Hoezo monotheïsme? (3)

Munt van Bar Kochba (British Museum, Londen)

[Dit is het derde stukje in een reeks waarin ik uitzoek hoe monotheïstisch de joden in de Oudheid waren. Het eerste is hier.]

Hierboven beschreef ik dat de joden weliswaar zeiden maar één God te erkennen, maar dat er in de praktijk nogal wat andere hemelingen waren. De joden erkenden bovendien verzelfstandigde attributen van God. Daarover vandaag.

De geest van God wordt genoemd in oeroude teksten: deze garandeert dat een koning goed kan heersen en dat een profeet de waarheid spreekt, terwijl de geest van de waarheid volgens de (sektarische) Gemeenschapsregel vecht tegen de geest van het onrecht.

Een ander, heel belangrijk verzelfstandigd attribuut van God is Zijn Woord. Vanouds kent het jodendom enerzijds een nabije God, Die door de Hof van Eden wandelt en persoonlijk de deur van de Ark sluit, en anderzijds een majestueuze, de wereld overstijgende God, Die met “er zij licht” een universum schept. In theologenjargon: het jodendom kent zowel een persoonlijke als een transcendente god. Voor joden die kennis maakten met de Griekse filosofie, werd deze ambiguïteit problematisch, omdat zij begonnen aan te nemen dat God Zich nooit met iets anders kon bezighouden dan met de allerhoogste activiteit: denken aan het allerhoogste. Omdat een God Die uitsluitend aan Zichzelf dacht Zich moeilijk tevens bezig kon houden met het bestuur van deze wereld, namen joodse wijsgeren aan dat Gods Woord de middelaar was tussen de transcendente God en de Schepping. Het Woord was, zoals de joodse wijsgeer Filon van Alexandrië het uitdrukte, “noch ongeschapen noch geschapen, maar bevindt zich daar tussenin”.

Was het Woord als tussenschakel tussen God en Schepping nogal abstract, er waren theorieën waarin God een deel van het bestuur van de wereld overdroeg aan mensen. In de Gelijkenissen van Henoch, een apocalyptische tekst uit de eerste helft van de eerste eeuw n.Chr., krijgt “de gekozene” een troon aangeboden om de mensheid te berechten. In de even oude Testamenten van de drie aartsvaders verneemt Abraham dat God de beoordeling van de overledenen heeft overgedragen aan een man, “stralend als de zon”, van wie later wordt verteld dat het Adams vermoorde zoon Abel is. Beide teksten gaan terug op het boek Daniël, waarin valt te lezen dat in de Eindtijd ‘iemand die eruitzag als een mens’ met de wolken zal komen en een eeuwige heerschappij zal worden gegeven. De auteur van Daniël bedoelde daarmee “het volk van de heiligen van de hoogste God”, maar de auteurs van de Gelijkenissen van Henoch en de Testamenten van de drie aartsvaders lieten deze uitleg voor wat ze was en presenteerden één man als Gods afgevaardigde om de wereld te beoordelen. Het moge duidelijk zijn dat het christendom hierop heeft voortgebouwd.

Er zijn voldoende aanwijzingen dat de engelen, cherubijnen, serafijnen, de zon, de Geest en het Woord van God ook werden vereerd. “De gekozene” werd vereerd door “de koningen, bestuurders, magistraten en anderen die de wereld regeren”. Een jood op Delos riep God met de engelen aan en verzocht God om een moordenaar op onaangename wijze aan zijn einde te laten komen, terwijl de charmante novelle Tobit een scène bevat waarin twee vrome mensen zich ter aarde werpen voor de engel Rafaël, die hen erop wijst dat ze uitsluitend God mogen prijzen – een advies dat alleen betekenis heeft als er destijds joden waren die tot de engelen baden.

Kortom, in de praktijk namen de joden zowel “de Heer is onze god” als “de Heer alleen” niet al te letterlijk. De grens met andere religies was op dit punt transparant, deels doordat joden het bestaan van andere goden konden erkennen en deels doordat de verering van één God-met-hemels-personeel leek op het pantheon van andere volken. Menige Griek, Egyptenaar, Syriër of Romein meende immers dat alle hemelingen in feite vielen te herleiden tot één allerhoogste godheid. “Ik ben één van wezen,” legt een Romeinse auteur de Egyptische godin Isis in de mond, “maar ik heb vele gestalten en de wereld vereert mij op veel manieren en onder vele namen.” Het is moeilijk vol te houden dat de joden monotheïsten waren en hun buren polytheïsten; wel is het zo dat de joden monotheïstischer waren dan hun tijdgenoten.

[Wordt vervolgd]