Romeinse bestuurlijke correspondentie

Een jaar of twintig geleden werd ik benaderd met de vraag of ik in Madurodam een lezing kon verzorgen over een historisch persoon die kon doorgaan voor interim-manager. Ik koos voor de Romeinse senator Plinius de Jongere, die ten tijde van keizer Trajanus orde op zaken stelde in de in problemen verkerende provincie Bithynië-Pontus, zeg maar het noorden van het huidige Turkije. Die lezing groeide later uit tot mijn eerste boekje.

Hoe groot de problemen in Bithynië-Pontus waren, valt moeilijk uit te maken, want je weet nooit hoe representatief de bronnen zijn, maar het staat vast dat in de voorafgaande jaren rechtszaken dienden in de Senaat en dat Plinius tijdens zijn verblijf de bizarre titel van legatus Augusti pro praetore consulari potestate ex senatusconsulto missus voerde, “krachtens Senaatsbesluit door de keizer gezonden gouverneur met consulaire bevoegdheden”. Zelfs in het Nederlands herken je dat daar iets raars aan de hand is: is Plinius nou uitgezonden door de Senaat of door de keizer? En ook: is het niet wat curieus een gouverneur, die toch een duidelijk mandaat had, te voorzien van consulaire bevoegdheden?

Zekerheid bestaat in dit ondermaanse helaas nooit en zéker niet als we het hebben over de Oudheid, maar het scenario is plausibel dat Trajanus ingreep in een normaliter door de Senaat bestuurde provincie die in zwaar weer was geraakt. Daarom werd Plinius gestuurd, voor een ongebruikelijke termijn, met buitengewone bevoegdheden en met tien jaar meer ervaring dan gebruikelijk was voor de functie van gouverneur.

Zijn correspondentie aan Trajanus is overgeleverd mét de keizerlijke rescripten. Vaak lijkt het te gaan om trivialiteiten, maar vermoedelijk wilde de keizer precies op de hoogte zijn van wat er zoal gebeurde in het crisisgebied. En ook al oogt Plinius vaak wat dociel, hij weet hoe hij de vorst moet bespelen. Zo hangt hij, als hij een plan heeft om achter Nicomedia een kanaal te gaan graven, de keizer een worst voor:

Graag wil ik wijzen op projecten die evenzeer passen bij uw eeuwigheid als bij uw roem, en waarin uiterlijke schoonheid en praktisch nut samengaan.

In andere brieven herken je hoe tactvol Plinius weet te opereren. Bij een boekenonderzoek in het stadje Apamea krijgt hij te horen dat de gemeente hem graag inzage geeft in de financiën maar dat nog geen gouverneur dit eerder heeft gevraagd. Anders gezegd: we willen het liever niet. De gouverneur laat de mensen in hun waarde – ze moeten maar een verzoekschrift aan de keizer sturen – en vraagt Trajanus om advies. De hete aardappel is doorgeschoven. Trajanus begrijpt wat van hem wordt verwacht en  schrijft dat de stad Plinius moet toelaten. Met dit rescript bewapend kan Plinius zijn werk gaan doen zonder de Apameeërs te schofferen.

Soms proef je dat Plinius zijn geduld met de Bithyniërs verliest. Een rechtszaak vat hij samen met de schitterende woorden “Aan beide zijden werd veel gezegd. Ook over de zaak zelf.”

De interim-manager opereerde heel systematisch. Als je de publicatiedatum van de brieven in een grafiekje zet, zie je dat Plinius in de eerste maanden de problemen heeft geïnventariseerd, vervolgens opheldering heeft gevraagd met een stortvloed aan brieven en daarna, toen hij begreep hoe hij het allemaal moest aanpakken, aanzienlijk minder vragen had. Hier is een overzicht:

De brieven zijn onlangs in het Nederlands vertaald door de onvermoeibare Vincent Hunink (full disclosure: ik ken hem persoonlijk) en door Roald Dijkstra en voorzien van de titel Majesteit! Ik heb het boekje met plezier gelezen, deels omdat het gewoon leuk is het Romeinse bestuursapparaat in actie te zien, deels door de herinnering aan mijn eersteling. Het leest vlot weg: reis met de trein heen en weer van Amsterdam naar Dronten en je hebt het uit.

Tot slot nog een kleine kanttekening van de soort waarmee je als blogger nog een bijdrage kunt leveren aan een verbeterde tweede druk: dat kanaal bij Nicomedia – het is wat al te pessimistisch als aantekening te geven dat “nadere details ontbreken”. Zie het nauwelijks hypothetische plattegrond in het naslagwerk Neue Pauly, deel 6, blz.236 voor een landkaart en blz.234 voor drie Byzantijnse bronnen.

10 gedachtes over “Romeinse bestuurlijke correspondentie

  1. FrankB

    “Ik koos voor”
    Bweh. Enig taalnazisme en ander semantisch geneuzel is toegestaan op deze blog en nu is het mijn beurt. Dit is wellicht het neologisme van de afgelopen 30 jaar waar ik de grootste hekel aan heb, nog iets meer dan aan “doeoeoeoeiiiii!!!!!”. Het toevoegsel “voor” is volkomen overbodig.

    “in een grafiekje zet”
    Eén van de origineelste toepassingen van de wiskunde die ik ooit ben tegengekomen. Statistiek liegt lang niet altijd.

    1. Gherardus Havingha

      “Voor” is niet alleen overbodig, maar dan lijkt het ook net of je iets uitzoekt voor iemand die zelf geen keuzes kan maken…

  2. Roger van Bever

    Jona, bedankt voor de tip en de recensie.
    “Zelfs in het Nederlands herken je dat daar iets raars aan de hand is: is Plinius nou uitgezonden door de Senaat of door de keizer?”
    Hoewel de Senaat ten tijde van Trajanus (98-117) nog veel macht had, wordt van Trajanus gezegd (Bron: DIR) dat hij in de Senaat zeer populair was. Hij had meer auctoritas dan imperium. Het is dus niet uitgesloten dat hij de uitzending van Plinius gemakkelijk door de Senaat kon laten goedkeuren. Daarom denk ik dat men kan stellen dat het wellicht ‘overwegend’ keizerlijk besluit was.
    Die befaamde brief van Plinius over wat hij met de christenen aan moest is hier ook al eens ter sprake gekomen. In mijn Latijnse leesclub hebben we ook uitvoerig over gesproken.
    Plinius was een uitstekend jurist en was bekend met Bithynië. Hij had tevoor al twee proconsuls wegens afpersing in de Senaat verdedigd. Hij werd door Trajanus om die kwaliteiten geselecteerd. Hij had geen ervaring met procesvoering tegen christenen, hoewel hij van de christenvervolging in Rome wist, maar er niet bij betrokken was.
    Er zouden dus twee redenen kunnen zijn voor zijn raadpleging van Trajanus en het vastleggen van dezes antwoord:
    1. Door zijn gebrek aan ervaring met de procesgang gebruikt om christenen te ‘vervolgen’ wilde hij de mening van Trajanus weten ‘om zich in te dekken’. En maar goed ook, want Trajanus antwoordde dat hij niet al te hard van stapel moest lopen.
    2. De bevoegdheden die hij meekreeg waren groot. Hij mocht werken met de legale constructie van cognitio extra ordinem verleende aan een gouverneur zeer veel ‘discretionaire bevoegdheden’ om juridische zaken te beslechten en daar had hij natuurlijk geen ervaring mee. (https://www.wikiwand.com/en/Roman_litigation)
    Vandaar misschien ook dat hij veel trivialiteiten liet weten aan Trajanus.

    1. Theo Joppe

      Tja, ik heb altijd gedacht dat Plinius de Jongere een ruggengraatloze, verwende aristocraat was. Zó weinig ambitie en talent (lees zijn gedichten en huiver!), dat hij voor een keizer de ideale bureaucraat was — totaal betrouwbaar: hij zou nooit iets geks doen, en zo iemand had Trajanus kennelijk nodig in Bithynië. Hij zeurt zelfs over de brandweer in Nikomedia.
      Ook zijn correspondentie over de christenprocessen was wat van hem verwacht werd. Dat was normaal. Vergeet niet dat er van gecodificeerd recht in die tijd geen sprake was: ontelbare senaatsbesluiten en keizerlijke beslissingen. Die laatste werden op een gegeven moment ook als ‘lex’ beschouwd. We weten uit Egyptische papyri dat de prefect daar rustig kon refereren aan het oordeel van een voorganger van een eeuw eerder. Geen wonder dus dat Justininianus, veel later natuurlijk, op een gegeven moment besloot alles eens samen te laten vatten — dan begint ‘het recht’ in de moderne zin pas echt.

      1. Roger van Bever

        Juist, Theo, de inhoud van die bewuste brief doet mij ook denken hij iemand was die heel onzeker was en dus bang was om iets op eigen verantwoordelijkheid te doen en dus ieder wissewasje aan zijn keizer liet weten. Dus van de kant van Trajanus bekeken een uiterst betrouwbare, brave bureaucraat. Wij dachten zelfs bij lezing van de brief dat er zelfs een tikkeltje vleierij bij was richting ‘de baas’.

        1. Theo Joppe

          Ik denk dat de auteur van de Panegyricus op Trajanus altijd de stroopkwast in de aanslag had, dus vleierij kun je verwachten in zo’n correspondentie. Maar dat is de brave Plinius niet helemaal te verwijten: het is allicht een conventie van het genre “officiële ambtelijke correspondentie met heersers”. Ik meen dat er ook brieven van Fronto over zijn aan de keizer (een paar decennia later), die ook schijnen te druipen van de zoetigheid. Maar ik moet je bekennen dat ik die nooit heb gelezen, en dat was ook geen ambtelijke correspondentie.

  3. Johan Leestemaker

    @ dr Lendering

    Dank voor deze mooie boekbespreking. Interessant verhaal over de (externe) auditing activiteiten van Plinius in de ´zelfbewuste’ stad Apamea, waar men niet zomaar even de gemeentelijke (financiële) autonomie prijsgaf.
    Uw verhaal stimuleerde mij om nog even wat te zoeken naar recent wetenschappelijk werk over de (diepe) historische wortels achter zowel ‘accounting’ (boekhouden) als ‘auditing’ (boeken-onderzoek). In 2014 blijkt Lance Elliot Lagroue een dissertatie over beide onderwerpen in de Romeinse samenleving verdedigd te hebben, en ik breng die tekst graag onder uw aandacht.
    Zie svp: https://pdfs.semanticscholar.org/2d4d/49742f44741c1cc025c77c545e41651815d5.pdf

    Overigens, nog even verder zoekend naar recente informatie over de geschiedenis van double-entry bookkeeping, stuitte ik op een boek van Bean Counters, die heel wat mythes omtrent de kunde en vaardigheden van Romeinen op de genoemde terreinen afstoft, en bovendien attendeert op de Indiase en Arabische ‘roots’ verbonden aan double entry bookkeeping zoals dat in Venetië gepraktiseerd werd, en, zoals bekend, iets later in Amsterdam en ergo in de VOC en de WIC.

    Ik doel niet op de wat rellerige titel van het boek van Counters, maar op de historie van double entry bookkeeping zoals Counters die verwoordt. Overigens, de ‘rellerige’ titel van diens boek verwijst ook naar de grote macht en aanzien waarover externe auditors al duizenden jaren lang kunnen beschikken. In die zin is het verhaal over Plinius pars pro toto in zijn ‘beroepsgroep’. Wellicht aardig om de vermarkting van het boek van Hunink en Dijkstra, inclusief de bespreking van dr Lendering mede te focussen op de doelgroepen interne en externe auditors. Koopkracht zal daar niet erg een beperkende factor zijn, en Sint Nicolaas staat ook daar voor deur.

    Zie ook:

    b.à.v. JL

    1. Johan Leestemaker

      Auteur is uiteraard Richard Brooks, die de Bonen Tellers schreef. 😉

      Ging iets te snel vanmorgen.

      JL

Reacties zijn gesloten.