Het Nieuwe Testament zit boordevol doorkijkjes naar het dagelijks leven in de Romeinse tijd. Zo vertelt Lukas het verhaal van de centurio, ofwel de “honderdman”, zoals het woord in het Nederlands weleens is vertaald. Dat suggereert dat het de commandant was van een eenheid van honderd legionairs, maar dat is in de lange Romeinse legergeschiedenis nooit het geval geweest. Het verhaal speelt in Jezus’ woonplaats Kafarnaüm en het eerste zinnetje is al intrigerend.
Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld.nootLukas 7.2; NBV21.
Het is opvallend hoe lang vooroordelen over geschiedenis blijven bestaan. Eén zo’n vooroordeel is dat historici zich vooral bezighouden met de daden van Grote Mannen, die de geschiedenis naar hun hand hebben gezet. Het probleem is niet dat deze uitdrukking vrouwen tekort doet maar het methodisch individualisme. Dat ook maatschappelijke krachten invloed hebben op de gebeurtenissen, is alweer ruim een eeuw geleden bewezen, maar het dringt niet door. Ik blogde al eens over nepklassieken. De simpele waarheid is echter dat het weliswaar individuen zijn die de geschiedenis vorm geven, maar dat die zich daarbij bedienen van maatschappelijke structuren die groter zijn dan henzelf. Geschiedenis en dus oudheidkunde is een sociale wetenschap.
Grotemannengeschiedenis bestaat al anderhalve eeuw niet meer. Eigenlijk alleen in Groot-Brittannië, dat een grote traditie heeft van biografieën, stelt men zich nog weleens op het standpunt dat there is no such thing as society. Onzin natuurlijk. Elke geschiedenisstudent kan je na zijn eerste jaar uitleggen dat maatschappelijke instituties niet zijn te herleiden tot verzamelingen individuen of individuele keuzes.
Ik ontmoette Gaius Velius Rufus op 8 april 2012. Mijn zakenpartner en zijn echtgenote, met wie ik in Baalbek was, zagen hem als eerste en riepen me dat ik snel moest komen kijken. Hierboven ziet u de overdonderende inscriptie, die ergens rond het jaar 100 na Chr. is opgericht door een zekere Marcus Alfius Olympiacus, de standaarddrager van het Vijftiende Legioen Apollinaris. De tekst is lang – u vindt hem hier – en boordevol informatie.
Joodse Opstand
Eerst maar even zijn naam: zijn vader heette Salvius, een naam die in de eerste eeuw vooral voorkwam in de Abruzzen (hoewel de bekendste drager van deze naam, keizer Marcus Salvius Otho, afkomstig was uit een stadje in het wat noordelijkere Etrurië). Misschien kwam Gaius Velius Rufus dus uit het midden van Italië voordat hij centurio werd in het Twaalfde Legioen Fulminata, dat was gestationeerd in Syrië.
Ik blogde gisteren over legioennamen en maakte een vergelijking met de legers in onze eigen tijd. De Eerste Divisie van het Nederlandse leger heette ook 7 December, schreef ik, en die vergelijking ontlokte de vraag of legioenen en divisies wel vergelijkbaar zijn.
Wel in dit opzicht. De chaotische nummers en namen zijn hetzelfde. In andere opzichten zijn de verschillen echter groter.
Een belangrijk verschil is er als we kijken naar de relatie tussen gevechtseenheden en ondersteunend personeel. Ik meen dat bij de landmacht tegenover elke soldaat die werkelijk vecht drie mensen staan die ervoor zorgen dat hij dat ook werkelijk kan doen, maar ik heb het niet kunnen natrekken. In een Romeins legioen was er daarentegen nauwelijks ondersteunend personeel en van het onderscheid tussen commanding en executive officers zou men vreemd hebben opgekeken.
Het laatste stukje van vandaag kan alleen gaan over de graflegging, zoals hierboven afgebeeld door de Nigeriaanse kunstenaar George Bandele, wiens werk de aanleiding was tot deze reeks. Volgens Marcus stierf Jezus tijdens het negende uur, rond een uur of drie in de middag. Misschien was het in feite wat later, want degenen die het lichaam van het kruis haalden hadden haast om het nog voor het vallen van de avond te doen. Bij zonsondergang zou immers de sabbat beginnen, waarop werk niet was toegestaan.
Zo staat het althans in zowel Marcus als Johannes, waarvan ik al aangaf dat ze onafhankelijk van elkaar ruwweg hetzelfde vertellen. Beide auteurs vermelden ook Jozef van Arimatea, een lid van het Sanhedrin, als degene die het lichaam bij Pilatus opvroeg. Marcus voegt toe dat Pilatus verbaasd was over Jezus’ snelle dood en het lijk pas afstond toen een centurio dit had bevestigd. Marcus noemt verder Maria van Magdala en Maria de moeder van Joses als aanwezig bij de graflegging. Johannes maakt daar een mannenzaak van: Jozef kreeg hulp van Nikodemos.
Deze bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is. Op de plaats waar hij gekruisigd werd, lag een tuin en in die tuin een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd. Vanwege de voorbereidingsdag van de Joden en omdat het graf dichtbij was, legden zij Jezus daarin neer.
Een tijdje geleden blogde ik over het medaillon dat u hierboven ziet. Het voorwerpje is gevonden op het Kops Plateau in Nijmegen en ik vertelde dat deze vermoedelijk het eigendom is geweest van een centurio – eigenlijk: een primus pilus, de oppercenturio – Gaius Aquilius die ook door de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus wordt genoemd.
De identificatie is belangrijk. De aanwezigheid van een centurio uit het Achtste Legioen Augusta – zie de inscriptie; dat het gaat om een centurio, blijkt uit het vishaakje > links op de derde regel – op het Kops Plateau werpt namelijk nieuw licht op het Romeinse beleid vóór de Bataafse Opstand. Tacitus, die causaliteit uitsluitend plaatst op individueel niveau, presenteert het alsof de opstand ontstond door toedoen van Julius Civilis, die de onrust door rekruteringspraktijken voor zijn eigen doeleinden benutte. Vervolgens was de Romeinse reactie inadequaat door – opnieuw een op individuen gebaseerde analyse – falend leiderschap. (Dat de troepensterkte met 75% was afgenomen, lijkt Tacitus niet te deren.)
Indolent, decadent, inefficiënt, incompetent: dat waren, volgens de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus, de voornaamste kwaliteiten van de Romeinse generaal Hordeonius Flaccus. En hij was nog jichtig ook. Niet bepaald de ideale man om de Rijngrens te verdedigen, zeker niet op een moment waarop driekwart van de troepen naar Italië was getrokken om daar Vitellius te helpen aan het keizerschap. Tot overmaat van ramp kwamen in de late zomer van 69 de Bataven in opstand, een half-geromaniseerde stam in de Betuwe.
Tacitus vertelt hoe de opstandelingen de Romeinse forten langs de Neder-Rijn een voor een innamen en plunderden, een gebeurtenis die archeologisch wordt bevestigd: alle bekende versterkingen hebben een brandlaag die rond 69 valt te dateren. Gelukkig was er een centurio, Aquilius, die erin slaagde de overlevende Romeinse soldaten te verzamelen, omvormde tot een strijdgroepje en zich een weg terugvocht naar de veiligheid van Batavodurum, het huidige Nijmegen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.