De archeologische malaise

Karel en enkele paladijnen (Alte Nationalgalerie, Berlijn)
Karel en enkele paladijnen (Alte Nationalgalerie, Berlijn)

Eigenlijk is de publiciteitsgeilheid van de letterdames en -heren hemeltergend. Ik wil er niet elke keer weer over beginnen, maar het volgende geval kan ik u niet onthouden: Karel de Grote was echt lang. Dat blijkt namelijk uit de analyse van een van zijn botten.

Ja duh. “Hij was breedgebouwd en fors, lang van postuur,” schrijft Karels biograaf Einhard, die eraan toevoegt dat de vorst ondanks deze lengte goedgeproportioneerd was. “Men weet dat zijn lengte zeven keer de maat van zijn voeten bedroeg.” Misschien zijn ’s keizers kleermakers de bron van deze laatste informatie.

De archeologie heeft dus iets bewezen wat we allang wisten – en met “we” bedoel ik niet een klein groepje geïnteresseerden of een nog kleiner groepje wetenschappers. Einhards biografie is vertaald in vrijwel alle Europese talen – ik citeerde de weergave door Patrick De Rynck – en is beslist geen onbekende tekst. Wie een béétje geïnteresseerd is in de Vroege Middeleeuwen, heeft Einhard gelezen en weet dus dat de archeologen precies niets nieuws naar buiten brengen.

Het is altijd weer indrukwekkend hoe efficiënt geesteswetenschappers hun vakgebied belachelijk maken. Als het over de Oudheid gaat, is zo’n 40% van de archeologische persberichten beneden de maat; middeleeuwse archeologen weten er, zoals we nu en duidelijk zien, ook wel raad mee.

Wat er achter zit? Het zal er iets mee te maken hebben dat de keizer 1200 jaar geleden is overleden. Zulke ronde jaren trekken de aandacht. Komend najaar krijgen we een even voorspelbare hausse van publiciteit over de 2000 jaar geleden overleden keizer Augustus. De slag bij Marathon in 490 v.Chr. is zelfs twee keer gedacht: in 2010 en in 2009, omdat een van de organiserende comités was vergeten dat er geen jaar nul is geweest en daarna niet meer wilde toegeven een fout te hebben gemaakt. Met kwaliteit hebben zulke herdenkingen dus niks te maken.

Steeds krijgt u slechts wat feiten toegeworpen. Soms is er wel wat aandacht voor de politieke manipulatie van de herdachte gebeurtenis door eerdere generaties of in vreemde culturen. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen Duitsland vijf jaar geleden herdacht dat de Slag in het Teutoburgerwoud negentien eeuwen eerder had plaatsgevonden.

De waarde van geschiedenis ligt echter niet in de feiten of in achterhaalde interpretaties. Die ene keizer is al twaalf eeuwen dood, die ander zelfs twintig. Het heeft nauwelijks betekenis. Wat wél belangrijk is, is hoe wij, uit weinig schrapjes bronnen, dat verleden reconstrueren. Wie ermee bezig is, leert omgaan met informatie. Je leert vragen stellen. Het is geen toeval dat classici, archeologen, oudhistorici en oriëntalisten lange tijd emplooi vonden bij de inlichtingendiensten: zij konden tenminste omgaan met schaarse informatie, zij hadden de valkuilen leren kennen.

Dit soort gemakzuchtige herdenkingen, met hun misplaatste nadruk op wat een bijzaak is en zo flagrant in strijd met alles wat wetenschappelijk is vastgesteld over efficiënte wetenschapscommunicatie, is een symptoom van de malaise in de geesteswetenschappen. Ik verwacht niet dat het nog goed komt.

10 gedachtes over “De archeologische malaise

  1. Ik meen eens gelezen te hebben dat op grond vn zijn doodskist hij 7 voet lang was – ook nu vrij groot. Zijn bijnaam ‘de grote’ is denk ik klakkeloos aan zijn macht toegewezen. Carolus Magnus en zo. Maar net als Karel de Kale of Robert Kurthose was de bijnaam gewoon een kenmerk dat die kerels ehh die Karels uit elkaar hield. Misschien als hij maar en gewoon koninkje was geweest, hadden we hem gekend als ‘Karel de Lange’, en ons nooit verder iets afgevraagd.

      1. Beetje flauw. Archeologen krijgen bijv. colleges fysische antropologie. Hun docent is dan een fysisch antropoloog en is technisch geen archeoloog. Toch hoort het erbij. Dit soort overlappen zijn normaal en ik reken gemakshalve nogal wat mensen tot de oudheidkunde die dat weliswaar niet op hun kaartje hebben staan, maar zich er wel degelijk mee bezighouden.

        Merk het onderliggende probleem op: iedereen heeft een steeds kleiner specialisme, maar iedereen werkt samen en beheerst andere specialismen niet. Dat leidt dus onvermijdelijk tot problemen als men in de pers spreekt: men maakt vergissingen, en gegeven het grote aantal hoogopgeleiden worden die vergissingen gezien. Zo kalft het draagvlak af.

        1. mnb0

          Nee, niet flauw. In het team van Rühli zit geen enkele archeoloog. Het zijn medici. Het team heeft nieuwe onderzoekstechnieken ontwikkelt en dit berichtje is er een resultaat van. Een belangrijk deel van (vooral natuur-) wetenschap is nu eenmaal bevestigen wat we al weten, maar via een nieuwe methode. Voeg daaraan toe de grotere nauwkeurigheid en het nieuwsberichtje is wel degelijk gerechtvaardigd.
          Natuurlijk heeft de herdenking daarbij een rol gespeeld. Dat is zonder twijfel de reden waarom Rühli en co juist dit skelet hebben uitgekozen en niet een ander. Maar ik zie er niets op tegen om zo’n gelegenheid aan te grijpen het publiek duidelijk te maken wat ze aan het doen zijn.
          Dat doet niets af aan je verdere analyse; je hebt mi een verkeerd voorbeeld genomen.

  2. Even voor je informatie Jona: dat Karel groot was, wordt hier (NRW, en in het bijzonder Aken) gebracht als belangrijk, belangwekkend nieuws: Het heeft de teletekst van de landelijke TV gehaald.

    Maar ik ben bang dat dat niet alleen in de geesteswetenschappen gebeurt. Wat te denken van dit http://www.improbable.com/ lijstje van juweeltjes van wetenschap? Met als onze nationale sterinzending een wippend koppeltje in de MRI: http://www.youtube.com/watch?v=OVAdCKaU3vY

  3. Bij het onderzoek ging het er om vast te stellen of in de kist daadwerkelijk de stoffelijke resten van Karel de Grote lagen. Omdat ze van een lange man zijn geweest en omdat uit de historische bronnen bekend was dat Karel lang was concluderen de onderzoekers (inderdaad, geen archeologen) dat het om de botten van Karel gaat. Zijn lengte wordt dus niet door de onderzoekers maar door slecht lezende journalisten als nieuws gebracht.
    Blijft de vraag of het nodig was om vast te stellen of de botten in de kist echt die van Karel waren. Zelf vind ik het wel interessant om te weten dat Karel niet meer compleet is; enkele botten zijn elders in de kerk terechtgekomen, maar een aantal botten zou ook als relikwie zijn uitgedeeld. Zou de moeite waard zijn om uit te zoeken waar ze zijn terechtgekomen en wat er mee is gedaan.

    1. Volgens mij is de kies van Johannes de Doper die ooit behoorde bij de Duitse kroonjuwelen (en nu aan een plastic draadje hangt in de Hofburg in Wenen) eigenlijk van Karel de Grote.

Reacties zijn gesloten.