgegraven waarvandaan Caligula zijn legionairs naar het strand had laten marcheren om schelpen te zoeken, maar voor zover ik weet hebben ze die claim, die niet eens zó gek zou zijn, niet gedaan. Elders gaan echter alle remmen los.

Zoals in Israël, waar archeologen elke vondst met de Bijbel in verband brengen, of in Italië, waar ze een algemeen principe hanteren dat er alleen maar dingen in de grond zitten die ook staan vermeld in geschreven bronnen. Twee voorbeelden daarvan hebben te maken met de Romeinse admiraal en encyclopedist Plinius de Oudere, wiens schedel zou zijn gevonden terwijl ook een van zijn manschappen zou zijn opgegraven. De vondsten hebben echter evenveel te maken met Plinius als sokken met computers, of kunst met Marc Chagall, of een boek met een stoomlocomotief.

Lees verder “De laatste dagen van Plinius de Oudere”

Romeinse landbouw

Een “vallus”, Gallische oogstmachine (Institut archéologique, Arlon)

Toen Umberto Eco het manuscript van De naam van de roos naar een uitgever bracht, zei die dat het een prachtboek was maar dat het begin te lang was. Het verhaal kwam te traag op gang. Eco schijnt te hebben gezegd dat hij wilde dat de lezer aan het ritme van de Middeleeuwen gewend raakte. Het lijkt me eerlijk gezegd wat overdreven dat je zo meer van een roman zou genieten. Maar toch. Het is ook niet helemáál onzinnig dat je, als je je bezighoudt met een onderwerp, een soort gevoel moet hebben voor het ritme, de natuur, de omgangsvormen, de vanzelfsprekendheden.

Boerderijstage

De ideale oudheidkundige heeft een tijdje op een boerderij gewerkt. Hij weet wat het is om door de dieren en de seizoenen een ritme opgelegd te krijgen. Hij herkent dat het onvermijdelijk is kuddes te verweiden – en wat dit betekent voor de verspreiding van informatie. Hij weet wat het betekent als de oogst mislukt en begrijpt dat je, om je risico’s te spreiden, het liefst velden gebruikt aan twee zijden van een heuvel. Hij begrijpt wat het is om, totdat je tot de aarde terugkeert, te moeten zweten voor het brood.

Lees verder “Romeinse landbouw”

Klassieke literatuur (11): briefliteratuur

Brief van een in Italië gestationeerde vlootsoldaat aan zijn familie in Filadelfia (Egypte). Let op de tekst in de marge: schrijfmateriaal was kostbaar. (Neues Museum, Berlijn)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek helaas niet. Vandaag behandel ik de briefliteratuur.]

Een brief was in de Oudheid nooit zomaar een brief. Je ziet het aan de aanhef van de oudste exemplaren, kleitabletten die beginnen met iets als “Tot de koning van X, spreek:”. Dat was de instructie die de briefschrijver bedoelde voor degene die het document zou voorlezen. In een tijd waarin vrijwel iedereen ongeletterd was, veronderstelde een brief dus niet alleen een afzender en een ontvanger, maar ook een voorlezer en een klerk. Die laatste was er zelfs als de afzender geletterd was. Iemand van stand bevuilde zich niet en liet het aan anderen over inktvingers te krijgen. Zelfs als het epistel was verzegeld, waren dus allerlei mensen van de inhoud op de hoogte. Alle reden om verzorgd te schrijven. Zo ontstond de briefliteratuur.

Lees verder “Klassieke literatuur (11): briefliteratuur”

Een dolfijn in Bizerte

De baai van Hippo Diarrhytus (Bardomuseum, Tunis)

De collectie brieven van de Romeinse senator Plinius de Jongere is niet alleen een zelfportret – eigenlijk net zoals een blog – maar biedt ook een leuk overzicht van de onderwerpen waarin de toenmalige elite belang stelde. Dat kon een beschrijving zijn van een landhuis of een verslag van de uitbarsting van de Vesuvius, maar ook een spookverhaal of een beschrijving van een ontmoeting met een filosoof. In een van zijn brieven vertelt Plinius over een gebeurtenis in Hippo Diarrhytus, het huidige Bizerte in Tunesië.

Hij presenteert het als iets wat hij kort geleden bij een diner heeft vernomen van een betrouwbare zegsman, maar dat is vermoedelijk niet waar omdat het verhaal ook bekend is uit een oudere bron die Plinius gekend moet hebben, namelijk de encyclopedie van zijn oom Plinius de Oudere. Ik citeer hier een deel van brief 9.33 in een vertaling van Ton Peters.

Lees verder “Een dolfijn in Bizerte”

Romeinse bestuurlijke correspondentie

Een jaar of twintig geleden werd ik benaderd met de vraag of ik in Madurodam een lezing kon verzorgen over een historisch persoon die kon doorgaan voor interim-manager. Ik koos voor de Romeinse senator Plinius de Jongere, die ten tijde van keizer Trajanus orde op zaken stelde in de in problemen verkerende provincie Bithynië-Pontus, zeg maar het noorden van het huidige Turkije. Die lezing groeide later uit tot mijn eerste boekje.

Hoe groot de problemen in Bithynië-Pontus waren, valt moeilijk uit te maken, want je weet nooit hoe representatief de bronnen zijn, maar het staat vast dat in de voorafgaande jaren rechtszaken dienden in de Senaat en dat Plinius tijdens zijn verblijf de bizarre titel van legatus Augusti pro praetore consulari potestate ex senatusconsulto missus voerde, “krachtens Senaatsbesluit door de keizer gezonden gouverneur met consulaire bevoegdheden”. Zelfs in het Nederlands herken je dat daar iets raars aan de hand is: is Plinius nou uitgezonden door de Senaat of door de keizer? En ook: is het niet wat curieus een gouverneur, die toch een duidelijk mandaat had, te voorzien van consulaire bevoegdheden?

Lees verder “Romeinse bestuurlijke correspondentie”

Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)

Al Qusair, Irak: een christelijk gebedshuis dat door de archeologen is gedateerd in de tweede eeuw n.Chr. Om de waarheid te zeggen lijkt die datering me een fraai staaltje oudheidkundige standaardoverdrijving. Ik kreeg deze foto van Marion Verburg.

Ik had een begin gemaakt met een reeks over het ongrijpbare antieke christendom maar er kwam van alles tussendoor. Eigenlijk leef ik de laatste weken in de vierde versnelling, reizend van Friesland naar Libanon naar Eindhoven en vervolgens via Hilversum weer naar Friesland, onderbroken door een bezoek aan Assen. Afgelopen zaterdag had ik afspraken in Amsterdam, Gouda en Velsen en woonde ik weer een dag in de trein. Ik wil die reeks echter afmaken, dus eerst even een hervertelling.

***

In mijn eerste stukje gaf ik aan dat het definiëren van een christen lastig is. De diverse gelovigen vertonen echter familiegelijkenis: hoewel ze op wezenlijke punten kunnen verschillen, lijken ze toch wel op elkaar. Het aanwijzen van die overeenkomsten is echter subjectief en brengt het gevaar met zich mee dat je eigentijdse noties op het verleden projecteert.

Lees verder “Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)”

Op de fiets naar Thessaloniki (7)

De opgraving van het boerderij-gedeelte van Plinius’ landgoed.

Ik was – voor degenen die vandaag instappen in het zomerfeuilleton (eerste aflevering hier) – op weg naar Rome. Weliswaar was me verzekerd dat na de Alpen de Apennijnen reuze zouden meevallen, maar het was nog een flink eind naar de bovenloop van de Tiber en vooral: ik moest klimmen naar een pas op zo’n 800 meter hoogte. Minder dan de 1300 meter naar de Col du Lautaret maar meer dan de 700 naar de Col de Montgenèvre. En ik was geen held in klimmen.

Maar het lukte allemaal goed en in Sarsina wachtte me een verrassing, namelijk het standbeeld van Plautus, de Romeinse komediedichter, die daar blijkbaar was geboren. Ik herinner me een wat statig beeld van een man in een toga die vanaf een hoge sokkel over de grote weg uitkeek, maar ik heb het met Google Earth niet kunnen terugvinden. Wel staan er in Sarsina beelden van toneelspelers in Romeinse uitrusting. Met dat laatste toon je beter wat de man heeft betekend, maar vermoedelijk zou hij zelf het eerste soort beeld leuker hebben gevonden.

Lees verder “Op de fiets naar Thessaloniki (7)”

Plinius’ landhuizen

Met weinig mensen heb ik de afgelopen jaren zo plezierig samengewerkt als met classicus Vincent Hunink. Ik zie hem te weinig. Vandaag ben ik in zijn stad Nijmegen maar is hij op vakantie en ik durf er een krat Westmalle Tripel onder te verwedden dat als hij in Amsterdam is, ik net in Leeuwarden ben of in Heerlen. Zo gaat het al tijden. Gelukkig ontmoette ik hem onlangs indirect in zijn laatste boek, een selectie vertaalde brieven van de jongere Plinius, voorzien van de titel Mijn landhuizen. Het is een van Vincents geslaagdere publicaties.

Nu zult u, kritisch als u bent, tegenwerpen dat mijn lof wat bevooroordeeld kan zijn. Maar laat ik u dan iets anders vertellen: Vincent en ik hebben nogal verschillende voorkeuren als het gaat over de wijze waarop je de Oudheid moet uitleggen. Ik heb eergisteren aangegeven dat ik denk dat, zolang mensen hun informatie halen van het internet, boeken alleen zinvol zijn wanneer ze iets bieden wat online niet bestaat. Een overzichtswerk zoals het gisteren besproken Artifice and Artifact, waarin de stof wordt aangeboden met een systeem dat ontbreekt op het wereldwijde web. Of boeken uit de Landmark-reeks, waarin de tekst wordt geflankeerd met landkaarten, foto’s, diagrammen, appendices, voetnoten, margenoten en eindnoten. Of een boek met een aparte invalshoek.

Lees verder “Plinius’ landhuizen”

De Vesuvius in vlammen

vesuvius_in_vlammen

Voor Plinius de Jongere heb ik altijd een zwak gehad: met plezier heb ik op het gymnasium enkele van zijn brieven vertaald en later heb ik een boekje over de man geschreven, Een interimmanager in het Romeinse Rijk. Het tiende boek van zijn correspondentie bestaat uit brieven die hij schreef aan keizer Trajanus en maken het mogelijk te reconstrueren hoe een gouverneur met buitengewone volmachten een crisissituatie bezweert. Ja, Plinius is een interessante man en zijn brieven zijn de moeite waard.

Dat vond ook Vincent Hunink, die werkzaam is aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit en daar het werk doet waar universiteiten voor zijn: ervoor zorgen dat de samenleving beschikt over de actueelste wetenschappelijke inzichten. Ik ken hem – full disclosure – persoonlijk en sta altijd weer versteld van zijn enorme productiviteit als vertaler én als spreker. Er lijkt geen week voorbij te gaan waarin hij niet op Facebook vertelt over een lezing en er lijkt wel geen maand voorbij te gaan zonder dat hij een nieuwe vertaling produceert. Dit keer zijn het de brieven die Plinius schreef aan zijn vriend, de historicus Tacitus.

Lees verder “De Vesuvius in vlammen”