Nogmaals Sapfo

Sapfo, laat-Romeins portret uit Smyrna (Archeologisch Museum, Istanbul)

Ik blogde al over Sapfo. Vandaag doe ik dat nog eens, want dit was dus iets waar ik helemaal blij van werd, die aankondiging, eergisteren, dat twee gedichten waren ontdekt van de Griekse dichteres. U vindt de voorgenomen wetenschappelijke publicatie hier, u vindt de vertaling die de Nijmeegse classicus Vincent Hunink terstond maakte daar en u vindt hieronder mijn poging te tonen hoe leuk oudheidkundige puzzels zijn.

Eerst even iets over Sapfo. Ze is een van de weinige bij het grote publiek bekende antieke auteurs. Vrijwel iedereen heeft wel eens van haar gehoord: ons woord “lesbisch” is afgeleid van haar woonplaats. Haar gedichten zijn echter minder bekend en dat is ook logisch, want ze zijn merendeels verloren gegaan.

Dat komt niet, zoals je soms leest, doordat de christenen een hekel hadden aan de homoseksuele dichteres en daarom haar teksten vernietigden. Het is veel prozaïscher: omdat papyrusrollen na ongeveer honderd jaar sleets werden, ging een antieke tekst onherroepelijk verloren als ze langer dan een eeuw uit de mode was en dus niet meer werd gekopieerd. Dat dit met Sapfo’s gedichten gebeurde, is bepaald niet uniek.

Wat resteert, is een verzameling fragmenten, die aan hun incompleetheid een eigen schoonheid ontlenen. Eén zin is voldoende om er een prachtig gedicht bij te fantaseren. Mijn favoriet:

De maan is ondergegaan
met de Plejaden: midder-
nacht, de tijd verstrijkt.
Ik slaap alleen. (fragment 168b; vert. Paul Claes)

Hunkert Sapfo naar haar geliefde? Is ze blij eindelijk rust te hebben? Omdat je het er zelf bij mag denken, wordt over Sapfo nogal uiteenlopend gedacht. Dat ze hield van meisjes wordt nu algemeen aanvaard maar werd nog niet zo lang geleden ontkend. De oude argumenten waren niet per se onzinnig: de uitleg van fragmentarische poëzie biedt gewoon veel speelruimte.

Al in de Oudheid vond men deze onzekerheid frustrerend. De historicus Herodotos en de filosoof Chamaileon voegden allerlei details toe, die vrijwel zeker zijn verzonnen. Dat gebeurde in de Oudheid wel vaker: men wilde zó graag meer weten over geliefde auteurs dat men het gebrek aan biografische feiten compenseerde met fantasie. Van Herodotos werd bijvoorbeeld verteld dat hij ooit in ballingschap was gegaan, maar aangezien dit wordt verteld van álle Griekse historici, mogen we dat nemen met een korreltje zout.

Zo ook de biografische informatie over Sapfo. Een gedicht waarin ze tot de liefdesgodin Afrodite bidt om de terugkeer van een Charaxos en de hoop uitspreekt dat een Doricha hem niet opnieuw zal ontvangen, groeide uit tot een complete soap: Charaxos zou Sapfo’s broer zijn geweest en in Egypte verliefd zijn geworden op de slavin-prostituee Rodopis (“rozensnoetje”), die dan weer dezelfde zou zijn als Doricha. Hij zou haar hebben vrijgekocht voor een astronomisch bedrag, tot ergernis van zijn broers en zuster, die trouwens niet deugen wilde en bovendien erg lelijk was.

RTL Boulevard zou er wel raad mee weten, maar het werd nog gekker. Latere auteurs voegden toe dat Charaxos naar Egypte was gegaan om handel te drijven en vermeldden bovendien dat het graf van de prostituee door haar klanten was betaald. Uiteindelijk waren er zelfs tradities over twee Sapfo’s, een mooie en een lelijke. Van mensen die ook kentauren en minotaurussen en cyclopen bedachten, hadden we niet minder verwacht.

***

Nu zijn dus twee gedichten gevonden. Oxford-classicus Dirk Obbink is er zeker van dat ze zijn geschreven door Sapfo, maar er zijn twee vragen. De eerste: is de tekst wel zo oud als hij aanneemt? Ik neig ertoe aan te nemen dat dit zo is, maar ik heb vraagtekens. De tweede: als de tekst oud is, is het dan ook poëzie van Sapfo? Daar zijn mijn vraagtekens groter. Achter beide vragen gaat een simpele realiteit schuil, namelijk dat vervalsingen de oudheidkunde volgen als een schaduw.

Een nieuw fragment van een even beroemde als slecht overgeleverde dichteres doet alle alarmbellen afgaan. Vergelijk het met de affaire die anderhalf jaar geleden het nieuws haalde: toen dook een snipper op van een tekst die, heel mediageniek, werd aangeduid als Evangelie van de vrouw van Jezus. Een wetenschappelijk tijdschrift had de publicatie al aanvaard toen aannemelijk werd gemaakt dat het een vervalsing was. Een nogal knullige, bovendien: de maker had een zetfout uit een voorbeeldboek overgeschreven.

Wie een Sapfo-fragment vindt, weet dat er veel media-aandacht zal zijn – dit stukje is een voorbeeld – en zal dus dubbel controleren of alles klopt. Ik heb niet de indruk dat dit is gebeurd. “Now in a private collection, London” is het enige wat we vernemen over de herkomst van het fragment, plus de mededeling dat de eigenaar anoniem is. Dat is niet zó raar – als ik een zeldzaam antiek voorwerp zou bezitten, zou ik uit angst voor inbrekers mijn adres evenmin van de daken schreeuwen – maar het draagt ook niet bij aan het vertrouwen.

Je zou ook meer aandacht hebben verwacht voor de ouderdom van het materiaal. Antiek papyrus kun je in Cairo of Luxor gemakkelijk kopen, maar het moet – en dat is voor een vervalser moeilijker – wel even oud zijn als het handschrift (de eerste helft van de derde eeuw n.Chr.). Een koolstofdatering ontbreekt. Ook ontbreekt een analyse van de inkt. Nu is zo’n analyse een heksentoer – het mengsel van roet, gom en verfstoffen laat zich lastig isoleren van het papyrus – maar het gaat hier niet om een administratief document, een bedankbriefje of een kattebelletje: het gaat om teksten van een van de beroemdste auteurs uit de Oudheid. Omdat het gevaar van een vervalsing bestaat, zijn de authenticiteitscriteria scherper en ik heb er wat moeite mee zomaar aan te nemen dat een document uit de collectie van een anonieme verzamelaar werkelijk is wat we allemaal hopen dat het is.

Gelukkig is er een sterke aanwijzing dat dit stukje papyrus stamt uit de Oudheid: het handschrift is bekend van een ander manuscript. De nieuwe tekst is dus even authentiek als de eerste, die nooit door iemand is beschouwd als vervalsing. Daarom ben ik geneigd aan te nemen dat de nieuwe vondst antiek is, maar daarbij moet wel worden aangetekend dat het ook denkbaar is dat beide teksten vervalst zijn.

Dat is geen querulantisme mijnerzijds. Het Nijmeegse Valkhofmuseum heeft enige tijd enkele valse voorwerpen tentoongesteld. Het Rijksmuseum van Oudheden heeft van de nood een deugd gemaakt en op de onlangs vernieuwde afdeling over het Nabije Oosten een vitrine met discutabele voorwerpen ingericht. We hebben geen idee hoeveel museumvoorwerpen (waaronder papyri) echt zijn omdat dat nooit is onderzocht. We moeten dat maar geloven, en het steeds hoger opgeleide grote publiek is steeds kritischer, zeker na de affaire rond het Evangelie van de vrouw van Jezus.

Ik wil hiermee geen geruchten voeden dat ons hele verleden is vervalst (dat kan ik overlaten aan kwakhistorici als Monaldi en Sorti), maar ik wil wel wijzen op het in de oudheidkunde ontbreken van meta-analyses zoals in andere disciplines wel plaatsvinden. Denk aan Fanelli, die onderzocht of wetenschappers rommelden met data, of aan Bakker en Wicherts, die controleerden of het psychologische onderzoek in ons land wel sterk genoeg was. Nogmaals, ik vermoed dat de nieuwe papyrus authentiek is, maar gegeven het onloochenbare bestaan van vervalsingen en het ontbreken van meta-analyses, zou ik er ook niet van opkijken als er toch iets niet blijkt te kloppen.

***

Mijn tweede vraag: als de tekst inderdaad antiek is, is ze dan ook van Sapfo? Obbink wijst erop dat het metrum en het taalgebruik lijken op dat van de dichteres, dat Charaxos wordt vermeld en dat een broer wordt genoemd die ook door Chamaileon wordt vermeld. Dat is nogal dunnetjes: in feite zeg je dat het authentiek is omdat het lijkt op biografische gegevens – maar die zijn mogelijk verzonnen.

Er is echter meer aan de hand. Men was in de Oudheid niet alleen goed in het bedenken van biografische feiten over geliefde auteurs, men schreef ook teksten in andermans naam. Voorbeelden te over. Enkele aan de apostel Paulus toegeschreven brieven zijn bewijsbaar niet van zijn hand, om eens iets te noemen. De Romeinse dichter Ovidius schreef brieven die beroemde heldinnen geschreven zouden kunnen hebben, waaronder een brief van Sapfo.

Niemand zal beweren dat de antieke letteren saai en oncreatief zijn, maar het wordt zo wel verdraaid lastig een echte tekst te onderscheiden van een hommage. Er bestaat bijvoorbeeld een toespraak over het ideale staatsbestel, overgeleverd op naam van de redenaar Herodes Atticus uit de tweede eeuw n.Chr., die zogenaamd dateert uit de late vijfde eeuw v.Chr., toen de Atheense democratie door oligarchen werd bedreigd. De rede is echter zo griezelig goed gemaakt, dat sommige classici menen dat ze écht uit de vijfde eeuw v.Chr. stamt. Ik zou niet weten hoe een classicus een echt gedicht van Sapfo zou moeten onderscheiden van een in haar stijl door een goede dichter vervaardigd hommage.

Of neem het volgende scenario: iemand vond een fragment, baalde van de incompleetheid en besloot het te reconstrueren. We hebben daarvan voorbeelden en een ervan heeft zelfs betrekking op Sapfo: de Romeinse dichter Catullus heeft een fragment gekend, vertaald in het Latijn en voorzien van een slot (meer). Als een dichter zoiets in het Grieks heeft gemaakt, valt niet uit te maken welke regels van Sapfo zijn en welke van haar continuator.

***

Kortom, ik zou helemaal blij zijn als we werkelijk nieuw materiaal vonden van Sapfo, maar er is een reële kans dat het gaat om een vervalsing, waarbij ik het aannemelijker vind dat deze uit de Oudheid stamt dan uit onze eigen tijd. Ik zou het zelf nooit “onbetwijfelbaar” een gedicht van Sapfo hebben durven noemen. Iets anders weet ik echter wel zonder twijfelen: er is geen discipline met een zwakkere empirische basis dan de oudheidkunde en er is geen discipline met leukere puzzels. En verdraaid leuke gedichten, dat ook.

[Met dank aan Vincent Hunink]

9 gedachtes over “Nogmaals Sapfo

  1. Michael van der Lee

    Hallo Jona,

    Dank weer voor dit ‘hot news’. Maar ik had ooit begrepen dat er van Spappho’s gedichten niet wmeer dan woordfragmenten over zijn (en dus geen complete gedichten). Klopt dat ?

    groet
    Michael

  2. Ik wil uiteraard niet zeuren. Maar: ‘Wie een Sapfo-fragment vindt, weet dat er veel media-aandacht zal zijn – dit stukje is een voorbeeld – en zal dus dubbel controleren of alles klopt. Ik heb niet de indruk dat dit is gebeurd.’
    In de alinea ervoor: ‘Vergelijk het met de affaire die anderhalf jaar het nieuws haalde:’ dat zal ‘anderhalf jaar geleden’ moeten zijn. Een kniesoor zou kunnen gaan beginnen over een geschiedkundige met een slecht geheugen voor de korte termijn… dat doe ik natuurlijk niet!

  3. En weer dank voor deze heldere uiteenzetting van de moderne problemen bij het duiden van klassieke teksten. Ik had geen idee dat men in de oudheid als zo graag zaken uit naam van anderen schreef. Wat was het nut daarvan? Dat bijvoorbeeld Ovidius door zijn lezers geprezen werd omdat hij zoveel van Sappho wist? Wel interessant zoiets, ook al omdat dat soort geschriften neem ik aan een hoog gehalte origineel materiaal bevatten, wat mooi is als we daar weinig van hebben. Maar ook frustrerend ja.

  4. mnb0

    “het handschrift is bekend van een ander manuscript”
    Toch vermindert dit de kans op een vervalsing aanmerkelijk, tenzij de twee handschriften op één bron te herleiden zijn – dan is de kans juist groter.

    “Ik zou niet weten ….”
    Ik meende dat tekstanalysten daar methoden voor hebben ontwikkeld. Het is een tak van wetenschappen die mij niet boeit, dus ik weet er nul komma nada van.

    “valt niet uit te maken welke regels van Sapfo zijn en welke van haar continuator”
    Ik herhaal mijn opmerking hierboven.

    “waarbij ik het aannemelijker vind dat deze uit de Oudheid stamt ”
    Dan vind ik de term vervalsing misplaatst. Wij 21e eeuwers vinden dat not done (hoewel, zie onder). Maar nog in de tijd van Mozart hadden componisten er geen enkel probleem mee ideeën van elkaar over te nemen voor eigen gebruik, om van de werkwijze van Rembrandt nog maar te zwijgen. En als je een fraai onbekend stukje orgelwerk van Bach wilt horen: luister naar de eerste veertig seconden van

    Het is een hobby van de fans om uit te zoeken waar deze band van alles en nog wat gestolen heeft – waardoor deze band zich heeft laten inspireren.

    1. Het verschil tussen ‘vervalsen’ en ‘zich laten inspireren door’ (waar de erven van Marvin Gaye net een zege in geboekt hebben) is dat je de eerste onder de naam van de originele auteur laat staan, en bij de tweede je eigen naam gebruikt. Dus als een schilder Rembrandt’s techniek kopieert maar zijn eigen naam signeert is dat ‘inspiratie’, als een componist nu een deuntje van een ander gebruikt (maar daar niet voor betaalt) is dat ‘diefstal’. Maar als Ovidius in de oudheid een brief schrijft en claimt dat die van Sappho is, is dat een vervlasing, hoe oud dan ook.

      1. Michael van der Lee

        Met alle respect denk ik dat we dat alleen maar vanuit het nu zo kunnen zeggen. Maar ik ben er bijna zeker van dat men dat in de tijd van d’ouden anders zag.

  5. mnb0

    “er is geen discipline met een zwakkere empirische basis dan de oudheidkunde”
    Mocht je willen. Evolutiebiologen zijn er in dit opzicht minstens zo beroerd aan toe betreffende de ontwikkeling van het leven tussen 3 miljard en 0,6 miljard jaar geleden, toen er alleen nog eencelligen waren. Met abiogenese is het wellicht nog beroerder gesteld. Maar de kampioen is toch het onderdeel Oerknal van de natuurkunde en dan met name het eerste tijdsinterval genaamd Planck-tijd.

    http://en.wikipedia.org/wiki/Planck_time

    Want precies in die ultrakorte periode vonden die processen plaats die ons Universum bepaalden; de stuk of 30 natuurconstanten namen toen hun waarden aan. Dit is een fundamenteel probleem, dat we alleen mogen hopen op te lossen als er een Grootse Verenigde Theorie is. Zekerheid is echter niet gegarandeerd.
    Je zal niet verbaasd zijn te vernemen dat juist daar de grootste natuurkundige belangstelling naar uit gaat. Veel schot zit er echter niet in sinds Hawking Het Heelal schreef.
    Andere kandidaten voor een bijzonder zwakke empirische basis zijn Donkere Materie en Donkere Energie.
    Nog erger dan een zwakke empirische basis voor een theorie is een sterke empirische basis zonder theorie. Mijn favoriet is supergeleiding bij relatief hoge temperatuur, al dik 25 jaar een raadsel.
    Denk daar maar aan als je meent dat jullie oudheidkundigen het moeilijk hebben.

Reacties zijn gesloten.