Arnhem 1944 (1)

“Een linkse hoek”: veldmaarschalk Montgomery gebruikte een boksterm om het aanvalsplan van Market Garden te typeren. Het idee was om niet vanuit Frankrijk en België frontaal op de Siegfriedlinie en de Rijn af te stormen, maar om een omtrekkende beweging te maken, linksom, over Eindhoven, Nijmegen en Arnhem – en daarvandaan door naar het Ruhrgebied. Parachutisten zouden daartoe de bruggen over de diverse kanalen en rivieren veroveren, waarna tanks de veroveringen zouden consolideren. De terugtocht van de Duitse legers uit Frankrijk en de snelle geallieerde opmars van Normandië naar België en de Vogezen suggereerden dat de tanks in twee dagen de Rijn konden bereiken. De oorlog zou voor kerstmis voorbij zijn.

De soldaten van de Britse First Airborne Division sprongen echter, zoals een boek met ooggetuigenverslagen heet, “van de hemel in de hel”. Anders dan de Britse inlichtingendiensten hadden aangegeven, was de Veluwezoom niet onverdedigd: er lagen twee SS-pantserdivisies. De parachutisten werden al in de eerste uren na hun landing geconfronteerd met een numerieke en materiële overmacht. Dat desondanks een bataljon de brug bereikte en er enkele dagen stand hield, mag een wonder heten. Even wonderlijk is dat de rest van de divisie het een kleine tien dagen uithield in Oosterbeek, waar ze een bruggenhoofd probeerden te behouden, in de vage en afnemende hoop dat dit door middel van een baileybrug kon worden ontzet en dan de basis kon vormen voor de aanval op het Roergebied.

Alle uithoudingsvermogen ten spijt was “Arnhem” een mislukking. De tanks bereikten Nijmegen vrij laat en de troepen die uiteindelijk van Driel naar Oosterbeek overstaken waren te weinig in getal om het bruggenhoofd te bewaren, laat staan uit te bouwen tot een uitvalsbasis voor vervolgoperaties. Het gevolg was dat de geallieerden tot begin 1945 een overbodig gebied op hun linkerflank moesten verdedigen, waar ze mankracht inzetten die ze beter hadden kunnen inzetten voor de hoofdaanval richting Berlijn. Het resultaat van Market Garden was een verslechtering va de geallieerde strategische positie, de ondergang van de First Airborne Division en een ontluisterend verlies aan mensenlevens – de gevallenen liggen op acht erevelden, zoals Oosterbeek en Margraten.

De stelling die John Nichol, een veteraan uit de Golfoorlog van 1991, en journalist Tony Rennell, verdedigen in hun onlangs verschenen boek Arnhem. The Battle for Survival, is dat de slag om Arnhem niet alleen een nederlaag was. Het was ook, zo schrijven ze, een overwinning van de menselijke geest: de Britse soldaten raakten namelijk nooit gedemoraliseerd en verloren de strijd zonder te zijn verslagen. Een Amerikaanse observator die bij de gevechten in Oosterbeek aanwezig was, Bruce Davis, verwoordde het als volgt:

The German infantry were scared of the Red Barets and would not attack without the help of armor or big guns. There was constant evidence that they gave Jerry the fright of his life. …What I learned from the Arnhem operation was that men born and bred as free men have a great strength and willpower, which they never suspect until they need it.

Helaas geven Nichol en Rennell maar vaag aan waar Davis’ rapport valt in te zien. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze analyse is geschreven in de eerste jaren van de Koude Oorlog, toen het Westen zich opmaakte om de vrijheid te verdedigen tegen de Russische horden. Ik ben daarom wat sceptisch, temeer daar de moed van vrije mannen zo’n beetje het oudste cliché is uit de krijgsgeschiedenis. (U vindt het al bij de Griekse onderzoeker Herodotos.)

Ik begon dan ook wat wantrouwend aan Arnhem. The Battle for Survival, temeer daar ik niet echt geloofde in de noodzaak van het boek, dat beloofde vooral te vertellen wat de gewone soldaat had ervaren. Boeken vol ooggetuigenverslagen zijn er al volop. Ik noemde zojuist Van de hemel in de hel; er zijn publicaties over de Nederlandse bevolking; de titel van Cornelius Ryans A Bridge Too Far is uitgegroeid tot spreekwoord.

Ik onderschatte Nichol en Rennell. Ze slagen erin een geloofwaardig portret te schetsen van soldaten die, geconfronteerd met een onmogelijk geworden opdracht, boven zichzelf uitstijgen. Een verdere analyse laten ze, om redenen die ik verderop zal uitleggen, achterwege: waardoor deze kerels in staat waren tot het bovenmenselijke blijft onverklaard. Binnen de gekozen opzet is Arnhem. The Battle for Survival echter een geslaagd boek.

Simpel samengevat lezen we wat de gewone soldaten meemaakten tot ze zich moesten overgeven of terugtrekken over de Rijn. We lezen veel over de omstandigheden waaronder ze moesten vechten: dat het moeilijk is een schuttersputje te graven, bijvoorbeeld, als de grond door het aanhoudend gebruik van vlammenwerpers te heet is geworden.

Nichol en Rennell presenteren deze stof zó dat de chaos en verbijstering die de soldaten ervoeren, ook voor de lezers navoelbaar is. Na pagina’s te hebben gelezen over de inzet waarmee de soldaten probeerden de Rijnbrug te bereiken, komt het bevel een defensieve stelling in te nemen rond Oosterbeek voor de lezer even onverwacht als het voor de mannen zelf kwam. Pas vele bladzijden later volgt een uitleg – en die is twee zinnen lang.

Je weet als lezer dus zelden meer dan de para’s destijds. Welke Duitse eenheden er vochten bij de brug, wat er buiten het slagveld gebeurde: je verneemt er weinig over. Het resultaat is dat de lezer, vanuit het comfort van zijn vreedzame bestaan, de veldslag als het ware beleeft zoals de soldaten haar hebben meegemaakt. Dat is vaak absurder dan je kunt verzinnen, zoals het bizarre feitje dat de soldaten pijptabak gebruikten als voering van hun helm. Ook is het verhaal triester dan je je kunt indenken, zoals de anekdote van de soldaten die, tijdens de terugtocht, een sergeant zien lopen die getraumatiseerd en verward alleen nog kan vragen “Have you seen my boys?” – zonder te kunnen begrijpen wat er gaande is.

De grootste kwaliteit van het boek is dat de auteurs de feiten voor zichzelf laten spreken. Waar ze commentaar geven, is het beknopt en zakelijk. Vermoedelijk was dat te verwachten: Nichol heeft, zoals gezegd, gevochten in de Golfoorlog. Hij is boven Irak neergehaald en heeft in een van Saddams gevangenenkampen gezeten. Zoals wel meer krijgshistorici die frontervaring hebben, vermijdt hij de hyperbool, concentreert hij zich op de mannen zelf en meet hij ze aan één maatstaf, namelijk of ze loyaal waren aan hun medesoldaten.

Zouden u of ik, die nooit iets anders kenden dan vrede, schrijven over de huis-aan-huis-gevechten in Arnhem en Oosterbeek, wij zouden niet dezelfde onderkoelde, sobere toon hebben. Wij zouden kitscherige details noemen (zoals stervende kinderen) of vervallen tot geweldsporno. Ons boek zou even snel verouderen als wat ’s Neêrlands schrijvers afscheidden over Waterloo. Nichol en Rennell vermijden het valse pathos en de analyse, concentreren zich op de kameraadschap en moed van de manschappen en produceerden zo een tijdloos document over wat mensen vermogen onder de onmenselijkste van alle omstandigheden.

4 gedachtes over “Arnhem 1944 (1)

  1. Op weg naar mijn grootouders in Arnhem heb ik altijd de Eusebius Kerk in de steigers zien staan.
    Wonend in Nijmegen heb ik vaak naar het beeld van Jan van Hoof gekeken. Soms liep ik ook over de gedenksteen op de plek waar Jan van Hoof stierf.

    Mijn vader sprak zelden over het leven in mijn geboortestad.
    Wel heb ik op de Middelbare school de serie woordenboeken gebruikt van een van oude overleden schoolvrienden. De woordenboeken lieten mij dan stilstaan bij de gevolgen van deze vreselijke oorlog.

    Vriendelijke groet,

  2. Ik heb heel veel publicaties gelezen over deze slag. Ook een paar Duitse. En daarom vind ik de stelling: “The German infantry were scared of the Red Barets and would not attack without the help of armor or big guns. There was constant evidence that they gave Jerry the fright of his life” typisch Brits, typisch geallieerd. En overdreven. Straatgevechten zijn ontzettend slecht voor infanterie, dus elke strateeg zal aanraden zwaar materiaal in te zetten. Met ‘angst voor rode baretten’ heeft dat weinig te maken. Dat is meer iets voor mythevorming denk ik.
    Heb je wel eens Duitse boeken hierover gelezen? Die zijn net zo overdreven naar hun kant, maar werpen soms een aardig licht op sommige passages, een tegenlicht dus. 😉

  3. Michael van der Lee

    Mee eens Robert ! Zo is het ook leuk Beevor’s D-day te lezen waarnaast Hans von Luck’s gedeelte over zijn aanwezigheid in Normandie (het heet ‘Panzer Commander’, HvL was lange tijd een van Rommel’s rechterhanden)

Reacties zijn gesloten.