[De komende tijd zal Kees Alders in enkele blogseries de verschillende stromingen binnen de antieke Chinese en Indische filosofie behandelen. Vandaag het slot van de inleiding, waarvan het begin hier was.]
Het gangbare beeld is dat de Griekse, Indische en Chinese filosofie tegelijkertijd, ongeveer zes eeuwen vóór het begin van onze jaartelling, zouden zijn ontstaan, onafhankelijk van elkaar, en dat ze zich in de eerste daarop volgende eeuwen vrijwel los van elkaar hebben ontwikkeld. Maar is dat wel zo?
[De komende tijd zal Kees Alders, auteur van De wereld vóór God, in enkele blogseries de verschillende stromingen binnen de antieke Chinese en Indische filosofie behandelen. Vandaag het eerste deel van de inleiding.]
Waar is de filosofie ontstaan?
Het woord “filosoof” komt uit het Grieks en betekent “liefhebber van de wijsheid”. De term is waarschijnlijk gemunt door Pythagoras. Naar verluidt gebruikte hij het woord uit bescheidenheid, omdat hij zichzelf geen “wijze” wilde noemen.
[Dit is het laatste van acht door Marco Folpmers geschreven blogjes over de mogelijkheid met artificiële intelligentie Plato’s Zevende Brief te analyseren. Het eerste was hier. In dit blogje: is het bewijs nu rond?]
Op de eerste plaats is er de aard van de publicatie. Dit is een scriptie. Een scriptie van de Harvard-universiteit is natuurlijk een scriptie van een excellent instituut en ook de studie zelf en de genoemde begeleidende docenten zien er geloofwaardig en gezaghebbend uit. Maar het is geen publicatie in een peer-reviewed journal. Misschien volgt die nog. Maar op het moment ontbreken er nog essentiële “checks and balances”.
In zijn artikelnoot J.B. Perry, Examining the Authenticity of Plato’s Epistle VII through Deep Learning (2021; Bachelor’s thesis, Harvard College). verdeelt Perry de Zevende Brief in drieënzeventig brokstukken van honderd woorden. Per brokstuk wordt de kans berekend dat het (conform het ontwikkelde model) toegeschreven moet worden aan Plato. Wanneer vervolgens de brokstukken gegroepeerd worden in vijf achtereenvolgende onderdelen levert dat het beeld op zoals weergegeven in de onderstaande tabel.
Bij de meest recente inzichten met betrekking tot de attributie van de Zevende Brief van Plato zullen we zien dat we te maken hebben met wat we in het vorige blogje een multinomiale classificatie noemden. Het model van Jordan Bliss Perry alloceert een tekstonderdeel aan Plato of aan een andere auteur uit een gesloten lijstje van zes tijdgenoten: Xenophon, Thucydides, Demosthenes, Lysias, Isocrates en Aeschines.
Taalmodellen en kunstmatige intelligentie
De meest recente ontwikkeling is dat statistische modellen, zoals banken die gebruiken, ook op natuurlijke talen toegepast kunnen worden. De data bestaan dan uit de corpora van diverse auteurs en met statistische modellen beogen onderzoekers de omstreden tekst toe te schrijven aan een specifieke auteur.
[Dit is het tweede van acht door Marco Folpmers geschreven blogjes over de mogelijkheid met artificiële intelligentie Plato’s Zevende Brief te analyseren. Het eerste was hier en de vraag is of de brief wel authentiek is.]
Kort gezegd was de acceptatie van de Zevende Brief ook afhankelijk van de tijdgeest. Romm haalt in het introducerende hoofdstuk een onderzoek aan waaruit blijkt dat in de negentiende euw en eerste helft van de twintigste eeuw de acceptatiegraad onder vooraanstaande classici hoog was (onder meer door de support van de vermaarde Duitse classicus Ulrich von Wilamowitz-Moellendorff), terwijl in de moderne tijd (vanaf de Tweede Wereldoorlog), de sceptici zich meer laten horen.
Of Plato echt de overgeleverde brieven heeft geschreven, en in het bijzonder de meest interessante Zevende Brief, is een probleem dat al zo oud is als de oudheidkunde zelf. Kunstmatige intelligentie en natuurlijke taalmodellen werpen nu nieuw licht op deze kwestie. Met deze modellen kan overtuigend worden aangetoond dat de Zevende Brief inderdaad van Plato is, zij het niet integraal: de brief bevat zeer waarschijnlijke twee forse interpolaties van later datum, conform een recente publicatie.noot J.B. Perry, Examining the Authenticity of Plato’s Epistle VII through Deep Learning (2021; Bachelor’s thesis, Harvard College). Echter, deze publicatie is nog onvoldoende robuust en vervolgwerk is nodig.
Hoe werken eigenlijk deze kunstmatige intelligentie modellen? En wat tonen ze precies aan? Is de Zevende Brief echt van Plato of niet? Waarom zijn de nieuwste inzichten (vanaf 2021) zo overtuigend? En is het bewijs nu helemaal rond? In deze bijdrage gaan wij in op deze vragen.
Een filosoof bij een gezin (Altes Museum, Berlijn)
U heeft een kat of u maakt uw avondwandeling met uw hond, uw kinderen hebben een konijn of een marmot of een aquarium. En een Grieks gezin was pas compleet als het een eigen filosoof bezat. Althans, dat was wat ik dacht toen ik bovenstaand reliëf zag in het Altes Museum in Berlijn. Je kunt er van alles bij verzinnen, want het gaat om een volkomen contextloze vondst. Het bordje met uitleg, in het mooie museum aan de Spree altijd een rijke informatiebron, meldt alleen dat het voor 1892 is gevonden in een olijfgaarde langs de weg van Athene naar Eleusis. Ik verzin dus dat het is gevonden bij het klooster van Dafni.
Meer in het specifiek verzin ik dat dit een wijsgeer is te midden van een klein gezin. Van links naar rechts zien we de oudste zoon, de filosoof, jongste zoon, vader en tot slot een vrouw. Over haar zo meteen meer, maar eerst even die filosoof: het is in elk geval een belangrijke gast, want hij zit op een opvallend mooie stoel met een voetenbankje. Dat laatste gold altijd als erg vererend. Kortom, ik denk dat het gezin dat dit reliëf liet maken – ik verzin dat het een gezin is – er trots op was te kunnen tonen een wijsgeer over de vloer te hebben. (Als ik een astronaut zou ontmoeten, wilde ik ook met hem op de foto.)
Plato, wiens oeuvre al in de Oudheid aan tekstselectie onderworpen is geweest (Glyptothek, München)
Oudheidkundigen hebben twee hoofdsoorten bewijsmateriaal: de materiële resten en de geschreven teksten. Beide zijn de “neerslag” van de antieke cultuur. Een cultuur die we niet langer kunnen observeren en waarvoor we dus geen direct bewijs hebben, maar slechts aanwijzingen. Veel is ’t niet, maar juist het gebrek aan en de ambiguïteit van de data maken het vak uitdagend. De hamvraag is steeds hoe we van de weinige aanwijzingen die er zijn, komen tot een verantwoorde reconstructie van de antieke cultuur.
Over de wijze waarop archeologen de materiële resten de antieke cultuur documenteren, is veel geschreven. Dat heet reconstructietheorie en die maakt onderscheid tussen twee soorten verandering. Enerzijds zijn er natuurlijke transformaties: de wijze waarop, sinds de Oudheid, de materiële resten zijn veranderd. De processen variëren van het wegspoelen van steden langs de Nijl tot het ontstaan van patina op munten. Anderzijds zijn er culturele transformaties, die optreden als de aard van de materiële resten verandert door menselijk ingrijpen. Wie z’n afval opveegt, verandert ook z’n materiële neerslag. De jargontermen, die ik u gebied te vergeten, zijn n-transformatie en c-transformatie.
De antieke stoïcijnen hadden een volkomen deterministisch wereldbeeld. Alles gebeurt zoals het gebeuren moet. Dit staat natuurlijk op gespannen voet met het idee van de vrije wil. Hoe is een vrije wil mogelijk in een wereld waarin alles al vastligt? En hoe is het mogelijk om in een wereld waarin alles vastligt vrije emoties te hebben over die wereld? Dit lijkt in tegenspraak met elkaar.
Karneades
Even terugspoelen: de stoïcijnen verweten de skeptische platonist Karneades een filosofie te hebben ontworpen die apathie in de hand werkt. Want als niets zeker is, hoe kunnen we dan handelen? Karneades’ antwoord op dit probleem lazen we een eindje terug: hij vond het pragmatisme uit.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.