Lamassu

Lamassu uit Khorsabad (nu in het Louvre)
Lamassu uit Khorsabad (nu in het Louvre)

Misschien kwam het door overbejaging, misschien was er een andere reden, maar in elk geval zijn ze al in de Oudheid uitgestorven, de lamassu’s. De beesten leefden oorspronkelijk in het oude Assyrië, waar ze grote indruk moeten hebben gemaakt op de bevolking: soms vrij vliegend op hun adelaarsvleugels, soms stoer wandelend op hun stierenpoten, altijd intelligent denkend met hun mensenhoofd.

Lamassu’s waren intelligent, vrij en krachtig. Geen wonder dat de Assyrische koningen deze dieren gebruikten zoals wij waakhonden hebben: bij de poort hielden ze de wacht. Omdat ze vijf poten hadden, zag je er altijd minimaal vier, of je nu van voren of opzij keek. Indrukwekkend als ze waren, hielden ze elke vijand buiten. (De vakterm voor zulke kwaadafwerende wachters is “apotropaïsch”.)

De foto hierboven, genomen in het Louvre, toont een lamassu uit Khorsabad, een Assyrisch paleis ten noordoosten van Mosul, ergens in het huidige niemandsland tussen de Koerden en de jihadisten van ISIS. De Louvre-lamassu is rond 710 v.Chr. gemaakt. In de westerse musea zijn er wel meer te zien: in Chicago en Londen bijvoorbeeld. De lamassu’s uit Nineveh zijn ooit op een vlot geplaatst om ze naar een zeehaven te transporteren, maar het vaartuig kapseisde en de lamassus’s liggen nog steeds ergens in de Tigris. Een verwant apotropaïsch figuur is de sfinx, die we vooral kennen uit Anatolië en waarover ik al eens eerder blogde.

Poort van alle naties, Persepolis
Poort van alle naties, Persepolis

In de zesde eeuw v.Chr. breidde de habitat van de lamassu zich uit naar de Iraanse hoogvlakte. Wie naar Persepolis kwam, zou bij de Poort van alle naties zijn begroet door twee paar lamassu’s. Later zijn er nog een paar toegevoegd, soms met paardenkoppen.

Op Sicilië zijn Griekse munten gevonden waarop stieren staan met mensenhoofden, waarvan men wel beweert dat het satyrs zijn. Vermoedelijk is dat correct, maar ik sluit ook niet uit dat de gedachte dat het oosterse lamassu’s zijn, gewoon nooit bij de onderzoekers is opgekomen, ofschoon wel meer artistieke motieven uit het oude Nabije Oosten zich naar het westen hebben verspreid.

[Dit was de 105e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

4 gedachtes over “Lamassu

  1. Frederik Bakker

    Die Siciliaanse ‘stieren met mensenhoofd’ worden ook vermeld door de Siciliaanse filosoof Empedocles (fr. B61 D-K: “βουγενῆ ἀνδρόπρῳρα”), maar zouden al lang geleden zijn uitgestorven. Ik wist niet dat daar afbeeldingen van waren. Zou Empedocles door zulke afbeeldingen geïnspireerd zijn?

  2. Wies de Winter

    In het franse dorp waar ik vertoef zijn schitterende poorten en deuren. Sommige vervallen, sommige grotesk voor het vervallen straatje waar ze zich bevinden. Maar in elk dorp vind ik altijd wel een lievelingsdeur, dit jaar is het een grote vervallen houten schuurdeur maar dan in een straatje waar niets in past wat in volle breedte door de deur zou kunnen. Het is een poortdeur in 2en, de onderkanten trekken krom maar niet op een plaats want daar zit dan weer een kleiner deurtje. Ik zou er een foto van kunnen maken zoals ik vroeger deed, hele series van alleen maar deuren maar eenmaal thuis vallen foto’s plat en mik ik ze onmiddellijk weer in de virtuele prullenbak. En zo laat ik ze enkel beeld zijn als ik eraan voorbijloop om steeds weer die sensatie te mogen proeven van deze ferme poortdeur.
    Er staan geen lamassu’s aan de poort, er is zelfs geen bel of klopper maar naast de deur staat een moeiteloos te preciseren nummer geschilderd van zes cijfers, geen idee waar dat op slaat, te lang voor een nummer van deze ruelle, te kort voor een telefoonnummer.

    Er hangt een geur vanverloren paradijs, als ik mijn neus tussen de kieren stop zie ik een kleur die het daglicht niet verdragen kan. Hoewel nieuwsgierig kan ik het niet over mijn hart verkrijgen het onlichtdragelijke te verstoren in de degradatie van de ochtendzon.
    Misschien moet ik vannacht terugkeren als het donker verliefd op zoek is naar uitbreiding in om het even eigen kleur en geur. Als de dingen niet meer zijn, geen plein, geen cafe du Commerce, geen petite ru.
    Geen vage aanduidingen van tijd, geen onzuivere gedachte aan welk paradijs dan ook, geen abuis’ litteratuurfragment, geen doods plezier.

    Enkel de gedachte van het overgaan, van het in liefde vinden van donker naar het onlichtdragelijk festijn.

    Twee abstracten in vergetelheid/

  3. Waarschijnlijk is ook de mens hier weer de reden van het uitsterven.

    Misschien dat er later nog enig DNA wordt gevonden.
    En probeert men daarna nog iets te klonen?

    Vriendelijke groet,

    1. Manfred

      Dat is de natuur haar eigen schuld. Moet ze maar geen beesten maken die half koe half kip zijn.

Reacties zijn gesloten.