1948 (1)

1948Mijn vader komt uit Arnhem. Hij heeft de veldslag in die stad meegemaakt en ook het vervolg: de evacuatie. In de verwoeste stad dreigden besmettelijke ziektes, de Geallieerden schoten nog vanaf de andere kant van de Rijn en de nog steeds intacte brug was een voorspelbaar doelwit voor bommenwerpers: drie goede redenen om de burgers weg te halen uit het frontgebied.

Misschien zeg ik iets controversieels, maar volgens mij deden de Duitsers daarmee niets dan hun humanitaire plicht, ook toen ze dwang gebruikten om mensen te laten vertrekken. Leuk was het zeker niet, maar ik denk dat niemand van ons de evacuatie zou typeren als oorlogsmisdrijf en ik denk dat dit ook heeft gegolden in de jaren veertig.

Vier jaar later trokken duizenden bewoners van Palestina weg uit hun dorpen. Er was oorlog uitgebroken; de Haganah (de Joodse strijdkrachten) viel de Arabische dorpen aan; de Arabische staten hadden de evacuatieplannen al klaar om de Palestijnen uit het gebied weg te halen; het leek – net als de evacuatie van Arnhem – te gaan om een tijdelijke maatregel. De mensen zijn echter, zoals bekend, nooit meer teruggekomen.

Het gaat niet aan hun lijden te bagatelliseren. In Damascus sprak ik eens een man die herinneringen had aan Haifa en, zoals wel meer voorkomt, de sleutel van het huis van zijn ouders en de papieren van het kadaster nog bezat. Hij was realist genoeg om te weten dat hij nooit terug zou gaan en verlangde daar ook niet naar.

Hij is één van vele. En zij en hun afstammelingen zitten vast in kampen in Jordanië, Syrië en Palestina: klem tussen de onmogelijkheid terug te keren en de onmogelijkheid een volwaardig burgerschap te krijgen. De Arabische regeringen zouden dat laatste misschien wel willen, maar kunnen zich die maatregel niet permitteren omdat zo’n besluit de demografische verhoudingen in hun landen zal verstoren. Ik schrijf met opzet dat ze het “misschien willen”, want ik sluit niet uit dat de Arabische leiders tegelijk zien dat de vluchtelingen ook een kaart vormen die kan worden uitgespeeld tegen Israël. Goedkope arbeidskrachten zijn bovendien ook altijd handig. Hoewel er voor hardwerkende individuen uitwegen kunnen zijn, is er voor deze mensen als groep geen zicht op verbetering.

Het is maar al te menselijk om, als de gevolgen groot zijn, aan te nemen dat ook de oorzaken groot zijn. Wat in 1948 gebeurde, moet echter worden vergeleken met de wijze waarop men in de jaren veertig burgers uit de frontzones haalde, en kan beter niet worden beoordeeld aan de hand van wat later is gebeurd. In 1948 kon niemand dat voorzien.

De historicus moet, als het ware, vergeten wat hij weet over het vervolg en de situatie bekijken zoals die destijds was. Dat is wat Benny Morris probeert te doen in zijn 1948. A Historu of the First Arab-Israeli War (2008). Niet dat hij werkelijk niet denkt aan de ellende die de Palestijnse vluchtelingen hebben doorstaan: hij heeft ook daarover boeken geschreven, zodat hij die materie nu kan laten rusten. 1948 gaat alleen over het in de ondertitel genoemde conflict.

[wordt vervolgd]