Een zilverstuk uit Syracuse

Dekadrachme uit Syracuse (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Over Griekse munten, zoals deze uit Syracuse, heb ik eigenlijk nog maar zelden geblogd. Daarin moet rap verandering komen, want ze zijn altijd interessant, ze zijn vaak mooi en ze kunnen niet vaak genoeg worden tentoongesteld. Ooit hadden we in Nederland een Koninklijk Penningenkabinet, waarin talloze Griekse munten waren opgenomen. Als student kon je er vrij makkelijk terecht. De collectie is in 2007 echter samengevoegd met die van De Nederlandse Bank en het Nederlands Muntmuseum, waardoor één Muntmuseum ontstond. Het was in Utrecht. De loop kwam er echter niet in en in 2013 viel het doek. Zodat je in een de meest kapitalistische landen ter wereld momenteel nergens kunt zien wat mensen doen met geld en wat geld doet met mensen.

Autonomie

Die laatste zin (het programma van het Geldmuseum) geeft aan waarom Grieks geld zo interessant is. Het functioneerde destijds niet helemaal hetzelfde, al waren de functies op zich dezelfde. Munten dienden ook toen om mee te betalen en als oppotmiddel. Er is bovendien een vergelijkbare wereld van afbeeldingen. De Marianne op het Franse dubbeltje en de bondsadelaar op de Duitse euro hebben dezelfde functie als de roos, de bij en de schildpad op de munten van Rhodos, Efese en Aigina: alle symbolen benadrukken het eigene van degene die de munten sloeg.

Voor het geval dat niet duidelijk was, stond het er ook op: “van de Rhodiërs” dus. Het grappige is dat die toevoeging feitelijk overbodig was. De meeste mensen konden niet lezen en wie het wel kon, herkende de plaatjes wel. De muntmeesters wilden echter maximale duidelijkheid hebben. Het onderstrepen van de autonomie was destijds een belangrijker functie dan betaal- of oppotmiddel.

Grote coupures

Er is nog een verschil. De munt hierboven, geslagen in Syracuse rond het jaar 395 v.Chr., is een tiendrachmenstuk van ruim drieënveertig gram zilver. Een gemiddeld dagloon was in die tijd een halve tot een hele drachme, afhankelijk van waar iemand woonde en het werk dat hij deed. De afgebeelde munt was er dus niet om even de eieren op markt mee af te rekenen. Ook de kleinste coupures uit die tijd, obolen van een zesde drachme, hadden nog altijd waardes die wij associëren met bankbiljetten. De munten dienden dus voor grote transacties. De bakker zal je brood op de lat hebben geschreven en klinkende munt hebben gevraagd als daarop voldoende was genoteerd.

We zien hier dus een verschil met hoe muntgeld functioneert in onze tijd. Of in het Romeinse Rijk, waarin wel kleingeld bestond. Het is in grote hoeveelheden opgegraven, maar het blijkt ook uit teksten als Apuleius’ Gouden ezel: een door-en-door gemonetariseerde samenleving.

Kunst

Terug naar de Griekse munt hierboven. Omdat het object een enorme waarde vertegenwoordigde, nam Syracuse twee eersteklas-muntmeester in dienst: Euaenetos en Kimon, die hun werk ook signeerden. Je kunt hun vakmanschap herkennen aan het verfijnde halssnoer van de dame hierboven. Er zit zelfs enig perspectief in, want de parels op de keel en in de nek zijn kleiner dan die halverwege.

Parelsnoer

Hoewel Euaenetos en Kimon hun munten signeerden en ook aangaven dat dit een munt was van de Syracusanen, schreven ze er niet op wat het voorstelde. De dame op de munten uit Syracuse kan een zeenimf zijn, of de godin Persefone, of een personificatie van de stad of Arethousa. De laatste was een bronnimf.

De Arethousa-bron

De Arethousabron is in Syracuse nog altijd te zien: een vijver naast de Grote Haven. Volgens een mythe had de waternimf ooit gewoond in Elis, waar een riviergod zich aan haar had willen vergrijpen. Toen was ze maar in de Ionische Zee gedoken om op Sicilië weer aan het oppervlak te komen.

Een interessant detail is nog dat een van de Ptolemaïsche koningen papyrusplanten schonk aan Syracuse. De papyrusplant stierf later uit in Egypte. De planten die momenteel groeien langs de Nijl zijn vanuit Sicilië teruggeïmporteerd.

[Morgen meer. Dit was het 417e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

6 gedachtes over “Een zilverstuk uit Syracuse

  1. Theo de Graaff

    Nog een verschil met tegenwoordig: de munten hadden een intrinsieke waarde.
    Belangrijk omdat ze ook een oppotmiddel waren. En misschien wel vooral.
    Het zilver- of goudgehalte bepaalde de waarde, dat kan je van de euro- en dollarmunten niet zeggen.

  2. Dirk Zwysen

    Wij kregen vroeger nog te horen dat de metaalwaarde van een Belgische halve frank hoger was dan de nominale waarde (=1,25 cent). Blijkt niet te kloppen. De productiekost lag per muntstuk wel hoger.

  3. Klaas Krab

    Men schijnt het gebruik van “kleingeld” te zien als een aanwijzing voor het bestaan van een markt economie, in tegenstelling tot een re-distributie economie (daarin loopt elke overdracht van goederen via vorst of tempel, geloof ik). Daarom geloof ik niet zo dat:

    “De bakker zal je brood op de lat hebben geschreven en klinkende munt hebben gevraagd als daarop voldoende was genoteerd.”

    Dat houdt namelijk in dat bijvoorbeeld de genoemde drachmengebruiker bij elke leverancier periodiek maar even 10 tot 20 dagsalarissen dient af te tikken. Lijkt me niet erg realistisch 🙂

    1. Overbejaging, zou je zeggen als het ging om dieren. “Overbeplukking” ken ik niet als woord, maar lijkt wel te zijn wat het is. Men schakelde over op het duurdere perkament, dat ook duurzamer was.

Reacties zijn gesloten.