Klassieke literatuur (7b): wetenschap

Entasis in de (onvoltooide) tempel van Segesta

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke wetenschappelijke literatuur.]

In het vorige stukje behandelde ik dé antieke wetenschappelijke tekst bij uitstek, de encyclopedie van Plinius de Oudere. Daarmee begon ik in feite aan het einde, want Plinius is, behalve een goed observator die zijn eigen ervaring nooit negeert, vooral een verzamelaar, vertaler en bewerker van oudere, vooral Griekse wetenschappelijke teksten. Het woord “wetenschap” moet u overigens met een slag om de arm nemen. Andere literaire doelen waren zelden ver weg, maar vandaag behandel ik toch vooral wat zakelijker teksten.

De eerste auteur die ik wil noemen is de arts Hippokrates van Kos. Inderdaad, dat is die van de eed. De benadering in het Corpus Hippocraticum (dat ook jongere teksten bevat) is, zo heb ik begrepen, werkelijk wetenschappelijk te noemen. Ziektes worden beschreven zonder dat serieuze aandacht wordt gegeven aan religieuze verklaringen die destijds eveneens in omloop waren. De behandelingen zijn rationeel en een aanzienlijk deel ervan schijnt werkelijk hout te snijden. Wat ik ervan heb gelezen – er was een Penguin-vertaling van Chadwick en Mann, maar die is niet langer leverbaar – vond ik nogal droog.

Er zijn meer medische teksten uit de Oudheid. Het oeuvre van de Grieks-Romeinse arts Galenos is heel uitgebreid (en dan is nog een deel verloren gegaan bij een bibliotheekbrand) en bevat boeiende terzijdes, zoals de opmerking over kannibalisme in Rome die ik afgelopen zondag citeerde. Maar eerlijk gezegd weet ik er te weinig van om er werkelijk veel van te vertellen. Ik ken geen Nederlandse vertalingen.

Celsus ken ik een fractie beter omdat ik ooit heb gecontroleerd bij welke ziektes hij een bezoek adviseerde aan het badhuis. Hij was een encyclopedist als Plinius, zij het een generatie of twee eerder, en van Celsus’ overzicht van de diverse wetenschappen zijn de delen over de geneeskunde overgeleverd. Ze zijn inmiddels onder de titel De geneeskunst in het Nederlands vertaald door John Nagelkerken, Julius Roos, Theo van de Wiel en Jacqueline König. De delen die ik ervan heb gelezen, vond ik erg leuk en ik wil het nog eens helemaal lezen.

De encyclopedie van Celsus heette Artes, wat zoiets als “kunsten”, “vaardigheden”, “ambachten” of “kundes” betekent. Het is een genreaanduiding. Zo was architectuur een ars, maar ook de poëzie. Over de architectuur hebben we een handboek over, geschreven door Vitruvius, een tijdgenoot van Julius Caesar en keizer Augustus. Het is leuke lectuur en toont dat van een goede bouwkundige destijds werd verwacht dat hij tempels, huizen, theaters maar ook belegeringsmachines kon bouwen. De Nederlandse vertaling is van Ton Peters.

Generaties Renaissance- en classicistische kunstenaars hebben zich erdoor laten inspireren maar hoe vitruviaanser ze bouwden, hoe ziellozer het wel lijkt: ik weet niet hoe het u vergaat, maar de façade van het British Museum vind ik even lelijk als ik een Griekse of Romeinse tempel mooi vind. Een deel van de verklaring staat bekend als entasis: de lijnen die recht behoren te zijn, zijn in een klassiek tempel in feite een tikje bol, waardoor een zekere spanning ontstaat. De truc was al bekend bij de bouwers van de piramiden.

Zoals gezegd was ook poëzie een ars en daaraan is dan ook een van de aardigste antieke teksten gewijd: de Ars poetica van de dichter Horatius, die in c.19 v.Chr. op dichterlijke wijze het dichterlijk ambacht uitlegt. Ik kan het niet echt samenvatten, maar wijs erop dat Horatius de eerste was die uitdrukkingen gebruikte als in medias res en ab ovo. In het laatste geval vertel je een verhaal “vanuit het ei”, dus vanaf het begin. (De inzet van de Trojaanse Oorlog was de uit een ei geboren Helena.) Wie daarentegen iets in medias res vertelt, valt middenin het verhaal, zoals gebeurt in de Odyssee en de Aeneis. Hier is een Nederlandse vertaling door een dichter die van de hoed en de rand weet.

Ik noemde het jaar 19, het stichtingsjaar van Nijmegen. Tot de belangrijkste dingen die de Romeinen meenamen, behoorde een voor de Lage Landen nieuwe manier om informatie over te dragen, namelijk dat je een tekst kon gebruiken om anderen een vaardigheid aan te leren. Wat een enorm contrast moet het zijn geweest, tussen de inheemse bevolking enerzijds en de Romeinen, die niet alleen schreven maar ook schreven over het schrijven!

Dichters zijnde dichters werd het ars­-genre natuurlijk ook geparodieerd. De Ars amatoria van Ovidius is een liefdeskunst: hoe vind ik haar en hoe krijg ik haar (boek één), hoe behoud ik haar (boek twee), en hoe vind ik hem, krijg ik hem en behoud ik hem (boek drie)? Het is zoiets als de Norm voor het Sinterklaasfeest van het Nederlands Normalisatie-instituut: de toepassing van een serieuze vorm op een speels onderwerp is voor een moment wel aardig maar het gaat al snel vervelen. Er is een Nederlandse vertaling van Micha Kat, maar ik weet niet of u er veel plezier aan beleeft.

6 gedachtes over “Klassieke literatuur (7b): wetenschap

  1. Robbert

    Je zijpaadje, norm voor het Sinterklaasfeest: nooit van gehoord, tot nu! Zeker veel tijd over, daar in het Nederlands Normalisatie Instituut. Overigens: “Zwarte Pieten zijn geschminkt in diepzwart, bruin of een andere kleur of kleuren”: niet erg precies voor een Normalisatie Instituut.

  2. jacob krekel

    “ik weet niet of u er veel plezier aan beleeft”. Maar het NEN wel, en je kunt daarvan afgeleid enorm veel lol hebben bij de gedachte hoeveel lol het NEN gehad heeft bij het schrijkven van deze norm. Ter geruststelling van Robbert: bij de koffie bedenk je wat onderwerpen, iedereen neemt er eentje mee naar huis dat circuleert even, en ziedaar, daar is NEN 0512 (what’s in a name).
    Maar ik ben benieuwd wat de tijdgenoten van Hippocrates vonden, die allerlei algemeen zeer relevant geachte zaken zo maar wegliet En hoe komt zo iemand daartoe? Legt hij dat uit?
    Als iemand uit zijn tijd wel aan onze normen, maar niet aan die van zijn eigen tijd lijkt te voldoen, dan ruikt dat naar anachronisme en is het oppassen geblazen.

Reacties zijn gesloten.