1948 (2)

[Dit is het tweede van drie stukjes over Benny Morris 1948. A Historu of the First Arab-Israeli War; het eerste is hier.]

De oorlog van 1948 had een lange voorgeschiedenis. Het geweld tussen de Joodse en Arabische bevolking van Palestina was al in 1913 – dit jaar een eeuw geleden – voldoende ernstig om de wederzijdse leiders te laten onderhandelen over manieren om het te bedwingen. Het leverde weinig op en in 1937 concludeerden de Britten dat het mandaatgebied Palestina onbeheersbaar was. Het beste kon het worden verdeeld, waarbij alleen de corridor van de kust naar Jeruzalem in Britse handen zou blijven.

Na de Tweede Wereldoorlog werd dit plan in aangepaste vorm overgenomen door de Verenigde Naties. Het Britse mandaat zou aflopen in mei 1948. De zionisten accepteerden het delingsverdrag onmiddellijk, terwijl de Arabische leiders het afwezen en ertoe opriepen de Joden met geweld de zee in te drijven.

In de winter van 1947/1948, toen de Britten bezig waren zich terug te trekken, laaide het geweld tussen de bevolkingsgroepen op. Je moet hierbij niet alleen denken aan vetes tussen Arabische en Joodse dorpen, maar ook aan aanvallen op de Britten, over wie Morris met merkbare bewondering schrijft. Ze konden het bij geen van de strijdende partijen nog goed doen, maar bleven het desondanks proberen.

Morris schrijft ook met respect over de Palestijnse commandant ‘Abd al-Qadir al-Husseini, die probeerde een strijdgroep op de been te brengen, maar op het beslissende moment in de steek werd gelaten door de Arabische leiders. Wetend dat het niets meer kon worden, bleef hij zijn militaire plicht doen tot hij uiteindelijk in de nacht van 7/8 april strijdend ten onder ging bij Al-Qastal, langs de weg van Jeruzalem naar Tel Aviv. Met hem verdween in feite het enige Palestijnse leger, en daarmee was het conflict tussen de Arabieren en Joden in Palestina in feite beslist in het voordeel van de laatstgenoemden, ruim een maand voordat het Britse mandaat zou aflopen.

Vlakbij Al-Qastal lag Deir Yassin, dat een dag later werd ingenomen door twee Joodse strijdgroepen die niet behoorden tot de min of meer reguliere Haganah: de Irgun en de Lehi. Nadat ze het dorp hadden bezet, sloegen ze aan het moorden. Het aantal doden ligt volgens Morris rond de 100-120 (al noemden Joodse, Britse en Arabische bronnen in de daaropvolgende dagen aantallen rond de 250) en al op 12 april wist het Joodse oppercommando dat hier een oorlogsmisdrijf had plaatsgevonden.

Vanaf dit moment was de Palestijnse bevolking doodsbang. Het eigen leger was na de dood van ‘Abd al-Qadir al-Husseini uiteengevallen en de Joodse soldaten leken tot alles in staat. De evacuatieplannen die de Arabische staten al enkele maanden daarvoor hadden voorbereid, werden nu in werking gesteld. Dit markeerde het einde van wat Morris “de burgeroorlog” noemt. De Palestijnen waren verslagen en gedemoraliseerd en werden nu uit de oorlogszone weggehaald.

Zoals bekend beantwoordden de Arabische staten de Joodse onafhankelijkheidsverklaring met een invasie. Morris beschrijft de gevechten in groot detail, maar ik vat het niet voor u samen, want u kent de afloop: Egypte bezette de Gazastrook en Jordanië bezette de westelijke Jordaanoever en de oude stad van Jeruzalem, waar de Joodse wijk volkomen werd verwoest. En nog eens duizenden mensen sloegen op de vlucht.

[wordt vervolgd]