Joodse literatuur (3): hellenisme

Blad uit het Leidse Makkabeeënhanschrift

Dit is het derde deel van een chronologisch overzicht van de joodse literatuur, waarvan het eerste deel hier was. Een beredeneerd overzicht vindt u daar. Ik eindigde het tweede deel met de komst van Alexander de Grote. In de hierop volgende hellenistische periode ondervond het jodendom Griekse invloeden, waar het zich ook tegen afzette.

Vanaf deze periode is de joodse religieuze literatuur niet dezelfde als die van wat tegenwoordig geldt als de Bijbel. De diverse stromingen in het toenmalige jodendom erkenden verschillende teksten als geïnspireerd. Pas in de tweede eeuw na Chr. begon de huidige canon van de joodse Bijbel te domineren.

Lees verder “Joodse literatuur (3): hellenisme”

M12 | Het belang van de Makkabeeën

Ouder dan de Makkabeeën: in de Kidronvallei ten oosten van Jeruzalem staan nog steeds het graf van de priesterfamilie Chezir (links, met de dorische façade) en het graf van Zacharia (rechts, geïnspireerd door het mausoleum van Halikarnassos).

[Twaalfde aflevering van een zestiendelige reeks rond Chanoeka; het eerste deel was hier.]

De twijfelachtige legitimiteit van de Hasmoneeën, waarover ik gisteren schreef, verklaart waarom 1 Makkabeeën en 2 Makkabeeën, geschreven in het laatste kwart van de tweede eeuw, de nadruk zo sterk leggen op de hoogstaande levenswandel van Judas, Jonathan en Simon, op de perfide voosheid van alle andersdenkenden en op de volksbrede consensus dat de macht moest worden overgedragen aan de Hasmoneeën. Deze voorstelling van zaken verdoezelt veel. Toen de Makkabeeën ten strijde trokken om een einde te maken aan het decreet van Antiochos IV Epifanes, had Judas nog kunnen claimen te staan voor iets waarover velen het eens waren: dat alleen op een bepaalde wijze mocht worden geofferd aan de ene, ware God.

Vervolgens had Judas echter een vete uitgevochten met de hogepriester en daarna had hij gestreden om de vraag wie het in religieuze zaken voor het zeggen had. Nadat de rebel door de legitieme heersers was verslagen, had zijn broer Jonathan de strijd voortgezet: eerst als bandietenleider en vervolgens als partij in de Seleukidische burgeroorlogen. Vaak hadden de Makkabeeën gevochten tegen dezelfde landgenoten die nu hun onderdanen waren. Er viel een hoop op het feitelijke gedrag van het drietal aan te merken.

Lees verder “M12 | Het belang van de Makkabeeën”

M09 | Bakchides’ successen

Hellenistische wapens

[Negende blogje van een zestiendelige reeks rond Chanoeka; het eerste deel was hier.]

Het ontslag van Menelaos en de aanstelling van Alkimos, waarover ik gisteren blogde, schiepen evenveel problemen als het oploste. De Joden bleven verdeeld. Judas de Makkabeeër had geclaimd de ware Joodse godsdienst te verdedigen tegen een afvallige hogepriester en was door koning Antiochos IV Epifanes tot op zekere hoogte in het gelijk gesteld. Dat verschafte Judas aanzienlijk gezag. Als hogepriester genoot ook Alkimos echter aanzienlijk prestige. Het kon niet anders of de meningsverschillen zouden escaleren.

Derde fase

En inderdaad, het duurde niet lang eer het bloed weer vloeide: de derde fase van de strijd was begonnen. Dit keer was het geen verzet tegen een decreet en geen vete tussen een krijger en een hogepriester, maar een strijd over de vraag wie het in religieuze zaken voor het zeggen had. In dat conflict stonden de Hasmoneeën er slecht voor. Veel Joden waren tevreden nu de hogepriester behoorde tot een aanvaardbare familie, zodat Judas minder steun ondervond dan voorheen. Bovendien kon de hogepriester terugvallen op de koning, al werd de minderjarige Antiochos V Eupator in 161 v.Chr. vervangen door zijn neef Demetrios I Soter.

Lees verder “M09 | Bakchides’ successen”

M08 | Intermezzo: Bronkritiek

[Een intermezzo over bronkritiek in deze zestiendelige reeks rond Chanoeka; het eerste blogje was hier.]

Zoals de lezer van deze reeks heeft begrepen, spreken de bronnen elkaar voortdurend tegen. Dat mag frustrerend zijn, maar het is in feite een voordeel. We gaan dan immers nadenken over de vraag welke bron de beste is. Waren Judas’ eerste tegenstanders afkomstig uit Samaria of uit Mysië? Wonnen of verloren ze? Heette Judas’ tweede tegenstander Seron of Geron? Of, minder triviaal: is de volgorde van de gebeurtenissen uit het Eerste of uit het Tweede Makkabeeënboek de juiste? Bij deze voorbeelden is het onmogelijk dat beide bronnen correct zijn. Minstens één bevat onjuiste informatie en wellicht allebei.

Bronkritiek

Omdat we zijn gedwongen te kiezen, zullen we de kwaliteit van de geboden informatie moeten evalueren. Dit heet bronkritiek.

Lees verder “M08 | Intermezzo: Bronkritiek”

M07 | De Makkabeeënopstand

Blad uit het Leidse Makkabeeënhanschrift

[Zevende blogje in een zestiendelige reeks rond Chanoeka; het eerste deel was hier.]

Hiermee had de strijd ten einde kunnen zijn, maar Judas en de Hasmoneeën streden niet alleen tegen het gehate decreet. Ooit had hun familie gediend in de tempel, maar haar rechten waren nog niet hersteld. Voor de rebellenfamilie ging de strijd daarom verder en ze kon rekenen op de steun van degenen die meenden dat de hogepriester afkomstig moest zijn uit de familie der Honiaden. Los daarvan hadden de Hasmoneeën inmiddels zelf regels opgesteld: ze hadden bijvoorbeeld bepaald dat zelfverdediging op de sabbat was toegestaan. De legitimiteit van die uitleg van de Wet stond ter discussie zolang Menelaos haar niet erkende.

Tweede fase

De tweede fase van de Makkabeeënopstand was geen nationaal verzet meer, maar een vete tussen de Hasmoneeën en de door de koning benoemde hogepriester. De bronnen vermelden dat Judas’ manschappen na de tempelreiniging de heidenen in de omliggende gebieden aanvielen om bescherming te bieden aan de daar levende Joden, van wie het overigens de vraag is of ze erop zaten te wachten partij te worden in het conflict. Het staat verder vast dat Judas in de winter van 164/163 rond de tempel in Jeruzalem en in Bet-Sur versterkingen liet bouwen en vervolgens het Seleukidische garnizoen bij de tempel blokkeerde.

Lees verder “M07 | De Makkabeeënopstand”

M06 | Chanoeka

Chanoekalamp, Gelderlandplein, Amsterdam

[Zesde blogje in een zestiendelige reeks rond Chanoeka; het eerste blogje was hier.]

De Hasmoneeën waren een priesterlijke familie. Haar leden hadden in de tempel gediend toen de Honiaden er de dienst uitmaakten, maar daaraan was een einde gekomen toen Menelaos in 172 v.Chr. het hogepriesterschap kocht of toen de Seleukidische commandant Apollonios vijf jaar later een garnizoen legerde in het fort Akra in Jeruzalem. Sindsdien leefden de Hasmoneeën op hun landgoed in Modeïn. Het lijkt erop dat, toen Antiochos zijn decreet uitvaardigde, het familiehoofd Mattatias concludeerde dat de tempelautoriteiten die zijn positie ooit hadden ondergraven, inderdaad zo corrupt waren als hij al dacht, en oordeelde dat het decreet diende te worden bestreden. Tot elke prijs. Desnoods met geweld.

1 Makkabeeën beschrijft hoe koninklijke inspecteurs in Modeïn eisten dat de bewoners een offer zouden brengen volgens de nieuwe regels, en dat, toen iemand dat ook wilde doen, Mattatias zó kwaad werd dat hij de man ter plekke neerstak. Volgens dezelfde bron vluchtte de moordenaar met zijn familie de bergen in. De anekdote impliceert dat minimaal een deel van de bevolking gevolg gaf aan de bepalingen van het decreet.

Lees verder “M06 | Chanoeka”

M05 | Het decreet van Antiochos IV Epifanes

Altaar voor de Hemelse Zeus uit Byblos (Louvre, Parijs)

[Vijfde blogje in een zestiendelige reeks rond Chanoeka; het begon hier.]

Na de gebeurtenissen uit het vorige blogje was het te laat om het steeds onrustiger Judea te pacificeren. De lagere klassen, die opdraaiden voor de belastingverhogingen, wantrouwden de elite. In Jeruzalem was het al gekomen tot straatgevechten. De volkswoede had een religieuze component, want de rijke, geassimileerde Joden hielden zich niet aan de Wet. Of beter: ze hielden zich niet aan de Wet zoals deze door menigeen werd uitgelegd. De onrust leidde tot repressie en die leidde weer tot meer geweld, maar onze bronnen zijn zo verward dat we oorzaak en gevolg niet langer kunnen onderscheiden.

Wél is duidelijk dat Antiochos IV Epifanes in december 167 v.Chr. een decreet uitvaardigde dat menigeen uitlegde als aanval op de Joodse godsdienst. Onze bronnen spreken elkaar echter tegen, zodat onduidelijkheid bestaat over belangrijke vragen. Wie formuleerde het decreet? Was het de koning, de hogepriester of een andere hoge functionaris? En wat stond er nu eigenlijk in?

Lees verder “M05 | Het decreet van Antiochos IV Epifanes”

M04 | Antiochos IV Epifanes en de joden

Antiochos IV Epifanes (munt uit het Archeologisch Museum van Antiochië)

[Chanoeka nadert en dus is de jaarlijkse hype er weer (lees maar). Er zijn echter dingen te vertellen die wél interessant zijn. In alle bescheidenheid denk ik dat mijn reeks zinvoller is dan de junkjournalistiek waarop archeologen een abonnement hebben. Het eerste deel van deze reeks was hier.]

Hogepriester Honi III was niet de enige die in Antiochië het oor zocht van de nieuwe vorst Antiochos IV Epifanes. Volgens 2 Makkabeeën kreeg de koning ook bezoek van Honi’s broer Jason. Die zegde toe dat hij, mocht de koning hem benoemen als hogepriester, voortaan 360 talenten zilver zou betalen. Bovendien had hij 150 talenten over voor het privilege een sportschool te bouwen.

Voor de vorst was dit aanbod aantrekkelijk. Niet alleen leidde de sportschool soldaten op, een nieuwbenoemde hogepriester zou ook, doordat hij zijn positie dankte aan de koning, loyaal moeten zijn. De koning verving dus de ene broer door de andere, waarop veel Joden moeten hebben gereageerd met een combinatie van ergernis en verontwaardiging: ergernis omdat de belasting met 20% werd verhoogd, verontwaardiging omdat het afzetten van een hogepriester ongehoord was. Daar stond tegenover dat Joodse jongens vanaf nu konden meedoen aan de sportwedstrijden in het Seleukidische Rijk en aansluiting vonden bij de rijkselite. De bewoners van Jeruzalem konden zich voortaan meten met die van buursteden als Samaria, Gerasa of Filadelfia.

Lees verder “M04 | Antiochos IV Epifanes en de joden”

M03 | Seleukos’ zorg voor zijn onderdanen

Stèle van Seleukos IV Filopator (Nationaal museum, Beiroet)

Ik vertelde vanmorgen dat koning Seleukos IV Filopator in 178 v.Chr. geld nodig had en daarom zijn kanselier Heliodoros stuurde naar Jeruzalem. Elke koning beschouwde destijds tempels als banken: als je edelmetaal over had, deed je een deposito, en je kon een kasopname doen als je om geld verlegen zat. Joden beschouwden de tempelschat daarentegen als sociaal fonds voor weduwen en wezen. Dit verschil in inzicht leidde tot een stevige rel, beschreven in Tweede Boek Makkabeeën.

Twee inscripties

Twee inscripties helpen het incident te begrijpen. De ene ziet u hierboven. Ze komt uit Byblos en is tot 12 maart te zien op de grote Byblos-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Een grotere versie van de inscriptie is in 2005 ontdekt in Maresha in Israël. Deze tekst was tot vorig jaar opgenomen in de beruchte Steinhardt-collectie. Hoewel het om twee inscripties gaat, gaat het om dezelfde brief. Daaruit blijkt dat de koning in 178 v.Chr. inderdaad kanselier Heliodoros heeft gelast geld op te halen uit de tempels. Het meervoud is belangrijk, want het bewijst dat het niet ging om een maatregel tegen alleen Jeruzalem.

Lees verder “M03 | Seleukos’ zorg voor zijn onderdanen”

M02 | De Heliodoros-affaire

Qasr al-Abd, het paleis van de Tobiaden

[Tweede blogje in een zestiendelige reeks rond Chanoeka, dat dit jaar valt op 18-26 december. Ik begon de reeks hier.]

Hadden de Ptolemaiën in de derde oorlog tegen de Seleukiden hun vijanden nog op afstand kunnen houden, in de vierde boekte de “koning van Azië” al terreinwinst, en in de vijfde, die duurde van 202 tot 195 v.Chr., veroverde Antiochos III de Grote heel Judea. Daarbij lijkt hogepriester Simon de Rechtvaardige, steun te hebben verleend aan de Seleukiden. Dat verdiende een beloning, en toevallig weten we welke. In JosephusJoodse Oudheden is namelijk de proclamatie opgenomen waarmee Antiochos de macht aanvaardde. Daarin bedankt hij de Joden voor hun hulp, belooft hij steun bij de wederopbouw, zegt hij offers toe, erkent hij de Joodse Wet en verlaagt hij de jaarlijkse belasting, een som van driehonderd talenten, tot tweehonderd. De oorlog was verschrikkelijk geweest, maar het pro-Seleukidische beleid van de hogepriester bespaarde de Joden het allerergste.

Aan goede bedoelingen geen gebrek, maar de relatie tussen de Joden en de nieuwe koning liet te wensen over. Toegegeven, de Tobiade Hyrkanos, die zijn vader Jozef was opgevolgd als hoofdbelastingpachter, trok zich terug in zijn luxe kasteeltje bij het huidige Qasr al-Abd in Jordanië (zie foto hierboven). Hij bleef echter de Ptolemaïsche heersers steunen en hield contact met vrienden in Jeruzalem. In feite zat hij te stoken. De Seleukiden waren nooit helemaal zeker van de loyaliteit van hun nieuwe onderdanen. Incidenten bleven niet uit.

Lees verder “M02 | De Heliodoros-affaire”