Klassieke literatuur (6b): filosofie

Parmenides (Museum van Velia)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een vooral persoonlijk antwoord geven. Wie zich er werkelijk in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit aanschuiven bij een cursus als deze. Voor de Latijnse literatuur is er bovendien Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag vervolg ik met een stukje over de antieke filosofie – deel één was hier en het vervolg is al daar.]

Het zijnde is. Het niet-zijnde is niet. Dat klinkt logisch maar het is toch wat problematisch, althans dat was het voor de Griekse denker Parmenides van Elea (c. 500 v.Chr.). In een lang, gedeeltelijk overgeleverd gedicht betoogde hij dat als dit waar zou zijn, er geen verandering kon bestaan, aangezien dan bijvoorbeeld iets dat niet is verandert in iets dat is, of andersom. Denk maar aan een groeiende boom: er is meer, meer, meer hout – wat betekent dat er meer, meer, meer zijnde is en minder, minder, minder niet-zijnde. En dat kan natuurlijk niet.

We moesten dus, zo impliceerde Parmenides, niet teveel vertrouwen op onze zintuigen en vooral gebruik maken van ons intellect. Eén gevolg was dat de Griekse filosofie onderscheid begon te maken tussen twee werelden: de inconsistente, onmogelijke werkelijkheid die we met de zintuigen ervaren en de wereld die we bereiken door goed na te denken.

Parmenides’ leerling Zenon van Elea (c. 450 v.Chr.) probeerde het inzicht van zijn meester inzichtelijk te maken door te wijzen op het paradoxale karakter van onze ervaringskennis. Het beroemdste voorbeeld is dat van Achilles en de schildpad. Als de snelle hardloper het trage dier een voorsprong geeft, zal hij het nooit inhalen: in de tijd dat Achilles de afstand tot het vertrekpunt van de schildpad heeft afgelegd, is deze immers alweer wat verder gekropen; in de tijd waarin Achilles die afstand aflegt, is de schildpad opnieuw verder; en zo voort – nooit haalt de sprinter het beest in. In feite verkende Zenon hier het limietbegrip waar u op de middelbare school les over hebt gehad, maar omdat de Griekse wiskundigen dat nooit hebben ontwikkeld, hebben ze de drogreden nooit doorzien.

Eén antwoord op Parmenides’ vraag is de atoomtheorie van Demokritos van Abdera (c.46-c.370): verandering is mogelijk doordat onwaarneembaar kleine deeltjes steeds anders met elkaar samenklitten, zodat de dingen weliswaar veranderen maar het niet zó is dat het niet-zijnde overgaat in het zijnde of andersom. Uiteraard was de atoomtheorie een truc: Demokritos verplaatste het probleem naar waar het niet viel te controleren. Het is echter, zo moge duidelijk zijn, een redelijk succesvolle speculatie gebleken.

Ondertussen was het denkbeeld blijven hangen van een onderscheid tussen enerzijds een onvolmaakte, met onze zintuigen waarneembare wereld en anderzijds een perfecte, met het intellect kenbare wereld. Het werd vooral invloedrijk dankzij Plato (427-347), de Atheense filosoof die opperde dat al onze kennis een herinneren was van datgene wat we ooit, voor onze geboorte, hadden gekend, toen onze ziel nog in die volkmaaktere wereld verbleef. We aanschouwden toen, zoals Plato het noemt, de ideeën. Het standaardvoorbeeld is de abstracte paardheid, die we herkennen in de concrete paarden. Als we in ons huidige leven kennis verwierven, was dat volgens Plato vooral het opnieuw verwerven van kennis.

Dit antwoord zal ons niet snel overtuigen, maar Plato had een goede vraag gesteld: hoe komt het eigenlijk dat we dingen kunnen kennen? Hoe je het wendt ook keert, je ontwaart in de dingen die je ziet iets algemeners, waardoor we generaliseringen kunnen maken. Die zijn niet per se juist, maar wel noodzakelijk om überhaupt tot kennis te kunnen komen.

Plato’s leerling Aristoteles (384-322) oogt moderner. Voor hem geen platoonse speculaties: “Ik zie paarden en geen paardheden.” Hij meende dat mensen hun generaliseringen uit waarnemingen afleidden. Dat maakt hem tot de grondlegger van het empirisme en dat is weliswaar een mooi standpunt, maar het bijt zichzelf in zijn staart: het besluit dat we voldoende waarnemingen hebben om te concluderen dat een patroon algemeen is, is immers zelf allesbehalve empirisch.

Moet je Aristoteles lezen? Ik zou er niet aan beginnen als het je eerste kennismaking met de Griekse filosofie is. De teksten die we over hebben, zijn namelijk zijn collegeaantekeningen. Boeiend materiaal, zeker, want we zien een van de scherpzinnigste geesten uit de Oudheid hardop aan het werk. Maar echt toegankelijk is het materiaal niet. Plato leent zich meer voor een eerste kennismaking met de Griekse filosofie, vooral omdat hij zijn opvattingen aantrekkelijk presenteert in de vorm van dialogen. Het probleem is echter dat je maar weinig kunt met de antwoorden. Ik zal eerlijk zijn: als je begint met de Griekse filosofie, neem dan een hedendaagse inleiding.

Voor ik afrond: ik heb het nu gehad over de kennistheorie van de vijfde en vierde eeuw v.Chr. Dat is eigenlijk niet helemaal eerlijk, want de grootste verdienste van een Aristoteles is vooral de logica, terwijl Plato mooie dingen heeft geschreven over zaken als liefde en vriendschap. Het écht relevantste deel van de antieke wijsbegeerte zit volgens mij echter heel ergens anders: in de ethische stelsels die in de hellenistische periode zijn ontwikkeld.

Ik had daarover uitgebreid willen schrijven, ook als een eerbetoon aan mijn overleden lerares Simone Mooij, maar ik kreeg stomtoevallig van een van de vaste lezers van deze blog een mooi overzicht aangeboden, dat beter is dan ik ooit zelf zou kunnen maken. Ik bied nog een eerste oriëntatie en geef daarna de pen door.

13 gedachtes over “Klassieke literatuur (6b): filosofie

  1. A. Minis

    Wie het eens breder wil zien: er is een uiterst boeiende kijk op Parmenides en Empedocles (die twee tegengestelde krachte, Liefde en Strijd, in het veld bracht om onbeweeglijkheid op te heffen): Peter Kingsley, “In the Dark Places of Wisdom” en “Reality”. Dit is niet aan iedereen besteed, je moet er een bepaalde instelling voor hebben. Wie het strict academisch wil hebben: dat kan Kingsley even goed of zelfs beter dan de strengste academicus:
    ”Ancient Philosophy, Mystery and Magic”. Parmenides en Empedocles in de contekst van de magisch/ religieuze context van hun tijd en Zuid-Italië.
    Er staat een prachtige inleiding over de Presocratici in het nieuwe boek ”Ancient Philosophy”
    (Routledge 20017) (te koop voor € 37 bij Athenaeum).
    Wat Plato betreft: misschien is het niet goed om al teveel Inleidingen te lezen. Dan zou je kunnen vergeten dat Plato wel moeilijke teksten schrijft, maar ze zijn literair gezien prachtig.
    Teveel moeilijke praat zou het plezier kunnen bederven. Ik zou het een beetje globaal houden en bijv. Phaedo ter hand nemen. (er is een mooie vertaling van Schwartz).

    1. A. Minis

      moeilijke teksten schrijft, maar dat ze in literair opzicht prachtig zijn.
      Nogmaals sorry, ik heb mijn dag niet. De kat is ziek.

  2. FrankB

    “een redelijk succesvolle speculatie”
    Bertrand Russell loofde Democritus als volgt:

    “Ever since the beginning of the seventeenth century, almost every serious intellectual advance has had to begin with an attack on some Aristotelian doctrine; in logic, this is still true at the present day. But it would have been at least as disastrous if any of his predecessors (except perhaps Democritus) had acquired equal authority.”

    “anderzijds een perfecte, met het intellect kenbare wereld.”
    Dit is een fraaie samenvatiing van de fundamentele fout in het Griekse denken. Het ironische is dat eventuele slimmeriken vanaf Euclides’ Elementen hadden kunnen (en wellicht moeten) bedenken waar de fout zit. Axiomata zijn immers per definitie niet te bewijzen en een beetje skepticus kan ze dus net zo gemakkelijk verwerpen. Het duurde maar liefst tot de 19e eeuw voordat wiskundigen dat goed doorkregen (Bertrand Riemann is een bekende en belangrijke naam) – ruim 2000 jaar later dus. Houdt dat in het achterhoofd als iemand overdreven veel respect voor wiskundige logica vertoont.
    Het is jammer dat na Aristoteles wiskundigen geen filosofie meer bedreven en filosofie geen wiskunde.

    “het besluit dat we voldoende waarnemingen hebben om te concluderen dat een patroon algemeen is, is immers zelf allesbehalve empirisch.”
    Het is zelfs fout. Russell noemt dit het Probleem van Inductie middels Eenvoudig Opsomming. Hoe lang je lijst van waarnemingen ook is, je kunt nooit uitsluiten dat de volgende waarneming je conclusie weerspreekt.

    “als je begint met de Griekse filosofie, neem dan een hedendaagse inleiding.”
    Daar zijn er talloze van. Behalve Russell is dit een buitengewoon succesvolle:

    https://nl.wikipedia.org/wiki/De_wereld_van_Sofie

    “Het écht relevantste ….”
    Het één na relevantste lijkt mij het besef dat buitengewoon intelligente mensen er zo enorm naast kunnen zitten. Ik moest meteen aan Aristoteles denken toen JK Rowling Perkamentus liet zeggen (ik parafraseer) dat fouten evenredig zijn aan IQ.

    1. Aan je verdere tekst te lezen bedoel je Bertrand Russell, niet Bertrand Riemann. Je hebt ook Bernhard Riemann als bekende wiskundige, maar die hield zich niet echt bezig met de fundamenten van de logica. Overigens denk ik dat Kurt Gödel’s bijdrage nog veel belangrijker (en relativerender) is geweest op dit gebied.

      1. FrankB

        Geen van beiden – ik bedoelde Bernhard Riemann. Die was misschien wel de belangrijkste wiskundige die zich bezig hield met niet-Euclidische meetkunde. En die is strikt logisch. Waar het om gaat is dat hierdoor het besef doorbrak dat er meer dan één verzameling axiomata mogelijk is om een coherent formeel systeem op te bouwen. Men kan met wiskunde, dus logica dus nadenken alleen niet beslissen welk formeel systeem correct is en welke niet.
        Een Antiek skepticus bekend met Euclides had dat kunnen (moeten?) opmerken.
        Riemann onderzocht inderdaad niet de fundamenten van de formele logica, maar behoorde wel tot de eersten die onderzocht of we de Euclidische axiomata kunnen laten vallen. Het valt niet te ontkennen dat dat voor enorm belang is voor de vraag naar “een perfecte, met het intellect kenbare wereld”. Zo ja, niet middels wiskunde.
        Het belang van Gödel valt uiteraard evenmin te ontkennen, maar in dit specifieke geval is hij niet relevant. Toen hij zijn werk deed was er al consensus dat wiskunde en wetenschap niet in staat zijn “een perfecte, met het intellect kenbare wereld” te onderzoeken.
        Plato had het gewoon vierkant fout.

Reacties zijn gesloten.