De wierookroute (2)

Reliëf uit Jemen van een vrouw en een man, beide gezeten op een dromedaris, die elkaar ontmoeten bij een bron (Istanbul, Archeologische Musea)

[Het thema van de Romeinenweek is mobiliteit en ik heb de afgelopen dagen al enkele aspecten behandeld. Dankzij de DNA-revolutie weten we nu dat er in oude tijden veel meer mobiliteit is geweest dan we lange tijd hebben aangenomen. De netwerken waren ook veel wijder dan we dachten. Ik ga daarom nog eens in op de Wierookroute, waarover ik in 2016 het onderstaande publiceerde in het tijdschrift Hermeneus. Het eerste deel was hier.]

Van Shabwa naar Gaza

Na de formaliteiten in Shabwa reisden de handelaren verder. De routes lagen vast en volgens Plinius gold het als misdrijf een andere weg te nemen. De karavanen trokken eerst naar Timna en Marib, de hoofdsteden van Qataban en Saba. Daar wendden ze zich naar het noordwesten, naar de vruchtbare oase van Najran, waar de kooplieden de stedelijke wereld van Jemen verlieten en begonnen aan de tocht door het Arabische nomadengebied.

Wekenlang trokken ze naar het noordwesten. Helaas valt de route naar Yathrib, het huidige Medina, niet te reconstrueren. Er is wel aangenomen dat Mekka een van de handelsposten was, maar dat zou een omweg hebben betekend. Van de andere kant: hier was een belangrijk heiligdom en je kon hiervandaan doorreizen naar de haven Jeddah, vanwaar je naar Nubië kon oversteken. Deze omweg past ook beter bij de door Plinius beschreven reis van Shabwa naar Gaza, waarbij de kooplieden vijfenzestig handelsposten passeerden en 2437½ mijl (ruim 3600 kilometer) aflegden.

Welke route de kooplieden ook namen, ze kwamen uiteindelijk aan in Yathrib, waarvandaan ze verder reisden naar Dedan en Hegra (het huidige al-‘Ula en Mada’in Saleh). Nu waren ze in het land der Nabateeërs, wier hoofdstad Petra de volgende halte was. Hiervandaan kon men verder reizen naar Syrië of naar de havenstad Gaza.

Overal betalen de kooplieden: voor voer, voor water, voor logies, of tol. Al voordat ze onze kust hebben bereikt, zijn de kosten opgelopen tot 688 denariën per dromedaris. En nu is het de beurt van onze douane om ze te laten betalen. (Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 12.65)

Omdat de onkosten zo hoog waren, was wierook duur. De hoogste kwaliteit kostte vierentwintig sestertiën per pond, een weekloon voor een geschoolde arbeider. Plinius klaagt dat de Romeinen “volgens de laagste schattingen” niet minder dan honderd miljoen sestertiën verspilden aan oosterse luxe.

Van Heroönpolis naar Aden en terug

Om de Wierookroute te verkennen en te beheersen, gelastte keizer Augustus Aelius Gallus, de prefect van Egypte, om Jemen te onderwerpen. Hoewel deze expeditie, die plaatsvond in 25 v.Chr., uitliep op een mislukking, waren de gevolgen aanzienlijk. Om te beginnen wisten de Romeinen vanaf nu meer over het mysterieuze land op de zuidelijke rand van de wereld. Gallus’ rapporten werden gelezen door Strabo en Juba, en hun verslagen zijn geciteerd door Plinius, die dus in feite een ooggetuigenverslag benut.

Een tweede gevolg was dat vanaf nu de handel in de Rode Zee belangrijker werd. Volgens de Rondvaart vertrokken schepen naar Jemen in september van Heroönpolis om na drie weken aan te komen in havens als Eudaimon, het huidige Aden. Hier, in het koninkrijk Himyar, sloeg men wierook, parels en albastkleurig marmer in. Vervolgens kon men nog aanleggen in Moscha in Dhofar, dat is teruggevonden bij Khor Rori aan de kust van Oman: een kleine maar zorgvuldig geplande nederzetting met pakhuizen, een tempel en een marktplein. De opgegraven voorwerpen duiden op handel met het Rome en het Indusgebied.

Tenzij de kooplieden besloten verder te gaan naar Perzië of India, keerden ze in de loop van de winter terug naar Heroönpolis en brachten ze de wierook naar Alexandrië. Als de Middellandse Zee in de lente weer bevaarbaar werd, was alles klaar voor de vervolgvaart naar bijvoorbeeld Efesos, Karthago, Rome en Marseille.

De populariteit van de route door de Rode Zee had verschillende oorzaken. Eén daarvan was de Romeinse annexatie van Egypte, waardoor het wereldrijk toegang had gekregen tot deze zee, waarna Gallus’ expeditie de weg naar de Jemenitische havens had vrijgemaakt. Het einde van de Burgeroorlogen maakte dat er meer geld aan luxe kon worden besteed. Het grootste voordeel was echter dat schepen efficiënter zijn dan karavanen: economisch-historici hebben uitgerekend dat landtransport in de oude wereld ongeveer zeventien keer zo duur was als zeetransport, en in dit geval viel bovendien een deel weg van de kosten in de vijfenzestig handelsposten tussen Jemen en Gaza. De zeeroute diende wel beschermd te worden en aan het begin van de 2e eeuw n.Chr. legden de Romeinen een garnizoen op de Farasan-eilanden, niet ver van de zuidelijke ingang van de Rode Zee. Drie in 2004 gevonden inscripties documenteren de aanwezigheid van soldaten van het Tweede Legioen Traiana Fortis en het Zesde Legioen Ferrata.

Himyar, dat aan de kust lag en het meest profiteerde van de opkomst van de zeehandel, overvleugelde nu de koninkrijkjes aan de landweg. De details zijn onduidelijk, maar het staat vast dat Himyar de andere staatjes annexeerde en dat Jemen tegen het einde van de 3e eeuw n.Chr. was verenigd onder één vorst.

[Wordt vervolgd; het (ondateerbare) reliëf hierboven was de 272e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

4 gedachtes over “De wierookroute (2)

  1. Manfred

    “Omdat de onkosten zo hoog waren, was wierook duur.”

    Dit lijkt me omgekeerd. Wierook kon duur zijn omdat er veel vraag naar was bij rijke afnemers.

    Die men in the middle (letterlijk) wilden daar van meeprofiteren. Die kosten lijken verdacht veel op beschermgeld/afpersing aangezien ze niets toevoegden aan het product. Als de handelaren zoveel moesten betalen voordat ze aan de verkoop toekwamen moesten ze veel geld op zak hebben wat ze kwetsbaar maakten voor overvallers.

    Aangezien ze dat ook weer hadden na de verkoop waren ze op de terugreis net zo kwetsbaar. Ik vraag me dan ook af of ze met geld terug gingen of daar eerst andere producten voor kochten, en welke dan?

    1. FrankB

      Ten eerste is dat niet het omgekeerde.
      Ten tweede zouden arme afnemers en minder vraag de prijs niet omlaag hebben gebracht.
      De wet van vraag en aanbod gaat alleen op zolang de evenwichtsprijs hoger ligt dan de vaste kosten. Zo niet dan valt de handel weg, want niemand wil verlies lijden.

    2. jan kroeze

      Ik snap de redenering niet goed:Dit lijkt me omgekeerd.
      Stel dat een accu in een elektrieke oto heel duur is dan wordt denk ik de oto ook erg duur.
      Nogmaals dat omgekeerde snap ik niet

  2. Hans van der Valk

    In Jemen sloeg men vanaf de vierde of derde eeuw v.Chr, zilveren munten, die naar voorbeeld van de zogenoemde Atheense uiltjes waren ontworpen. Dit waren geldstukken die toen door het hele Midden-Oosten circuleerden en op beide zijden afbeeldingen van de godin Athene en van een uil met een olijftak droegen. De gewichten van de Jemenitische munten kwamen evenwel niet met die van de Griekse voorbeelden overeen. De oorspronkelijke Atheense uiltjes kwamen ongetwijfeld via de wierookroute over Gaza in Jemen terecht.
    Men heeft in Jemen ook latere Atheense munten en ook Romeinse munten geïmiteerd. In het begin van onze jaartelling sloeg men er grappige kleine zilverstukken met op beide zijden een karakteristiek portret. Het valt op, dat deze laatste muntjes nu geregeld op veilingen voor de dag komen. Ik ben bang, dat dit samenhangt met de oorlog, die in het vroegere Arabia Felix woedt.
    De Jemenitische muntslag in Oudheid geeft in elk geval aan, dat er geldcirculatie was naar voorbeeld van landen aan de Middellandse Zee. De handelaren, die langs de Wierookroute reisden, namen gemunt geld mee. Hun karavanen waren ongetwijfeld bewapen zoals ook onze VOC schepen, die in de zevende en de achttiende op Indië vaarden.

Reacties zijn gesloten.