Het sterrenkind (5)

Dakpannen van het Tiende Legioen Fretensis. Het embleem was een varken, wat door de Joden als belediging werd ervaren. (Davidson Centrum, Jeruzalem)

[Laatste deel van een verhaal over de Bar Kochba-opstand. Het eerste deel vond u hier.]

Ergens na 6 november 135, de datum van zijn laatste ons bekende brief, raakte Bar Kochba in Betar afgesloten van de buitenwereld. Het voornaamste verdedigingswapen zou volgens de rabbijnse bronnen het gebed zijn geweest van de hogepriester, de Eleazar die staat genoemd op de munten. Het is mogelijk dat de opstandelingen voor hem een als tijdelijk bedoelde tempel hebben gebouwd, maar van de vierkante ruïne die ooit op het plateau stond, is niets over dat zich leent voor archeologisch onderzoek. Hoe dan ook, de auteur van een rabbijns commentaar op het Bijbelboek Klaagzangen vermeldt dat Hadrianus, ontmoedigd doordat hij niet in staat was Betar te veroveren, overwoog naar huis te gaan.

Lees verder “Het sterrenkind (5)”

Het sterrenkind (4)

Graf van Lollius Urbicus, een van de Romeinse generaals, in Tiddis (Algerije)

[Vierde deel van een verhaal over de Bar Kochba-opstand. Het eerste deel vond u hier.]

De keizer had besloten de beste generaal naar Judea te sturen en die kreeg ook de beste troepen. Om te beginnen was er het Tiende Legioen Fretensis, dat zijn basis had in Jeruzalem en na aanvankelijke verliezen werd versterkt met mariniers uit Italië. Uit het huidige Jordanië kwam het Zesde Ferrata. Het Tweeëntwintigste Deiotariana arriveerde vanuit Alexandrië en werd door de opstandelingen vernietigd (al kan het ook zijn gegaan om VIIII Hispana. Er werden versterkingen gezonden: het Tweede Traiana, dat eveneens in Alexandrië was gestationeerd. Verder waren er cohorten actief van III Cyrenaica, III Gallica en IIII Scythica; van zeventien eenheden hulptroepen zijn de namen bekend; en voor het eerst sinds de slag in het Teutoburger Woud werden in Italië weer jongemannen opgeroepen om dienst te doen. Cassius Dio schrijft:

Het risico van een regulier gevecht met de Romeinen durfden de Joden niet aan, maar ze bezetten de strategische plaatsen in het land en beveiligden die met muren en ondergrondse gangen, zodat ze schuilplaatsen zouden hebben als ze in het nauw kwamen, en ze onder de grond ongemerkt naar elkaar toe konden gaan. Hier en daar maakten ze van bovenaf openingen in de ondergrondse passages om licht en lucht binnen te laten. … Een rechtstreekse aanval op zijn tegenstanders vanuit één bepaald punt waagde Julius Severus niet, gezien hun numerieke overwicht en doodsverachting. Maar door hen groepje voor groepje aan te pakken … door ze uit te hongeren en in te sluiten, slaagde hij er langzaam maar zeker in hun verzet te breken, hen uit te putten en te vernietigen. Het staat in elk geval vast dat maar weinigen het overleefden. Vijftig van hun belangrijkste versterkingen en 985 van de bekendste dorpen werden met de grond gelijk gemaakt, en 580 000 mannen werden gedood bij bestormingen en gevechten. Het aantal doden ten gevolge van honger, ziekte en vuur was niet te tellen.

Lees verder “Het sterrenkind (4)”

Het sterrenkind (3)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

[Derde deel van een verhaal over de Bar Kochba-opstand. Het eerste deel vond u hier.]

De verhoudingen tussen Joden en Romeinen waren goed verziekt en pogingen de rust te bewaren, kwamen te laat. Tot overmaat van ramp stortte bij de bouwwerkzaamheden in Jeruzalem het grafmonument in van de legendarische koning Salomo. Een voorteken! De Romeinse auteur Cassius Dio beschrijft de escalatie:

In het begin namen de Romeinen geen notitie van de opstandige Joden. Maar heel Judea was in beroering gekomen, overal waren Joden in grote opwinding, hielden ze samenkomsten en gaven ze, deels door heimelijk verzet, deels openlijk, blijk van grote vijandigheid tegen de Romeinen; ook veel andere volken, die er graag van wilden profiteren, sloten zich bij hen aan en zowat de hele wereld was over de kwestie in rep en roer.

Lees verder “Het sterrenkind (3)”

Het sterrenkind (2)

Een deel van de hoofdstraat (cardo) die Hadrianus heeft laten aanleggen in Jeruzalem

[Tweede deel van een verhaal over de Bar Kochba-opstand. Het eerste deel vond u hier.]

De pacificatie van Judea was een feit. Dat bleek in 115, toen een messiaanse opstand uitbrak – ik blogde er al eens over – in het noordoosten van het huidige Libië en daarvandaan oversloeg naar Cyprus en Mesopotamië. Tegelijkertijd werden de Joden van Alexandrië zó ernstig door hun stadsgenoten bedreigd dat ze gedwongen waren de wapens eveneens op te nemen. Maar Judea bleef betrekkelijk rustig, al nam de Romeinse generaal Lusius Quietus enkele harde maatregelen, die kunnen worden uitgelegd als de onderdrukking van een opstand maar ook als de oorzaak van nieuwe onrust. Dat laatste zou de mening geweest kunnen zijn van keizer Hadrianus, die deze generaal in 117 om onbekende redenen terugriep en hem een jaar later uit de weg ruimde.

Maar er smeulde iets. Een aanwijzing is dat Johanan ben Zakkai werd opgevolgd door rabbijn Gamaliël, de zoon van de Simeon die tijdens de oorlog van 66-70 deel had uitgemaakt van de provisionele regering. Een aanzienlijk deel van de discussies in Javne ging over de reinheidswetten, wat suggereert dat het samenleven met niet-Joden niet eenvoudig werd gevonden. Ook werd gesproken over de komst van de messias, met name over het visioen van de profeet Daniël over de mensenzoon die het Laatste Oordeel zou vellen. Het ging daarbij om de regel “Ik zag hoe er tronen werden neergezet en op één daarvan een man van hoge leeftijd ging zitten”. De geleerden waren het erover eens dat dit God zelf was, maar waarom was er dan meer dan één troon?

Lees verder “Het sterrenkind (2)”

Het sterrenkind (1)

Masada

Een vijand verslaan is één ding, het gebied pacificeren een ander. Traditioneel werkten de Romeinen in nieuw-verworven gebieden samen met de bestaande elite, die enerzijds het prestige had om haar onderdanen te bewegen Romeinse maatregelen te aanvaarden en anderzijds op de Romeinse steun aangewezen was om aan de macht te blijven.

Meestal koketteerden de notabelen met hun vriendschap met de machthebbers, zodat de uiterlijke vormen van de romanisering, zoals de beheersing van Latijn of Grieks, al gauw waarneembaar werden. Wie hogerop wilde, nam dit over, en binnen een generatie of twee, drie kon een gebied onherkenbaar veranderd zijn.

In Judea faalde dit mechanisme. De elite die de Romeinen in 6 n.Chr. had welkom geheten was behulpzaam geweest, maar de hoge belastingdruk had het volk tot onrust gebracht. Daar kwam nog bij dat de joodse godsdienst het mogelijk maakte klachten te verwoorden op een religieuze wijze die door de Romeinen niet werd begrepen. Na de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. moesten de pacificatie en romanisering opnieuw beginnen, en er was geen elite om mee samen te werken.

Lees verder “Het sterrenkind (1)”

De historiciteit van koning David

De Mesha-stele (Louvre, Parijs)

Een van de grote oudheidkundige problemen is dat van het asymmetrische bewijs. Wat doe je als de geschreven bronnen iets anders suggereren dan het bodemarchief? Er zijn twee strategieën. De maximalist gaat ervan uit dat de bron betrouwbaar is, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De Medische hoofdstad Ekbatana was een stad met zeven muren, tenzij we de stad opgraven en constateren dat er maar één muur was. Julius Caesar moordde een stam uit bij de samenvloeiing van Rijn en Maas, tenzij we de resten van opgemeld bloedbad op een ander punt opgraven.

De omgekeerde positie staat bekend als minimalisme. De geschreven bron geldt als fictie, tenzij we archeologisch bewijs vinden dat haar bevestigt. Het zevenmurig Ekbatana is een sprookjesmotief, tenzij we zeven muren opgraven. Caesar moordde geen stam uit, tenzij we het slagveld op de juiste plek vinden.

Beide posities zijn onhoudbaar omdat we te weinig data hebben. We weten niet waar Ekbatana in de IJzertijd heeft gelegen – wat is opgegraven, is veel jonger – en als we op de samenvloeiing van Waal en Maas enorme hoeveelheden botmateriaal vinden uit de eerste eeuw v.Chr., zouden we ook het kamp van Caesar willen vinden plus, als het even kan, een slingerkogel met het nummer van een van de relevante legioenen. Door de genoemde dataschaarste is de discussie over deze twee strategieën lastig én uitdagend. Het zou het beste uit de wetenschap boven kunnen halen maar het maximalismedebat is in de Nederlandse oudheidkunde te ruste gelegd. Als archeologen écht in discussie moeten met historici en andersom, is er in de Nederlandse wetenschap ineens weinig waarheidsliefde. Er is weinig wil tot weten. De ambitie om je eigen vak te overtreffen, is afwezig. Gelukkig hebben we Israël.

Lees verder “De historiciteit van koning David”

Jachin en Boaz

De “high place of worship” in Sfiré

Sfiré is een stadje in het noorden van Libanon, niet heel ver van de Syrische grens, waar niet minder dan zes antieke tempels staan. Eén ervan staat bekend als “het grote huis” en is naast de plaatselijke moskee: een aardig voorbeeld van een cultusplaats die al minimaal een millennium of twee in gebruik is. Een ander staat op een heuveltop die ik te ver vond om te beklimmen; drie tempels staan vlakbij elkaar en zijn eigenlijk best indrukwekkend. Tot slot is er een “high place of worship”: een rotspunt waarop ooit een altaar stond.

Zo’n altaar kon behoorlijk groot zijn en was niet zelden omgeven door een omheining die de grens markeerde tussen het profane en het heilige. Hierboven ziet u een uit de Romeinse tijd daterende muur om de high place of worship van Sfiré. En daar is iets wonderlijks mee: links en rechts staan twee symbolen afgebeeld die ik alleen kan uitleggen als gestileerde pilaartjes.

Lees verder “Jachin en Boaz”