Post uit Alashiya

Late-Bronstijd-rhyton uit Alashiya (Cyprus Museum, Nicosia)

Alashiya was de naam waaronder Cyprus (of een stad op dat eiland) bekendstond in de Late Bronstijd. We komen de naam tegen in teksten uit Alalach, Egypte, Ebla, Mari en Babylonië. De koningen van Ugarit en van de Hittieten stuurden ballingen naar Alashiya. Omdat de tekst vaak de handel in koper ter sprake brengen, weten we echt heel zeker dat het gaat om het koperrijke Cyprus.

In de Amarna-brieven, een verzameling diplomatieke correspondentie uit de veertiende eeuw v.Chr. die is gevonden in Egypte, duidt de koning van Alashiya zich aan als de “broeder” van de farao. Het moet dus een machtig man zijn geweest, wat de oude theorie dat Alashiya alleen maar een stad als Enkomi is geweest, wat minder plausibel maakt. Een van die brieven, EA 34 om precies te zijn, toont hoe de verhoudingen waren.

Lees verder “Post uit Alashiya”

Ummahnu

Een van de aan Ummahnu gewijde Amarna-brieven (collectie Neues Museum, Berlijn, maar nu in Leiden)

Een nieuwe koning, een nieuwe oppergod, een nieuwe hoofdstad: toen farao Echnaton de verering van de zonnegod Aton voorschreef aan zijn onderdanen, koos hij ook een nieuwe residentie: Achetaten, “Atons horizon”. Duitse archeologen onderzochten de plaats, tegenwoordig Amarna, al in de jaren 1840. In 1887 ontdekten ze er 382 brieven die ooit deel hadden uitgemaakt van het Egyptische staatsarchief.

Geschreven in het Babylonisch, de taal van de Bronstijd-diplomatie, documenteren de Amarna-brieven de internationale betrekkingen tussen ongeveer 1360 en 1330 v.Chr. (of iets later). We zien dat er vier grootmachten waren: Egypte, de Hittieten, Babylonië en Mittanni (in Oost-Syrië). Hun koningen spraken elkaar aan als broeders. In een wereld zonder algemeen erkend internationaal recht was deze vorm – te doen alsof mensen familie waren – een manier om vreedzame betrekkingen te conceptualiseren. Deze familiebanden, hoe kunstmatig ook, werden zorgvuldig bewaakt. Toen zich een nieuwe speler aandiende die beweerde een grootmacht te vertegenwoordigen, koning Aššur-uballit van Assyrië, kreeg hij te horen dat hij niet moest denken een broer te zijn.

Lees verder “Ummahnu”

Aanbevelingsbrieven

Trajanus (Glyptothek, München)

Een opvallend groot aantal brieven uit de Oudheid is te typeren als aanbeveling. Ik ga daar hieronder het een en ander over neuzelen, maar het is zinvol als u eerst eens zo’n aanbevelingsbrief hebt gelezen. Hieronder is dus eerst een voorbeeld uit de correspondentie van Plinius de Jongere, gericht aan keizer Trajanus en daterend uit 112 na Chr.

Plinius’ aanbevelingsbrief

Samenvatting: Plinius vraagt voor een geleerde ridder uit Hippo Regius in Numidië een ontheffing van het verplicht beheren van het vermogen van een vrouwelijk familielid. Dit kon tijdrovend werk zijn en vermoedelijk vond Plinius dat de geleerde zich verdienstelijker maakte met nieuw literair werk dan met vermogensbeheer.

Lees verder “Aanbevelingsbrieven”

Klassieke literatuur (11): briefliteratuur

Brief van een in Italië gestationeerde vlootsoldaat aan zijn familie in Filadelfia (Egypte). Let op de tekst in de marge: schrijfmateriaal was kostbaar. (Neues Museum, Berlijn)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek helaas niet. Vandaag behandel ik de briefliteratuur.]

Een brief was in de Oudheid nooit zomaar een brief. Je ziet het aan de aanhef van de oudste exemplaren, kleitabletten die beginnen met iets als “Tot de koning van X, spreek:”. Dat was de instructie die de briefschrijver bedoelde voor degene die het document zou voorlezen. In een tijd waarin vrijwel iedereen ongeletterd was, veronderstelde een brief dus niet alleen een afzender en een ontvanger, maar ook een voorlezer en een klerk. Die laatste was er zelfs als de afzender geletterd was. Iemand van stand bevuilde zich niet en liet het aan anderen over inktvingers te krijgen. Zelfs als het epistel was verzegeld, waren dus allerlei mensen van de inhoud op de hoogte. Alle reden om verzorgd te schrijven. Zo ontstond de briefliteratuur.

Lees verder “Klassieke literatuur (11): briefliteratuur”

De bestuurlijke correspondentie van Plinius

Een jaar of twintig geleden werd ik benaderd met de vraag of ik in Madurodam een lezing kon verzorgen over een historisch persoon die kon doorgaan voor interim-manager. Ik koos voor de Romeinse senator Plinius de Jongere, die ten tijde van keizer Trajanus orde op zaken stelde in de in problemen verkerende provincie Bithynië-Pontus, zeg maar het noorden van het huidige Turkije. Die lezing groeide later uit tot mijn eerste boekje, Een interim-manager in het Romeinse Rijk.

Hoe groot de problemen in Bithynië-Pontus waren, valt moeilijk uit te maken, want je weet nooit hoe representatief de bronnen zijn, maar het staat vast dat in de voorafgaande jaren rechtszaken dienden in de Senaat en dat Plinius tijdens zijn verblijf de bizarre titel van legatus Augusti pro praetore consulari potestate ex senatusconsulto missus voerde, “krachtens Senaatsbesluit door de keizer gezonden gouverneur met consulaire bevoegdheden”. Zelfs in het Nederlands herken je dat daar iets raars aan de hand is: is Plinius nou uitgezonden door de Senaat of door de keizer? En ook: is het niet wat curieus een gouverneur, die toch een duidelijk mandaat had, te voorzien van consulaire bevoegdheden?

Lees verder “De bestuurlijke correspondentie van Plinius”

De Vesuvius in vlammen

vesuvius_in_vlammen

Voor Plinius de Jongere heb ik altijd een zwak gehad: met plezier heb ik op het gymnasium enkele van zijn brieven vertaald en later heb ik een boekje over de man geschreven, Een interimmanager in het Romeinse Rijk. Het tiende boek van zijn correspondentie bestaat uit brieven die hij schreef aan keizer Trajanus en maken het mogelijk te reconstrueren hoe een gouverneur met buitengewone volmachten een crisissituatie bezweert. Ja, Plinius is een interessante man en zijn brieven zijn de moeite waard.

Dat vond ook Vincent Hunink, die werkzaam is aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit en daar het werk doet waar universiteiten voor zijn: ervoor zorgen dat de samenleving beschikt over de actueelste wetenschappelijke inzichten. Ik ken hem – full disclosure – persoonlijk en sta altijd weer versteld van zijn enorme productiviteit als vertaler én als spreker. Er lijkt geen week voorbij te gaan waarin hij niet op Facebook vertelt over een lezing en er lijkt wel geen maand voorbij te gaan zonder dat hij een nieuwe vertaling produceert. Dit keer zijn het de brieven die Plinius schreef aan zijn vriend, de historicus Tacitus.

Lees verder “De Vesuvius in vlammen”

Geleerde correspondentie

Schechters briefje aan Lewis
Schechters briefje aan Lewis

Het leven is leuker als je ineens over een kwart miljoen pond sterling beschikt. De twee zussen Agnes en Margaret Smith besloten op reis te gaan: in 1866 bezochten ze Egypte, waar ze een liefde voor oudheden ontwikkelden. Na terugkeer trouwden ze – voortaan heetten ze Agnes Lewis en Margaret Gibson – en leefden ze teruggetrokken op het Schotse platteland. De liefde voor het verre verleden was er echter nog en ze leerden diverse oude talen.

Toen hun echtgenoten overleden, besloten ze opnieuw een reis met een oudheidkundig thema te maken. In de bibliotheek van het Catharina-klooster in de Sinaï-woestijn bekeken ze in 1892 allerlei oude handschriften, die ze – anders dan andere westerse bezoekers – konden lezen. Tot hun ontdekkingen behoorde de oudste Aramese vertaling van de vier evangeliën, een handschrift dat enkele belangrijke tekstkritische problemen, zoals het einde van het Marcusevangelie, hielp oplossen.

Lees verder “Geleerde correspondentie”

Brief

Brief, gevonden in Tell Brak (Syrië)
Brief, gevonden in Tell Brak (Syrië)

De foto hierboven toont een brief die rond 1350 v.Chr. is verstuurd. Het is een beetje moeilijk te zien, maar op de onderste helft is de afdruk te herkennen van een zogeheten rolzegel: een kleine stenen cilinder waarin een plaatje is gekerfd dat kon worden afgerold over een kleitablet. De eigenlijke brief tekst is bovenaan gekrasd in het kleitablet, dat zo groot is als een sigarettenpakje.

Het zegel kan worden geïdentificeerd als dat van de plaatselijke heerser van een stadje dat Nuzi heette en lag in het noorden van Irak. De man, die Shaustatar heet, schrijft dat het zegel voortaan toebehoort aan koning Tushratta van Mitanni.

Lees verder “Brief”

Synesios (1): Jeugd

Dit is niet Synesios, maar een eind-vierde-eeuws portret uit de Glyptothek in München. Synesios zou kaal worden, maar kan er als jonge man zo hebben uitgezien.

Hij was filosoof, maar van zijn ideeën weten we weinig. Hij was bisschop, maar niet uit overtuiging. Hij was echtgenoot, maar noemt nergens de naam van zijn vrouw. Hij was diplomaat, krijger, reiziger, instrumentbouwer en sofist. Hij liet drie toespraken, zes essays, tien hymnen, twee preken en 159 brieven na, maar wordt nauwelijks gelezen. Hij heette Synesios en kwam uit Kyrene. Dit is de eerste aflevering van een reeks van vijf blogposts over een man over wie ik nog eens een boek wil schrijven.


Synesios moet zijn geboren rond 371, tijdens de regering van keizer Valens. Zijn geboortestad was Kyrene, een op dat moment precies duizend jaar oude Griekse stad in het noordoosten van het huidige Libië. Het gebied was spreekwoordelijk vruchtbaar en Synesios’ familie had daarvan geprofiteerd. In de vierde eeuw behoorde ze tot de rijkste van de stad en ze beweerde af te stammen van een van de oorspronkelijke Dorische kolonisten. Hoewel we ons mogen afvragen of Synesios zijn stamboom werkelijk vijftig generaties kon terugvoeren, bewijst de claim dat hij buitengewoon bemiddeld was – alleen de allerrijksten konden een Ahnengalerie van een millennium claimen.

Lees verder “Synesios (1): Jeugd”

Plinius de Jongere: liefde op het derde gezicht

Wat resteert van een inscriptie die Plinius de Jongere vermeldt (Milaan)

Ik zal in de vierde of vijfde klas van het gymnasium gezeten hebben toen ik kennis maakte met de brieven van de Romeinse senator Plinius de Jongere. Terwijl ik zijn Latijnse volzinnen probeerde te ontcijferen, heb ik wel honderd keer de man vervloekt die mijn mooie jeugdjaren verziekte. Dat ik niet meer weet of ik in de vierde of in de vijfde aan dit proza werd blootgesteld, moet een vorm van verdringing zijn.

Plinius de Jongere: ijdeltuit

Ook bij de tweede kennismaking kreeg ik geen al te beste indruk van deze auteur. In het kader van mijn studie oudheidkunde (een combinatie van oude geschiedenis, een paar woorden klassieke talen en een schep archeologie) moest ik de integrale correspondentie doornemen. Ik was er inmiddels aan gewend dat antieke schrijvers in de regel nogal zelfvoldaan zijn en Plinius bleek geen uitzondering. Integendeel. Neem nou Brief 5.19, waarin hij een vriend vraagt of deze in zijn Alpenvilla onderdak kan bieden aan een tuberculeuze slaaf die niet genezen was teruggekeerd van een cruise naar Egypte.

Lees verder “Plinius de Jongere: liefde op het derde gezicht”