Legionairs toen en soldaten nu

Lambaesis

Ik blogde gisteren over legioennamen en maakte een vergelijking met de legers in onze eigen tijd. De Eerste Divisie van het Nederlandse leger heette ook 7 December, schreef ik, en die vergelijking ontlokte de vraag of legioenen en divisies wel vergelijkbaar zijn.

Wel in dit opzicht. De chaotische nummers en namen zijn hetzelfde. In andere opzichten zijn de verschillen echter groter.

Een belangrijk verschil is er als we kijken naar de relatie tussen gevechtseenheden en ondersteunend personeel. Ik meen dat bij de landmacht tegenover elke soldaat die werkelijk vecht drie mensen staan die ervoor zorgen dat hij dat ook werkelijk kan doen, maar ik heb het niet kunnen natrekken. In een Romeins legioen was er daarentegen nauwelijks ondersteunend personeel en van het onderscheid tussen commanding en executive officers zou men vreemd hebben opgekeken.

In het verlengde hiervan: een modern leger heeft een gigantische staf. Ik heb geen idee hoeveel mensen er in Arnhem werkten op het hoofdkwartier van de Eerste Divisie, maar het moeten er honderden zijn geweest. De staf van een legioen bestond daarentegen uit één legaat (legatus legionis), een kazernecommandant (praefectus castrorum) en zes stafofficieren (tribuni). Die behoorden tot de senatoren en de equites, de twee hoogste lagen van de Romeinse elite. Vermoedelijk waren er nog wat secretarissen maar dit was de hele staf.

Daaronder waren zestig centuriones, een naam die weliswaar is afgeleid van centum, “honderd”, maar die betrekking had op de aanvoerder van zo’n tachtig man. De centurio bekleedde geen onafhankelijke commando’s en nam geen tactische beslissingen. Hij zou, in ons jargon, een onderofficier zijn. Toch gaat het wat ver om te zeggen dat het alleen maar een rang was. We lopen hier tegen de grenzen aan van de vergelijkbaarheid.

Kortom: enerzijds een moderne divisie met een grote staf en veel ondersteunend personeel en anderzijds een legioen met een kleine staf en geen onderscheid tussen gevechts- en administratief personeel. Dit weerspiegelt twee samenlevingstypen: waar wij allerlei specialismes kennen – de soldaat, de kok, de manager, de administrator… – waren de Romeinen allrounders, en waar wij in elk geval in theorie een egalitaire samenleving zijn, waren in de Romeinse samenleving de tegenstellingen zeer scherp tussen de honestiores en de humiliores, tussen de nette en de nederige mensen.

Een mooi voorbeeld is de redevoering die keizer Hadrianus in de zomer van 128 n.Chr. hield in Lambaesis tegenover soldaten van het Derde Legioen Augusta. Deze toespraak is voor een flink deel overgeleverd op een inscriptie en het valt op dat Hadrianus de manschappen aanspreekt in de tweede persoon en prijst omdat ze zo perfect doen wat hun superieuren hun hebben opgedragen, terwijl hij de hoogste commandant aanspreekt als legatus meus, “mijn legaat” (of zelfs “mijn plaatsvervanger”). Deze wordt ook omschreven met het onvertaalbare vir clarissimus, de eretitel van iemand uit de senatoriële stand. De legioencommandant was dus geen lid van het legioen maar gold, ofschoon ondergeschikt aan de vorst, als lid van de heersende elite.

Samenvattend: in tegenstelling tot de legers uit de moderne tijd, die opwaartse mobiliteit bieden, waren de Romeinse legioenen net zo hiërarchisch als de samenleving die ze moesten verdedigen.

Naschrift

Dank aan Steve van Beek en Paul Frantzen die me de juiste titel van de legioencommandant noemden.

20 gedachtes over “Legionairs toen en soldaten nu

  1. Jaap-Jan Flinterman

    In de jaren ’90 gaf ik aan de Universiteit Utrecht introductiecursussen Romeinse geschiedenis aan deeltijdstudenten Geschiedenis. Ik had regelmatig gepensioneerde militairen onder mijn gehoor, en die waren het volstrekt oneens met mijn aanduiding van centurio’s als ‘onderofficieren’. Gezien het aantal mannen over wie zij het commando voerden en gezien de verantwoordelijkheden die ze droegen, waren centurio’s, volgens mijn studenten, in moderne termen geen onderofficieren, maar ‘subalterne officieren’. Ik heb deze correctie altijd maar ter harte genomen, want mijn studenten hadden duidelijk meer verstand van militaire rangen dan ik (broederdienst).

  2. jacobkrekel

    Vergelijking van de moderne met de antieke oorlogvoering is een hachelijke zaak. Onze moderne oorlogvoering vindt grotendeels buiten een slagveld plaats: op het internet vechten trollenlegers tegen elkaar. En deze oorlog is permanent, het is nooit vrede. Voor Rusland is niet alleen iedere verkiezing maar ook de de Coronacrisis een welkome gelegenheid om met desinformatie ven verwarring de populisten te versterken en het westen te verzwakken. Wat uiteraard glashard wordt ontkend.
    Voor zover een modern leger, c.q, de landmacht, nog wel vergelijkbaar is met een antiek leger, geldt dat er vele gespecialiseerde legeronderdelen zijn zonder echte gevechtstaak op een slagveld: intendance, genie, verbindingsdienst, geneeskundige troepen, inlichtingen, zodat de verhouding eerder 1 op 10 wordt dan 1 op 3.
    Een kapitein in de landmacht heeft een compagnie van 2 a 3 pelotons van 40 man onder zich, die elk worden gecommandeerd door een luitenant. Dat zijn de zgn subalterne officieren. Twee a drie compagnieën vormen een bataljon, gecommandeerd door een hoofdofficier (majoor of overste), en tenslotte heb je de hoofdofficieren, die de hogere krijgsschool hebben bezocht, die brigades, divisies en het 1e legerkorps commanderen, en allerlei staffuncties kunnen hebben.

  3. Dag Jona,

    Kan je misschien ook iets zeggen over de tros van het leger. Vooral in de zestiende, en zeventiende eeuw werd het leger gevolgd door een grote groep, soms groter dan het leger zelf, van marketentsters, slagers, bakkers en prostituees. Dit zou je het ondersteunend personeel kunnen noemen, wat nu in dienst is van het leger. Wat weten we over deze tros in de Oudheid?

    1. In succesvolle antieke legers droegen de manschappen hun spullen zelf. Voor het leger van Alexander de Grote wordt uitgegaan van één muildier/muilezel per tien soldaten, wat langzaam veranderde in één per drie bij een groeiende groep tolken, concubines en andere meereizenden. Voor de legers van Marius, Sulla, Pompeius en Caesar schijnt ruwweg hetzelfde te gelden; de problemen die Marcus Antonius in het oosten ondervond zouden samengehangen kunnen hebben met een te grote tros.

      In de keizertijd werden de legioenen statischer en veranderde alles.

      1. Robert

        “In succesvolle antieke legers droegen de manschappen hun spullen zelf.”

        Dat is een nogal eenzijdige reactie. Bedoel je dat legers minder succesvol werden zodra er minder zelf gedragen werd? Of dat dit zelfs succes in de weg stond?
        Als ik de Romeinse legers uit de tijd van de expansie vergelijk met latere perioden, valt op dat er bijvoorbeeld in de legers van de vierde eeuw n. Chr van wagens gebruik gemaakt werd. Je kunt natuurlijk direct schamperen dat deze leger ‘minder succesvol’ waren, maar dan ga je voorbij aan de daadwerkelijke prestaties op het slagveld, en ook de zeer verschillende opzet van deze legers ten opzichte van hun voorgangers tijdens de Republiek of het Principaat.

        1. Frans

          Een leger met minder bagage kan natuurlijk wel sneller oprukken. Dat was het geheim van Napoleons succes in zijn beginjaren.

  4. Arnold den Teuling

    Ik kan me niet voorstellen dat onderofficieren in de Romeinse tijd niet, net als nu of in ieder geval t/m de jaren 1960, de kern van de gevechtskracht vormden. Een zware staf verandert daar niets aan. https://vierpennen.nl/de-meidagen-van-sergeant-den-teuling/ De tocht van mijn vader (intussen overleden, hij is 103 geworden), hebben mijn zoon, zijn vrienden, mijn broer en zijn zoon in 2008 nagereisd, wie geintersseerd is in dat verslag, waar een paar andere nuances en bijv. ook de nummers van de legeronderdelen staan, melde dat aan mijn e-mailadres. In Jona’s overzicht van de staf mis ik de betaalmeester.

  5. FrankB

    “Ik meen dat bij de landmacht tegenover elke soldaat …..”
    Hans Helmut Kirst, als ik mij goed herinner, beweerde in één van zijn romans dat het er tien waren. Maar dat kan heel goed overdrijving zijn geweest.
    Het is ietwat merkwaardig dat alleen de Duitsers hier een term voor hebben:

    https://de.wikipedia.org/wiki/Kriegs-Etappenwesen

    Ik houd het er op dat de verhouding varieert.

    1. Bert Schijf

      Dat Duitsers hier een term voor hebben is niet zo werkwaardig. Duitsers hebben voor alles een woord, las ik vandaag in Poitico.com.

  6. Robert

    “Vermoedelijk waren er nog wat secretarissen maar dit was de hele staf.”
    “een legioen met een kleine staf en geen onderscheid tussen gevechts- en administratief personeel.”

    Ik denk dat je dit nogal onderschat gezien het aantal omschrijvingen van de administratieve taken en gespecialiseerde beroepen in en om een legioen. Dat die mensen allemaal moesten kunnen vechten heeft minder met de afspiegeling van hun maatschappij te maken (ook zij moesten getraind worden in het hanteren van wapens) maar veel meer met hoe de oorlogvoering in die tijd ging. In onze moderne legers (ik hoorde trouwens dat op één frontsoldaat wel zes mensen bezig zijn met ondersteuning) worden gebieden verdedigd, terwijl een klassiek leger de vijand opzocht. heel iets anders en onvergelijkbaar.

    Om op die staf et al terug te komen, dit is een lijst van rangen, graden, specialismen en beroepen van Jonannus Lydus. (ik heb vergeliojkbare lijsten gezien van vegetius en de Perge inscriptie.

    (Lyd.1.46):
    “However, since the entire populace from the beginning served as soldiers, they decided to set up a definite, action-ready force: units of three hundred shield-bearers, which they called cohortes, and alae, namely, ‘troops,’ of six hundred horsemen; vexillationes of five hundred horsemen; turmae of five hundred archer-horsemen; and legiones of six thousand foot soldiers and the same number of horsemen. The legiones, however, had the following parts:

    alae, of six hundred horsemen
    vexillationes, of five hundred horsemen
    turmae, of five hundred archer-horsemen
    legiones, of six thousand infantrymen

    tribuni, tribunes
    ordinarii, company commanders
    signiferi, standard-bearers
    optiones, chosen men or registrars
    vexillarii, ensigns
    mensores, camp-surveyors
    tubicines, infantry buglers
    bucinatores, cavalry buglers
    cornicines, hornblowers
    andabatae, mailed troops
    metatores, land surveyors
    arquites and sagittarii, archers and arrow-bearers
    praetoriani, praetorians
    lanciarii, lance-throwers
    decemprimi, heads of cavalry troops of ten
    beneficiales, those who are charged with giving medical aid to the veterani
    torquati, those who wear necklaces
    brachiati or armilligeri, bracelet-wearers
    armigeri, arms-bearers
    munerarii, servants
    deputati, those appointed for a specific task
    auxiliarii, auxiliary troops
    cuspatores, gaolers, for the Romans call wooden fetters cuspus, custodes pedum, as it were, that is to say, foot-binders and foot-wardens
    imaginiferi, image-bearers
    ocreati, infantrymen whose calves are fortified with iron greaves
    armatura prima, first arms practice
    armatura semissalis, advanced arms practice
    hastati, spearmen
    tesserarii, those who announce the watchwords to the soldiery at the time of encounter
    draconarii, bearers of the dragon standard
    adiutores, adjutants
    samiarii, the polishers of the arms
    vaginarii, scabbard-makers
    arcuarii, bow-makers
    pilarii, javelin-men
    verutarii, speer-throwers (Lydus has ‘discus-throwers’)
    funditores, slingers
    ballistarii, catapult-men (a catapult is a kind of siege-engine; it is called by the soldiery ‘wild ass’)
    vinearii, wall-fighters
    primoscutarii, defenders, who are now called protectores
    primosagittarii, first archers
    clibanarii, those who wear coats of mail, for the Romans call iron coverings celibana, namely, celamina
    flammularii, those at the end of whose spear scarlet banners were suspended
    expediti, well-girt, lightly clad, ready for battle
    ferentarii, skirmishers
    circitores, those who go about the fighters and give them arms since they themselves do not yet know how to fight
    adoratores, veterani, tirones, about whom, I believe, I must explain in detail”

    1. Frans

      Die lijst wordt ook vermeld in het boek The Reign of Emperor Gallienus van Ilkka Syvanne, die zich gespecialiseerd heeft in het Romeinse leger van de derde eeuw. De lijst beslaat twee bladzijden, dus er waren specialisten genoeg. Syvanne vermeldt er overigens bij dat sommige mannen verschillende functies konden hebben.

  7. eduard

    Legers uit het Midden Oosten (en uit Europa in de late oudheid en middeleeuwen) werden door een enorme stoet non- en semi-combattanten gevolgd. Commandanten en andere officieren (aristocraten en kampioenen) namen hun familie mee. Er waren handelaren, koks, handwerkslieden, etc. Een enorme menigte dienaren groef de grachten en wallen van de versterkte kampen (die al vóór het Assyrische Rijk eerder regel dan uitzondering waren in het MO) sloeg de tenten op, zorgde voor de rij- en lastdieren, dreef de kuddes wandelende rantsoenen, en bediende de soldaten. In het gevecht stonden zij achteraan, ongetraind en provisorisch uitgerust met slinger en houten knuppel.

  8. eduard

    Overigens kun je volgens mij een centurio heel goed een kampioen noemen: een gewone soldaat die dankzij vaardigheid, dapperheid, ambitie en veel geluk is opgeklommen tot een rang waar wel degelijk veel prestige en geld aan verbonden was.

    1. Ben Spaans

      Je kon een centurionaat overigens ook kopen, wat wel gebeurde door mannen uit de ridderstand, een voorbeeld is keizer Pertinax die zo begonnen is.

  9. Roger Van Bever

    … Deze wordt ook omschreven met het onvertaalbare vir clarissimus, de eretitel van iemand uit de senatoriële stand…

    Ik waag een vertaalpoging: vir clarissimus: een man van hoog aanzien.

    …De legioencommandant was dus geen lid van het legioen maar gold, ofschoon ondergeschikt aan de vorst, als lid van de heersende elite…

    Ik las ergens (maar ik kan het helaas niet meer terugvinden) dat de rapporten van de ‘legatus Augusti’ vaak bij de praetoriaanse garde terechtkwamen en de keizer niet altijd bereikten, waardoor de macht van de praetoriaanse garde in het begin van het principaat de facto steeds meer toenam.

  10. Theo Joppe

    Ik vrees dat Jona de Romeinse legers uit de (vroegere) republikeinse en de latere keizertijd door elkaar haalt: het eerste was inderdaad een vrij simplistisch leger met twee legioenen dat, bestaand uit vrije Romeinse burgers, op afroep beschikbaar was door de twee consuls.
    Maar later werd het behoorlijk gedifferentieerd, zoals Robert al aangeeft (zij het uit Johannes Lydus, en dan zit je dus al erg laat). Niet in het minst door de vele ‘auxiliarii’ die ook tot zo’n legioen gingen behoren — alles bij elkaar heb je het dan over (gok ik) zo’n 15.000 man, die allemaal gevoed en verzorgd dienden te worden. Een Romeins legioen vergde dus meer administratie en controle dan de gemiddelde Romeinse stad; vandaar ook dat een legioenscommandant een zeer hoge positie bezat, en vandaar de dorps/stadsbouw rondom de vaste legioenskazernes,
    Overigens is een centurio in de keizertijd ook een maatschappelijk hoge positie — veel van die heren vervulden met name administratieve functies.

Reacties zijn gesloten.