Historische taalkunde

Germaanse runentekst uit Tiel (“Van Halethwas, die de zwaardvechters zwaarden geeft”)

Een paar jaar geleden sprak ik een studente neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam die niet wist wat Gotisch was. Een medestudent wist het evenmin. Dat hoeft ook helemaal niet, maar het contrasteert wel wat met mijn vader, die de Germaanse taal nog moest leren om les te mogen geven op een middelbare school. Ik heb er weleens over geblogd. Ik zal in het midden laten of dit contrast helemaal representatief is voor het huidige hoger onderwijs, maar ik denk dat weinig mensen zullen tegenspreken dat de oude MO-opleidingen verrotte grondig waren terwijl de huidige academische opleidingen verrekte kort zijn.

Dat geldt – ik vertel de trouwe lezers van deze blog weinig nieuws – ook voor mijn eigen studietijd. Veel van wat ik had moeten leren om als oudheidkundige mijn vak te overzien, heb ik nooit onderwezen gekregen. Zoals historische taalkunde. Dat is echt een gat in mijn algemene ontwikkeling. Gelukkig zijn er alleszins toegankelijke boeken over dit onderwerp, waarop ik werd geattendeerd via de al even toegankelijke blog Neerlandistiek. Ik noem vier titels.

Een leuke inleiding

Het eerste is De stam van het woord. Over taalevolutie en de eerste taal ter wereld van Yannick Fritschy. Een klein boekje van maar elf euro dat voor ruwweg de helft bestaat uit een beschrijving van allerlei alleszins normale taalveranderingen, inclusief een fijne uiteenzetting over het ontstaan en verdwijnen van talen. Voor zover u belang stelt in de discussie over het veronderstelde gevaar dat Engels het Nederlands zal vervangen: Fritschy wijst er (volgen mij terecht) op dat er wel een situatie van tweetaligheid zal ontstaan. We hoeven niet te kiezen, we mogen ons verrijken. In de tweede helft van zijn boek werkt Fritschy via het Germaans naar de Indo-Europese taalfamilie en naar de mogelijkheid van nóg oudere talen.

Wat me trof is Fritschy’s grappige presentatie, die soms deed denken aan een conference. Nu is humor nogal tricky, want wat de een grappig vindt vindt de ander oubollig of vervelend. Ik zou het risico zelf niet hebben genomen maar kan wel zeggen dat het bij mij werkte. Wat me ook trof is dat Fritschy vaak de taalgeschiedenis verklaarde door een analogie met de evolutieleer, wat leuk is omdat die weer is gebaseerd op de filologie. Tot slot kan ik zeggen dat het een tour de force is een compleet vakgebied te beschrijven in net iets meer dan honderd pagina’s. Ik zou het met mijn vakgebied niet kunnen. Voor een andere bespreking verwijs ik naar het stuk van Nicoline van der Sijs.

Voorbeeldenrijkdom

Zij is ook de schrijfster van Vijftien eeuwen Nederlandse taal, het boek dat ik las tijdens mijn reis door Algerije. Het is meer dan dubbel zo dik als het boek van Fritschy en en kan dus grondiger zijn. Waar die taalverandering zonder veel omhaal presenteert als de natuurlijke gang der dingen, en zich toelegt op het presenteren van de soorten verandering, zoekt Van der Sijs naar wat de voornaamste verklaring zou kunnen zijn. Ze noemt taalcontact. Deze claim, meteen aan het begin gedaan, blijft terugkeren in honderden voorbeelden. Het leuke aan Vijftien eeuwen Nederlandse taal is namelijk de enorme rijkdom aan voorbeelden, die toont hoeveel er eigenlijk bekend is. Die overvloed beviel me. Ik houd nu eenmaal van opsommingen.

Van der Sijs biedt bovendien meer dan de titel belooft, want voordat ze aan de geschiedenis van het Nederlands toe komt, heeft ze het Indo-Europees, de Germaanse talen en het Nederfrankisch al behandeld. Daarbij komen allerlei zaken aan de orde, zoals de klanken, de spelling, de verbuiging en vervoeging van woorden, de woordvormingen en de zinsbouw. Die thema’s keren terug in de latere hoofdstukken, als ze het heeft over het Oudnederlands, de Middelnederlandse dialecten, het zich standaardiserende Nieuwnederlands en het eigentijdse Nederlands.

Zoals gezegd is de blog Neerlandistiek mijn gids. Joop van der Horst recenseerde Vijftien eeuwen Nederlandse taal hier en vindt het ook een prachtig boek, al wijst hij erop dat Van der Sijs, door zo uitgebreid te zijn, ook lezers verliest. Maar goed, voor de eerste kennismaking hebben we dus het boekje van Fritschy.

Het weze een bos

Lastiger vind ik Lo, donk, horst. Taalkunde als sleutel tot de Vroege Middeleeuwen van Jozef van Loon, hier besproken door Marc van Oostendorp. Ik ben net aan dit boek begonnen en ik kan niet anders dan zeggen dat het me boeit, hoe nerderig het ook is om de betekenis van de drie woorden uit de titel precies vast te stellen. Het komt erop neer dat een lo geen woud was maar een door mensen aangeplant bos en dat een donk geen rivierduin was maar aanvankelijk een ondergrondse plaggenhut en later een soort fort op een moeraseiland. De bestudering van oude namen biedt dus de mogelijkheid uitspraken te doen over hoe de Lage Landen eruitzagen toen hier nog Frankisch en Oudnederlands werden gesproken. De relevantie voor archeologie staat buiten kijf.

Het boek kost overigens een lieve zestig euro. Toevallig heb ik dat ervoor over, al was het maar omdat Van Loon prachtig Nederlands schrijft (“Omdat deze grondwoorden een identieke realiteit denoteren, het weze een bos, een moeras, een hoogte…”). Ik geniet daarvan. Ik moet echter bekennen dat dit wel het soort prijzen is waarmee je de toegang tot de wetenschap voor mensen blokkeert. Of ze wegjaagt richting Library Genesis.

Tweetaligheid

Ik ga ervan uit dat als ik het boek van Van Loon uit heb, ik voldoende heb geleerd om te kunnen beginnen met het proefschrift van Peter-Alexander Kerkhof, Language, Law and Loanwords in Early Medieval Gaul: Language Contact and Studies in Gallo-Romance Phonology (2018). Dat klinkt angstaanjagend geleerd maar het oogt heel interessant, ook of juist voor een oudheidkundige. Begrijp ik het goed, dan maakt Kerkhof onder meer aannemelijk dat de eerste Franken linguïstisch deel uitmaakten van een grenswereld waarin zowel Gallo-Romeins (zeg maar lokaal Latijn) als Germaans werden gesproken.

Dat er in de vijfde eeuw n.Chr. in het rivierenlandschap nog Latijnssprekenden waren, volgt noodzakelijk uit het feit dat Gallo-Romeinse woorden als kouter, kamp en wijk zijn doorgegeven aan de Frankische immigranten. (De klassieke vormen zijn cultura, campus en vicus.) Dat is dan een mooie contrapunt bij de onlangs geopperde en mijns inziens plausibele theorie van Nico Roymans dat Nederland in de late derde eeuw grotendeels leeg was en later opnieuw werd bevolkt door Frankisch-sprekenden. Met Latijnsprekenden in het gebied waar de Franken zich vestigden, is dat gebied dus wat minder leeg geweest. Hoe dat ook zij, het is duidelijk dat ook een oudheidkundige niet kan zonder historische taalkunde en Kerkhof hamert op het belang van een dialoog tussen taalkunde, geschiedenis en archeologie. ik ben benieuwd naar wat er nog meer in dit boek zal staan.

Tot slot

Ik leidde dit stuk in met een opmerking dat de huidige academische opleidingen kort zijn. Deze boeken tonen dat dit geen reden tot defaitisme hoeft te zijn. De twee of drie eerstgenoemde titels vormen een ladder waarover iemand kan klimmen naar de wetenschap, die we herkennen in het derde en vierde boek. Niet dat ik denk dat ik na lectuur van dit kwartet zelf onderzoek zou kunnen doen, maar de neerlandici hebben dus een structuur gebouwd waarmee geïnteresseerde mensen zich kunnen bijscholen, met boeken en een website als richtingwijzer..

Het kan dus gewoon. Wat me brengt bij mijn laatste punt: waarom kunnen de archeologie, de oude geschiedenis, de klassieke talen en de oriëntalistiek dat niet ook?

39 gedachtes over “Historische taalkunde

  1. Henk Smout

    Nooit van Gotisch gehoord is weer stap verder dan de misvatting dat Duits en Nederlands van Gotisch afstammen.
    In ‘Asterix en de Goten’ is meermaals een grenspaal met twee naambordjes te zien: dat aan de ene kant luidt “GALLIA ROMEINSE RIJK”, het andere “GERMANIA” en aan die kant wonen de Goten.
    Ik zie een plaatje waar de ene Goot de andere voor “stomme Oost-Goot” uitmaakt.

    1. Om de slotvraag te beantwoorden: classici minachten archeologie. Ze willen plaatje bij het klassieke praatje, niet meer. Archeologen voelen zich niet serieus genomen en minachten classici. Dus samenwerking is alvast moeilijk.

      Daarbij komt de gespannen relatie tot het onderwijs. Archeologie is geen schoolvak en de voorlichting is uitbesteed aan musea en de erfgoedsector. Classici vinden dat ze genoeg hebben gedaan als ze het gymnasium bedienen.

      Dit alles in tegenstelling tot de directe betrokkenheid bij het middelbaar onderwijs van de neerlandistiek. De verbinding met de maatschappij is vanzelfsprekender en dat levert zo te zien boeiende publicaties op.

      1. Ik weet niet of het minachting is, al kan ik voldoende voorbeelden noemen. Het is een cultuurconcept waarin literatuur en taal gelden als het belangrijkste. Daarvoor valt ook iets te zeggen. Zo bezien is archeologie een hulpvak, niet méér. Het probleem zit dan niet zozeer bij minachting voor de archeologie, maar bij onvoldoende contact om te kunnen ontdekken dat het intellectuele potentieel van de archeologie, zeker de cognitieve archeologie, veel groter is. Opnieuw denk ik dat de universiteit, die alles wat heel is versplintert tot minispecialismes, het eigenlijke probleem is.

        1. Jeroen

          Veel classici (en zelfs historici) lijken archeologie niet helemaal te begrijpen. En dan met name het idee dat gebruikscultuur ook een doel op zich is, en niet slechts een hulp- of bewijsmiddel om grotere geschiedslijnen te ondersteunen.

          1. Bert schijf

            Voor mijn collega’s bij Culturele Antropologie is het bestuderen van de cultuur van gebruiksvoorwerpen geheel ingeburgerd. Wat ze bijvoorbeeld interesseert is hoe gebruiksvoorwerpen worden overgenomen door anderen, die er weer andere gebruiksmogelijkheid in zien. Zoiets geldt ook voor muziek, sport en voedsel. Van archeologie en classici weet ik weinig en het meeste heb ik geleerd van Jona Lendering. Misschien moeten archeologen meer zelf gaan schrijven over materiele cultuur, en moeten classici beter beseffen dat taligheid belangrijk is, maar niet het enige aspect van de cultuur van een samenleving is. Daar wordt in de sociale wetenschappen immers geheel anders over gedacht.

        2. FrankB

          “Daarvoor valt ook iets te zeggen.”
          Nou, niet door mij. Literatuur en taal belangrijker dan muziek, film, sport en politiek? Dacht het niet.

    2. FrankB

      Tja, de Asterix serie gaat dan ook over de 20e eeuw, niet over de Oudheid. Er moet op internet nog ergens een foto rondslingeren (ik heb even geen tijd voor een grondige zoektocht) van een bordje op de Frans-Duitse grens tussen 1872 en 1914.

  2. FrankB

    “naar de mogelijkheid van nóg oudere talen”
    Dat lijkt mij zacht uitgedrukt. Volgens de evolutietheorie loopt Homo Sapiens ongeveer 200 000 jaar rond. De eerste migratie uit Afrika geschiedde ongeveer 70 000 jaar geleden. De maximale leeftijd van het Indo-Europees die ik zo snel kon vinden is 10 000 jaar. Het is uiterst onwaarschijnlijk, want strijdig met alles wat we van taalevolutie weten, dat mensen op de verschillende contintenten onafhankelijk van elkaar gedurende de tussenliggende 60 000 jaar dezelfde taal zijn blijven spreken.

    1. Willem Vermeer

      Het komt veel voor dat het Indo-Europees gekoppeld wordt aan bepaalde andere taalfamilies. De oudste reële kandidaat is het Fins-Oegrisch, dwz. de familie waar Fins en Hongaars bij zitten en nog een stuk of wat andere talen die minder bekend zijn, zoals Mordwinisch. Het systeem van voornaamwoorden is dan de belangrijkste steun. Fins-Oegrisch heeft in de eerste persoon enkelvoud m- (Latijn me, meus, Nederlands mij), in de tweede persoon t- (te, tuus), in het vraagwoord ‘wie’ k- (quis), in het aanwijzend voornaamwoord t- (tunc en zo, ons “dat”). Zo is er wel iets meer.

      Het lollige van het Fins-Oegrisch is dan wel dat dat op zijn beurt verwant is met het Samojeeds (een groep ernstig bedreigde talen in Siberië). Over die verwantschap doet niemand moeilijk.

      Waarna dan ook verder oostelijk talen blijken zitten die “ik” met m- doen en “jij” met t- (Joekagier).

      Maar het spreekt vanzelf dat het op een gegeven moment ophoudt, en dat de kans niet groot is dat dat het moment is dat de mens begon met spreken in onze zin, zeg maar.

      Wel is het zo dat het Indo-Europees een dubieus model is voor hoe snel talen evolueren. Je ziet het al binnen het Indo-Europees bij het Slavisch en Baltisch, waarvan de syntaxis sterk lijkt op die van het Latijn 2000 jaar geleden. Als je op het gymnasium goed hebt opgelet, is de grammatica van het Russisch een makkie, vereenvoudigd gezegd. De reden is dat Baltisch en Slavisch veel dichter bij het gebied zijn blijven hangen waar het Proto-Indo-Europees werd gesproken en dus minder vaak sprekers van andere talen aan zich hebben geassimileerd.

    2. jacob krekel

      Eens.
      Nog sterker: gelet op de talige vermogens van mensapen en het feit dat Homo Heidelbergensis aanzienlijk meer lijkt op moderne mensen dan op mensapen, moet de mondelinge communicatie van mensen ca 400.000 jaar geleden al aardig op een taal hebben geleken. De evolutie zorgt vervolgens voor de verdere ontwikkeling tot wat wij nu taal noemen. Daaruit volgt dat er nooit een (eerste) oertaal heeft bestaan, evenmin als een eerste mens.
      Ik was dus wel benieuwd wat Fritschy te melden heeft over “de eerste taal ter wereld”

      1. Willem Vermeer

        Het door middel van geluid (of andere middelen) overbrengen van betekenissen aan soortgenoten is ongetwijfeld honderden miljoenen jaren oud. Om van zo’n systeem terecht te komen bij de menselijke taal zijn twee innovaties nodig:

        De ene is dat je twee betekenissen combineert tot een nieuwe, dwz. dat je zinnen maakt. Het gevolg is dat het aantal mogelijke boodschappen dat je kan overbrengen enorm groeit.

        De andere dat je betekenissen koppelt niet aan onanalyseerbare geluiden, maar aan opeenvolgingen van geluiden die zelf geen betekenis hebben: als je “k” vervangt door “g” wordt “kat” “gat” en “kast” wordt “gast”. Dat geluid zelf betekent niets, het enige wat het bijdraagt is de informatie dat “kat” en “gat” verschillende tekens zijn, evenals “mat” en “lat” en “zat” enzovoorts op dezelfde manier.

        Bij mijn weten is geen van deze twee innovaties overtuigend aangetroffen buiten onze soort, maar zo iets kan natuurlijk van de ene op de andere dag veranderen.

        Er zou veel meer over te zeggen zijn … 🙂

        1. jacob krekel

          @Willem Vermeer.Er is inderdaad veel meer over te zeggen, zoals dat taal niet een systeem van geluiden is maar een systeem van betekenissen dat o.m. via geluiden overdraagbaar is. Maar ook (op verschillende manieren) via zichtbare tekens, zoals hier, en zelfs via de tastzin (braille).
          Met apen is via gebarentaal een communicatie mogelijk die voldoet aan uw innovatie 1.
          En mijn hond komt al een aardig eind met innovatie 2.
          Voor gesproken taal is er nog een derde innovatie nodig, nl dat de keelholte daar geschikt voor moet zijn. Apen voldoen hier niet aan, maar een 350.000 jaar oud fossiel van Homo Heidelbergensis wel. En dat kan alleen maar betekenen dat hij die keelholte gebruikte om geluiden voort te brengen die voldoen aan voorwaarde 1 en 2, want anders is zo’n innovatie, met zijn verslikgevaar, geen verbetering maar een verslechtering en kan niet tot stand komen.

          1. Willem Vermeer

            Allemaal in beginsel eens.

            Iets wat me al verbaasde toen ik een dochter van twee jaar had en nu weer met een kleindochter van dezelfde leeftijd, is dat innovatie 2 bij die mensen veel eerder op koers ligt dan innovatie 1. Het maken van woorden is moeilijk genoeg, maar het maken van zinnen is een geweldige inspanning.

            Iets wat ik van echte kenners heb geleerd (zoals Nel Keijsper) is dat een combinatie van twee woorden pas een zin is als dat wordt aangegeven door iets met de toonhoogte. Dus je kan twee woorden naast elkaar zetten, en zo de gesprekspartner uitnodigen om ze in elkaars licht te interpreteren, en dat is al heel wat, maar pas door de toon worden ze samen één mededeling.

            [Schokkend bij mijn kleindochter vind ik dat ze bij het zingen van liedjes onderscheidt tussen hele en halve tonen, maar nog geen zinnen maakt, of maar heel zelden. Het ziet er uit als een rare prioriteit.]

            Een mens zou die Heidelberger wel eens willen horen, maar dat zit er niet in.

      2. FrankB

        “Nog sterker:”
        Daar sta ik volledig achter, maar voor mijn redenering wilde ik pessimistisch zijn en me tot Homo Sapiens beperken.

    3. “Volgens de evolutietheorie loopt Homo Sapiens ongeveer 200 000 jaar rond”

      Ik weet niet wat je met “de evolutietheorie” bedoelt. De evolutietheorie die ik ken gaat over algemene processen, niet over specifieke gebeurtenissen en zegt dus ook niets over het ontstaan van taal.

      Hoe dan ook, voor zover ik weet, is de huidige opvatting in de antropologie dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van H. sapiens en Neanderthaler ongeveer 500.000 jaar gelden leefde. De oudste bekende fossielen dateren van ong. 300.000 jaar geleden.

  3. Mooi blog, Jona, dit pleit voor eht bealng van hisotorische taalkunde. Enige Beobachtungen: 1) die herbevolking is ook vanuit het noordelijkere Oosten gekomen, mogen we aannemen, waarbij bovenrijns de Friese taal gevormd werd. 2) Jozef van Loon’s boek is een woordveldstudie. Hij schreef eerder een vergelijkbaar werk over de woorden voor het begrip ‘stad’. Ook erg goed. Ik heb het in mijn woordveldstudie (2001) over Oudfriese woorden voor het nomen ‘weg’ (Fries: wei) ook gebruikt. 3) Peter-Alexander Kerkhof is ook erg actief op Twitter, en post daar ook vaak erg leuke berichten waarin de genoemde drie vakgebieden samenkomen.

  4. jacobkrekel

    Mijn eens sloeg op de opmerking van FrankB, niet op die van Willem Vermeer, aan wie ik zou willen vragen hoe het Tsjechisch past in zijn theorie waarom het Russissch de verbuiging van de naamwoorden heeft gehouden. Het Tsjechisch heeft dat ook, ondanks zes eeuwen Duitstalige overheersing.

    1. Willem Vermeer

      Heel kort door de bocht is dat omdat niet de overheersing bepalend is maar de assimilatie van sprekers van een andere taal. Als de Duitstaligen massaal zouden zijn overgegaan op Tsjechisch had je “Tsjechisch van voormalige Duitstaligen” gekregen. Zoals het Frans “Latijn van voormalige Gallischtaligen” is.

      Contact zoals daar bestond leidt ertoe dat er van alles binnenkomt, maar voor grote structurele veranderingen zijn andere dingen nodig. Er is in het Tsjechisch veel Duits binnengekomen dat door de uit de 19e eeuw daterende norm (die begrijpelijkerwijs nogal puristisch is) onder de horizon is geduwd, niet alleen veel woorden, maar bijvoorbeeld ook een voltooid tegenwoordige tijd (perfectum) met “hebben” en een verleden deelwoord, die naast de gewone verleden tijd wordt gebruikt, maar strikt genomen “niet mag”, hoewel in een café de eerste vraag zal zijn “máte uz^ objednáno?” ‘hebben jullie al besteld’, met dat perfectum. Althans: zo was het 50 jaar geleden, hoe het nu is weet ik niet …

      1. jacob krekel

        Bedankt. Ik was ook getriggerd doordat Tsjechische telwoorden zowel met de Slavische als de Duitse volgorde van eenheden en tientallen kunnen.

  5. @ Willem Vermeer

    … De oudste reële kandidaat is het Fins-Oegrisch, dwz. de familie waar Fins en Hongaars bij zitten en nog een stuk of wat andere talen die minder bekend zijn, zoals Mordwinisch …

    Ik hou mij hobbymatig al een paar jaren met het Hongaars bezig. Een verschrikkelijk moeilijke taal. Is trouwens ook verwant aan het Ests. Hoewel er taalkundig veel gelijkenis is tussen deze talen, zijn de verschillen groot genoeg om elkaar te verstaan.
    Het moeilijkste bij het leren van Hongaars vind ik dat het een agglutinerende taal is en dat het klinkerharmonie gebruikt. Daarnaast natuurlijk de afwijkende woordenschat. Hoewel ik in mijn theoretische studie al verder gevorderd ben, breng ik het tijdens mijn vakanties in dat land met spreken toch nog niet veel verder dan een soort eerste-hulp Hongaars. Maar de lol om zo’n taal te leren, waar ik overigens nooit of te nimmer iets zal mee doen gezien mijn leeftijd blijft.

    De stamboom van de Oeraltalen (waartoe de Fins-Oegrische groep) behoort is heel interessant,
    omdat er veel talen bij zitten die bedreigd zijn, o, a. de Samojedische talen. Volgens sommigen zouden deze laatste een aparte groep vormen. Ik las dat het Mordwinisch ca. 7500 sprekers kent, niet weinig dus.
    Zie ook: https://en.wikipedia.org/wiki/Uralic_languages

    1. Ben Spaans

      ‘Hoewel er taalkundig veel gelijkenis is tussen de talen zijn de verschillen groot genoeg om elkaar te kunnen verstaan’…? Dit vraagt om een toelichting.

      1. Dit is een lapsus. Stom, maar het is mij niet opgevallen toen ik het doorlas.
        Moet natuurlijk zijn: om elkaar NIET te kunnen verstaan. Ik heb namelijk op diverse plaatsen gelezen dat linguïstisch deze talen zeer verwant zijn, maar dat een Est een Hongaar of een Fin niet verstaat en vice versa.
        Dank, Ben, voor je correctie!!
        Roger

  6. Rob Duijf

    ‘Voor zover u belang stelt in de discussie over het veronderstelde gevaar dat Engels het Nederlands zal vervangen: Fritschy wijst er (volgen mij terecht) op dat er wel een situatie van tweetaligheid zal ontstaan.’

    Alhoewel de discussie op Neerlandistiek wordt gevoerd, kan ik hier toch niet nalaten nog even te wijzen op de invoering van het Engels als volledige voertaal op de Universiteit Twente per 1 januari. Ik heb niets tegen het Engels als (wetenschappelijke) ‘Lingua Franca’, maar op de UT heeft men toch wel last van ernstige anglisistische verstoring van het taalkompas…

  7. Waarom de oriëntalistiek niet ook? Eén reden is dat de oriëntalistiek veel minder mankracht heeft. Een andere is dat iedere poging wordt geïnfiltreerd door islamitische pseudo-wetenschappers, die wél mankracht (en geld) hebben. Nee, dat zijn echt niet allemaal salafisten, maar meestal van een soort brave gelovigheid, die kritisch denken discreet op een zijspoor zet.

    Overigens zijn er in het vakgebied Arabistiek ongelooflijke dingen aan de gang. In het pre-islamitische Arabië worden compleet nieuwe talen ontdekt, tienduizenden inscripties die onze kijk op het Arabisch, op het oude Arabië en ook op het ontstaan van de islam zullen veranderen.
    Een ander gebied waarop alles in beweging is, is de bestudering van de koran. Eindelijk wordt er eens in oude handschriften gekeken, wordt er aan tekstkritiek gedaan en heeft men ook de intertekstualiteit ontdekt.

    Beide gebieden worden door zeer weinige specialisten bestreken. Voor een algemeen toegankelijk overzicht is is alles nog te zeer in beweging. Bovendien beschikt de arabistiek bij mijn weten niet over een begenadigd persoon die het allemaal eens duidelijk kan uitleggen, zoals Holger Gzella dat heeft gedaan voor het Aramees..

        1. Laat ik, enigszins woordblind, mij minstens 5 minuten lang het hoofd gebroken hebben over de vragen of hier de geschiedenis van het podcasten in het Engels bedoeld werd of die van het podcasten in Engeland en (vooral) waarom er 132 afleveringen nodig zijn om de een van deze geschiedenissen te beschrijven ….:-(

    1. Rob Duijf

      ‘(…) maar meestal van een soort brave gelovigheid, die kritisch denken discreet op een zijspoor zet.’

      Goed dat dat weer eens even wordt genoemd.

  8. jan kroeze

    @krekel: als taal een systeem van betekenissen is, hebben vogels ook taal. Honden ook. Maar vissen en wormen bv.? Dat weet ik dan niet.

    1. Rob Duijf

      Ik zou zeggen, dat een systeem van taal verband houdt met cognitie en dat is denkvermogen.

      Er zijn heel veel manieren waarmee levende organismen kunnen communiceren: door geluid, gebaar, lichaamshouding, mimiek, opvallende lichaamsdelen – zoals een rode kam, een opvallende dans of lichaamsgeur (feromonen), hormonen of etherische stoffen. Dat lijken mij eerder basale evolutionaire en instinctieve eigenschappen, die de cognitieve mens uiteindelijk heeft gecultiveerd door er betekenissen aan te geven.

Reacties zijn gesloten.