Klassieke literatuur (7b): wetenschap

Entasis in de (onvoltooide) tempel van Segesta

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke wetenschappelijke literatuur.]

In het vorige stukje behandelde ik dé antieke wetenschappelijke tekst bij uitstek, de encyclopedie van Plinius de Oudere. Daarmee begon ik in feite aan het einde, want Plinius is, behalve een goed observator die zijn eigen ervaring nooit negeert, vooral een verzamelaar, vertaler en bewerker van oudere, vooral Griekse wetenschappelijke teksten. Het woord “wetenschap” moet u overigens met een slag om de arm nemen. Andere literaire doelen waren zelden ver weg, maar vandaag behandel ik toch vooral wat zakelijker teksten.

Lees verder “Klassieke literatuur (7b): wetenschap”

Nobelprijs Geneeskunde

Rond het midden van de negentiende eeuw was de gemiddelde levensduurverwachting van een baby ongeveer veertig jaar. De zuigelingensterfte was hoog en de kinderziektes waren nog levensbedreigend. Een kind dat de eerste jaren van zijn leven doorstond, had echter een goede kans ook nog zestig of zeventig te worden.

Rond 1895 lag de levensduurverwachting al aanzienlijk hoger, rond 1970 was ze opgelopen tot zeventig en rond 1995 tot zo’n vijfenzeventig à tachtig. Toen ik tien jaar geleden mijn boekje over futurologie schreef, bestond er consensus dat we er rekening mee moesten houden dat mensen nog ouder zouden gaan worden, en inderdaad: twee weken geleden werd gemeld dat de helft van de westers meisjes anno 2013 mag verwachten honderd jaar oud te worden. Chronisch bejaard. Lees verder “Nobelprijs Geneeskunde”