Liefdesverklaring

Een boekenkast van vijftien meter hoog (Lootsstraat 34, Amsterdam). Overigens hebben boeken natuurlijk niet zo veel met taal te maken. Ze zijn slechts één van de manieren waarop een taal leeft.

De NASA heeft nooit geantwoord op mijn in puber-Engels geschreven open sollicitatie, dus astronaut werd ik niet. Voor tropenarts had ik het verkeerde vakkenpakket en bij de auditie op de toneelschool bleek ik een te houten klaas. Helaas was ik wel lenig genoeg voor militaire dienst en na die ellende was de keuze tussen Nederlands en geschiedenis.

Het werd het laatste. Eén reden was dat de historici schriftelijke cursussen hadden die ik al kon doen in de kazerne. De andere reden was dat mijn vader leraar Nederlands was en dat je rond je twintigste niet wil lijken op je ouwe heer. Bovendien had ik mijn vader zien afbranden in het middelbaar onderwijs. Geen aantrekkelijk carrièreperspectief. Dus koos ik geschiedenis, meer bepaald de oudheidkunde. Een mooi vak, verrijkt met archeologie en de literatuur van een dozijn oude talen, zodat er om elke hoek altijd iets verbazingwekkends op ontdekking ligt te wachten. Het is echter wel mijn vierde keus en ik overdenk nog weleens wat er zou zijn gebeurd als ik Nederlands had gestudeerd. Een vak dat ik altijd mooi ben blijven vinden.

Lees verder “Liefdesverklaring”

Dat internet, dat is best belangrijk

Sint-Isidorus van Sevilla, beschermheilige van het internet

Dat internet, dat is eigenlijk best belangrijk. Althans, dat zegt Frits van Oostrom, en dat is niet de eerste de beste. Sinds 1982 is hij hoogleraar Nederlandse letterkunde, eerst in Leiden en daarna in Utrecht. Van 2005 tot 2008 was hij president van de KNAW. Iemand dus wiens oordeel ertoe doet. Als hij, zoals we in Mare lezen, bij een lezing heeft gezegd dat dat internet belangrijk is en dat de universiteiten – hij heeft het vooral over neerlandici – daar meer mee moeten gaan doen, dan spits je je oren.

Hoewel… we wisten dit al in 2000, vijf jaar na “the thousand days that built the future”. En de universiteiten hebben de afgelopen jaren verzoeken uit de samenleving in deze richting vrij systematisch genegeerd (zie ook onder: betaalsites). En ze deden niets, geheel niets, om te verhinderen dat bad information drives out good. Dat geeft Van Oostroms woorden een nogal schrille klank.

Lees verder “Dat internet, dat is best belangrijk”

Tja, Leiden

De Madurodamse, campus Leiden

De blog Neder-L, waarop een groep neerlandici dagelijks schrijft over hun vakgebied, bevatte onlangs een 1 april-grap die in elk geval mij even op het verkeerde been zette. Auteur Peter Arno Coppen kondigde vroeg in de ochtend aan dat de blog zou worden gesplitst in een gratis, publiek deel en een betaalsite. Zijn collega Marc van Oostendorp reageerde daarop als door een adder gebeten: dit had de redactie nooit afgesproken, neerlandistiek diende toegankelijk te blijven, hij was boos, zou een nieuwe blog gaan beginnen. Verschillende formuleringen maakten duidelijk dat het een grap moest zijn, maar ik heb die eerste april toch even geaarzeld.

Het zou namelijk zomaar hebben gekund. Zoals de vaste lezers van deze kleine blog weten, maak ik me nogal wat zorgen over de toekomst van de humaniora. Illustratief is, denk ik, de gang van zaken vorig jaar aan de UvA: terwijl er grote problemen waren, claimde men dat de humaniora belangrijk waren, maar toonde men dat niet. Als de UvA-geesteswetenschappers zichzelf te kijk hadden willen zetten als zelfingenomen en wereldvreemd, hadden ze dat niet efficiënter kunnen doen. Helaas geldt dat voor alle letterenfaculteiten. Een goede website waar de doorbraken in de taalkunde aan het publiek worden getoond? Is er niet. De archeologische vondsten in Kessel aangrijpen om de mensen te tonen dat archeologen en historici verschillend denken over de aard van een oudheidkundig bewijs? Doen we niet. Tonen welke hermeneutische benaderingen er bestaan? Ga maar vragen bij de theologen. Omdat vrijwel niemand de moeite neemt de humaniora uit te leggen, is het alleszins denkbaar dat er werkelijk nog eens geld gevraagd zal worden voor een blog over neerlandistiek. Men is er onprofessioneel genoeg voor.

Lees verder “Tja, Leiden”

De stylometrist gemeten

Ik schrijf terug

Een project als Stylene is vrij simpel belachelijk te maken. Je hoeft alleen maar de definitie te citeren die de Universiteit Antwerpen zelf geeft.

Doel van het project is de implementatie van een robuust, modulair stysteem [sic] voor stylometrie- en leesbaarheidsonderzoek op basis van bestaande technieken voor automatische tekstanalyse en zelflerende technieken, en de ontwikkeling van een web service [sic] die onderzoekers in de HSS toelaat teksten te analyseren met behulp van het systeem. Op die manier wil het project recente vooruitgang op het gebied van het computationeel modelleren van stijl en leesbaarheid beschikbaar maken voor onderzoek in de sociale en geesteswetenschappen.

Dat de onderzoekers met dit academisch holleklap hun werk onvoldoende recht doen, bleek toen ik met Stylene begon. Je voert een tekst in (hier), de computer toetst deze aan de hand van een aantal criteria en doet vervolgens uitspraken over de auteur.

Dit is belangrijk werk. Als de politie kan vaststellen of de auteur van een dreigbrief een man of een vrouw is, valt de helft van de verdachten af. Iets minder praktisch maar wel leuk: van de Historia Augusta kon, door het meten van stijlkenmerken, worden vastgesteld dat ze maar één auteur had – en niet het zestal dat er ogenschijnlijk verantwoordelijk voor is. Onlangs werd J.K. Rowling op deze wijze ontmaskerd als de schrijfster van een detectiveroman.

Ik heb voor de grap drie van mijn eigen blogstukjes (non-fictie) ingevoerd. In alle drie gevallen werd vastgesteld dat de tekst meer mannelijke dan vrouwelijke eigenschappen had. Zo gebruiken mannen vaker “jij” terwijl vrouwen vaker “ik” gebruiken; vrouwen gebruiken meer woorden die verwijzen naar zingeving, vrije tijd en thuis-zijn, terwijl mannen positievere emoties uitdrukken. Je kunt je tijdens het schrijven moeilijk anders voordoen dan je bent – al sluit ik niet uit dat je je erop kunt trainen – en dus is het niet zo vreemd dat mijn tekst als mannelijk werd geïdentificeerd.

Ook werd geprobeerd de tekst naar genre te duiden. Ze golden meer als non-fictie of als sprookje dan als poëzie, literatuur of wetgeving. Tot slot werd gemeten in welke mate mijn tekst leek op bekende schrijvers. Drie keer leek mijn proza op Jeroen Brouwers. Ik weet niet wat het betekent dat ik nog nooit iets van hem heb gelezen.

Ik heb vervolgens een stukje van mijn goede vriend Richard Kroes door de mangel gehaald: man (correct), schrijft poëtisch en literair (het was non-fictie) en vergelijkbaar met, opnieuw, Jeroen Brouwers. Een stukje non-fictie van een goede vriendin, Mieke Bleeker, werd herkend als geschreven door een man, als poëtisch of literair en als lijkend op, alwéér, Brouwers. Non-fictie van Sigrid van Roode werd geïdentificeerd als geschreven door een man die op alle assen hoog scoorde behalve non-fictie. Ook Sigrid schrijft als Brouwers.

Daarna besloot ik wat teksten in te voeren die behoorden tot de vijf genres. De Gedragscode voor de Journalistiek was mannelijker dan de voorgaande teksten en scoorde, zoals beoogd, als wetstekst hoog. En alweer: het lijkt het meest op Jeroen Brouwers.

Ik voerde de Indische Waterlelies in, het sprookje dat koningin Fabiola voor de Efteling heeft geschreven. Voor het eerst werd een vrouwelijk auteur correct geïdentificeerd; de tekst gold als poëzie, als literatuur en – inderdaad – als sprookje. Het gold niet als wet of non-fictie. Goed geïdentificeerd dus. Voor het eerst ook schreef iemand niet als Brouwers: de koningin schreef als Remco Campert.

Als literaire tekst voerde ik Bomans’ Brandweercommandant in. De schrijver was man noch vrouw – wat ik beschouw als een compliment aan Godfried Bomans – en het geschrevene werd correct geïdentificeerd als literatuur. De nieuwe Bomans heet overigens Marc De Bel.

Tijd om een  stuk non-fictie te toetsen: de laatste column van Marcel Hulspas. Macho-taalgebruik, hartstikke non-fictie en schrijvend als Remco Campert. Hulspas zal er geen bezwaar tegen hebben.

Dan een gedicht: iets van Roland Holst maar, want Vondel is te archaïsch. Roland Holst is tenminste een Erkende Dichter. Een man, zegt Stylene, maar de identificatie met poëzie wilde niet echt lukken. Als herkansing toetste ik De Dapperstraat van Bloem, maar hoewel het rijmde werd het niet herkend als poëzie. Wel als man schrijvend in de stijl van Tom Lanoye.

Tot slot besloot ik een stuk in te voeren van een van de schrijvers die dienen als stilistisch vergelijkingsmateriaal. Werd zo iemand herkend als zichzelf? Ik koos voor enkele mooie stukjes van Gerard Reve. Er werd vastgesteld dat hij een man was; zijn teksten werden beschouwd als sprookjes; ze scoorden niet hoog als literatuur. En ze waren geschreven door, opnieuw, Tom Lanoye. Onfortuinlijk.

Kortom: Stylene is een interessant programma dat in elk geval redelijk accuraat kan vaststellen of een auteur een man of een vrouw is, maar moeite heeft met poëzie en een nogal uitgesproken voorkeur heeft voor Tom Lanoye, Remco Campert en Jeroen Brouwers.

[Dit stukje is geschreven door een man, is non-fictie en lijkt alweer op Lanoye.]