MoM | Verhalende geschiedschrijving

Kleio, muze van de geschiedvorsing (El Djem, Huis van de Maanden)

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert te verklaren, dat wil zeggen dat je verbanden legt met andere gebeurtenissen. Daarvoor kennen historici verschillende verklaringsmethoden. Zo kun je proberen wetmatige verbanden te leggen. Als de bevolking in omvang toeneemt, stijgt – als andere zaken hetzelfde blijven – de graanprijs. Een andere vorm van verklaren is de hermeneuse: je verklaart iets door je in mensen uit het verleden in te leven. De moeite die Justinianus zich getroostte om met voormalig prostituee Theodora te trouwen, kan alleen betekenen dat hij echt van haar hield.

Een derde benadering staat bekend als vergelijkend-oorzakelijk of comparativistisch en wil zeggen dat je verbanden opspoort door middel van vergelijking. Als de romanisering en de arabisering van het Iberische Schiereiland identieke processen waren, alleen verschillend doordat de Romeinse belastingdruk hoger was, is dat de sleutelfactor waardoor de grondig geromaniseerde bevolking de Visigoten assimileerde en de aan minder dwang onderworpen en minder gearabiseerde bevolking de reconquistadores niet kon assimileren. Over de vierde verklaringswijze, het modelleren met computers, valt een boom op te zetten en dat laat ik nu rusten.

Al deze benaderingen hebben de aanname met elkaar gemeen dat het verleden nog kenbaar is. Dat is niet de aanname van het de vijfde verklaringswijze: narrativisme ofwel verhalende geschiedschrijving.

Onbereikbare waarheid

De vraag is immers of er wel voldoende informatie is. Dat geldt zeker voor de Oudheid, het tijdvak waarbij dataschaarste hét probleem is. Ook als dat niet zo zou zijn, blijft de vraag of we antieke taaluitingen wel voldoende doorgronden, hoe we vondsten interpreteren en hoe we omgaan met de toevalligheid waardoor informatie tot ons is gekomen. De reeks complicaties is lang.

Je kunt daarom, heel postmodern, accepteren dat je het nooit meer weten kunt. De data die we hebben zijn (met een metafoor van Frank Ankersmit) als bladeren die van een boom zijn afgewaaid. We kunnen ze in een herbarium plakken en er zo iets moois van maken, maar moeten niet langer de ambitie hebben de boom te reconstrueren. Relativeer die waarheidsclaim maar en geniet van het verleden zoals van een roman of een film.

Anders gezegd: de verhalende historicus reconstrueert niet de verbanden uit het verleden, hij construeert ze. Het criterium waarop zijn studie moet worden beoordeeld, is daarom niet of hij alle relevante data heeft meegenomen (of een andere gangbare kwaliteitsnorm), maar of hij overtuigend vertelt.

Kudde olifanten

Een voorbeeld is Carthage Must Be Destroyed van de Britse classicus Richard Miles, waarover ik al eens schreef in het Handelsblad. In deze algemene geschiedenis van Karthago ziet de auteur vrij systematisch af van het zoeken naar oorzaken. Van de Tweede Punische Oorlog vermeldt hij bijvoorbeeld wel dat de Karthaagse generaal Hannibal de Romeinen zó in de problemen bracht dat ze de strijd uitsluitend konden voortzetten doordat hun bondgenoten trouw bleven, maar hij verklaart nergens waarom zij de verbazingwekkende keuze maakten voor de verliezende partij.

Miles biedt daarentegen wel reconstructies van de manier waarop Rome zichzelf ooit via de cultus van Hercules als heerser van Italië had gelegitimeerd, van de middelen waarmee Hannibal zich presenteerde als nieuwe Hercules, en van de propaganda waarmee hij het conflict een ideologisch-religieuze dimensie gaf die de Romeinen diep verontrustte. Dat leest lekker weg maar het is in feite een modern construct. Elegant en sierlijk, zeker, maar de vraag komt op of de bevolking van het Apennijnse Schiereiland bij het zien van Hannibals olifanten werkelijk heeft gedacht aan de mythe waarin Hercules een kudde runderen door Italië loodste.

De feiten

Zoals hierboven aangegeven, wordt in het narrativisme het zoeken naar de waarheid gerelativeerd, maar dat wil niet zeggen dat die geen enkele rol speelt. Weliswaar berust de narrativist erin dat de verbanden die ooit tussen de historische feiten hebben bestaan, onmogelijk nog kunnen worden gereconstrueerd, maar dat laat onverlet dat het lonend blijft te jagen op de feiten zélf.

Dit verdient enige nadruk, want er zijn auteurs die de vrijheid die het narrativisme biedt, uitbreiden tot het verzinnen van feiten. Een voorbeeld is de hier al vaker genoemde Tom Holland, die de verhalende geschiedschrijving bij verschillende gelegenheden heeft geprezen en in zijn boek Persian Fire een Babylonische opstand verzint om te verklaren waarom de Perzen terugkeerden.

Dit is evident onwetenschappelijk. Maar het probleem zit tevens bij het verhalende. Holland heeft enerzijds een panorama willen bieden van de volken van de oude wereld en anderzijds het verhaal willen vertellen van de Perzische Oorlog. Om eenheid te geven aan deze gevarieerde materie – om verbanden te leggen, met andere woorden – kiest hij voor het thema van hybris en nemesis: de hoogmoed die voor de val komt. Dit is dus geen wetenschap maar een literair motief. Tegelijk kiest hij voor het sjabloon van het despotische, obscurantistische Azië dat tegenover het vrije, rationele Europa zou staan. En dat is, zoals ik al vaker heb beschreven, niet alleen ideologisch gedram maar ook gemakzuchtig.

Ik voor mij moet weinig hebben van deze vorm van verklaren. Fictie is een mooie zaak, en dat schrijf ik zonder ironie, maar je moet het geen wetenschap noemen.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

PS

Ik heb net twee interviews gegeven – in de New Scientist en voor de website Scientias – over het aan de vaste lezers bekende riedeltje: het belang van papyri, het gemak waarmee ze zijn te vervalsen, het belang van de gedocumenteerde provenance, de bereidwilligheid van classici en bijbelwetenschappers om de prijs op te drijven, het negeren van gedragscodes en de smoesjes waarmee dat wordt goedgepraat.

41 gedachtes over “MoM | Verhalende geschiedschrijving

  1. Marcel Meijer Hof

    Goedemorgen Jona; een kleine verschrijving in ‹ vierde / vijfde › – in de inleiding. We snappen het natuurlijk wel, maar jij wilt het graag beter.

  2. Martin

    Over verbanden leggen. In de techniek worden vaak onzekere data geïnterpreteerd op de basis van een model. Dat model is gebaseerd op een fysisch begrip van het systeem waaraan gemeten wordt. De interpretatie is dus niet alleen gebaseerd op de data maar ook op basis van het model. In de natuurkunde is dat heel gebruikelijk. Bv als wij op de snelweg rijden en een auto voor ons willen inhalen, dan kan het zijn dat wij in de spiegel een snellere auto zien aankomen rijden op de baan naast ons. Nu inhalen of niet? De snelheid van die andere auto en diens afstand kunnen wij niet exact bepalen, maar we kunnen ze wel aardig inschatten. Het model is dan dat die snellere auto een min of meer constante snelheid zal hebben. Op basis van dat model (en onze ervaring) beslissen we dan of we kunnen gaan inhalen, doordat wij inschatten hoeveel tijd wij daarvoor hebben, of hoeveel tijd die snellere auto zal hebben om nog uit te wijken. Dat heet model based Bayesian estimation.

    Hybris en Nemesis zijn niet alleen literaire thema’s, het zijn termen voor wat wij vaak bij menselijk gedrag kunnen zien. Er zijn bv mensen die irrationeel menen de beurs te kunnen voorspellen (Hybris), en dan tenonder gaan (Nemesis). Toen Hitler besloot om de Sowjet-Unie aan te vallen, waren er generaals die hem daarvoor waarschuwden: dat gaat verkeerd aflopen. Maar Hitler wilde daar niet naar luisteren, en de resultaten zijn bekend. Dat is een voorbeeld van Hybris. Ook in de normale politiek zien wij wel eens beslissingen waarvan het ongewenste gevolg aardig voorspelbaar is. Is het gedrag van mensen in reactie op bv politieke omstandigheden te modelleren? Ik heb vaak de indruk van wel.

    De vraag is dus of Holland bezig is met ideologisch gedram, of dat Holland een redelijk model heeft van Perzië in die tijd. In de politiek zijn er vaak modellen die meer op ideologie zijn gebaseerd dan op statistiek, dat maakt het moeilijk.Wetenschap is niet alleen het zeker weten van iets, maar ook het nemen van statistisch rationele beslissingen op de basis van onzekere informatie. Ik meen dat Holland in Persian Fire ook beschrijft dat de Grieken aan de Ionische kust geen belasting meer wilden betalen aan Perzië; het gevolg daarvan was ook aardig voorspelbaar.

    1. jan kroeze

      @martin: een technicus werkt niet alleen met modellen maar ook met trial and error.
      Jona: postmodern< Nou ja zeg.

      1. Martin

        Ja, je moet eerst een idee krijgen van wat het model moet zijn. De trial is een heel algemeen model: laten we er eens een elektrische spanning overheen zetten, kijken wat er gebeurt. Ik bedoel modellen voor werkende systemen, zoals een vliegtuig of GPS.

    2. FrankB

      “In de natuurkunde is dat heel gebruikelijk.”
      In de geschiedkunde uiteraard ook. Het aardige is nu dat in dat vak verschillende modellen naast elkaar kunnen bestaan. Dat levert een veelkleurig mozaiek op en leidt aldus tot een beter begrip. Mooi voorbeeld geeft u:

      “Dat [Operatie Barbarossa – FrankB] is een voorbeeld van Hybris.”
      Klopt, maar er is meer. Zo kunnen we de opbouw van Hitler’s ideologie nagaan. Dan moeten we Mein Kampf raadplegen. Daar vinden we twee politieke hoofddoelen, die volgens Hitler nauw met elkaar verweven waren. Jawel, het ene was de vernietiging van het bolsjewisme oftewel de kolonisering van Europees Rusland. Hybris of niet, had Hitler niet tot Operatie Barbarossa bevolen dan was hij Hitler niet geweest.
      Nog een ander model is die van Grand Strategy zoals geformuleerd door Liddell Hart (zie Engelse Wikipedia). Dan moeten we kijken naar het beruchte Molotov-Von Ribbentrop Pact. Ik citeer Richard Overy’s Ruslands Oorlog, dat Stalin (tegenover Chrusjtsjov) citeert: “Ik weet wat Hitler van plan is. Hij denkt dat hij me te slim af is, maar in feite ben ik hém te slim af.” Ook in 1939 was oorlog tussen Duitsland en de Sovjet-Unie blijkbaar onvermijdelijk. De Winteroorlog was op een fiasco uitgelopen voor het Rode Leger; in 1941 zat het in een reorganisatie. Ook in 1941 produceerde de Sovjet-Unie meer vliegtuigen, meer tanks en meer artillerie dan Duitsland. Dat verschil zou alleen maar toenemen. Hitler had geen beter moment kunnen uitkiezen om aan te vallen. Twee of drie jaar later waren de Duitse kansen veel en veel slechter geweest.
      Een essentieel verschil met het Hybris model is dat we kunnen nagaan of Hitler fouten heeft gemaakt, dwz. zijn kansen had kunnen verbeteren.

      1. Martin

        Hangt ervan af wat je onder Hybris verstaat. Ik meen: overmoed, grootheidswaan. “Ook in 1941 produceerde de Sovjet-Unie meer vliegtuigen, meer tanks en meer artillerie dan Duitsland”; ja, dan is het dus overmoed om te denken dat je daar tegenop kunt. Dat had Napoleon ook al meegemaakt: Rusland/SU was een heel groot land, met heel veel mensen en met hele onaangename winters. Als ik lees over WO-I, Weimar Republik, Nazi’s, etc dan krijg ik toch wel de indruk van een psychotische toestand. Nu was dat ook het geval in de SU.

      2. Otto Cox

        Ik kan van harte het boek van Ian Kershaw “Fateful choices” aanbeveling. Hierin wordt (uiteraard) ook het besluit Rusland binnen te vallen gefileerd. Kershaws slotzin: “It was madness, but there was method in it.”

  3. Het verschil tussen het reconstrueren en construeren van het verleden lijkt mij hooguit gradueel. Zo zal Huizinga met zijn Herfsttij de bedoeling hebben gehad om het eerste te doen, maar de vraag is, of hij in feite niet het tweede deed.

    1. Martin

      Ja, dat is de vraag over hoe goed het model is. Is het redelijk geloofwaardig of is het uit de duim gezogen? Bv economen hebben ook modellen, maar of die goed genoeg zijn?

      1. Marien

        En per definitie is ook ieder model een constructie. Van een model is de kracht dat het onderlinge verbanden, qua oorzaak of betekenis, zinvol en waarheidsgetrouw weergeeft. De zwakte is dat het ook per definitie begrensd en in die zin gesloten is, zodat er feiten of factoren buiten beeld kunnen raken. En de crux zit in de vraag in hoeverre een model waarheidsgetrouw een (al dan niet Historische) werkelijkheid weergeeft. In dat laatste is de vraag naar de vooronderstellingen van de historicus – zo u wilt diens ‘ideologische bevangenheid’ – inbegrepen.

        Persoonlijk wordt ik minder enthousiast wanneer bv. belastingen worden aangevoerd als historische verklaring, omdat wat wij daaronder verstaan (en daarvan kun je je nooit echt losmaken) hemelsbreed verschilt van de situatie in bv. de Romeinse tijd. En ik wordt wel weer enthousiast van het verhaal van Huizinga, ook al zal die zich ongetwijfeld door zijn eigen verhaal, alsmede zijn eigen tamelijk sombere cultuurvisie, hebben laten meeslepen. Want tenslotte speelt ook de lezer van een geschiedverhaal een rol in het geheel. En ja, dat heet dan weer hermeneuse.

        1. Martin

          Ja, dat is ook in de natuurkunde zo. Hoe bepaal je hoe goed een model is? In de natuurkunde kun je experimenten doen om te zien hoe goed je model het doet, maar bij geschiedschrijving is dat niet mogelijk. Daarom vond ik het interessant om de vraag op te werpen in hoeverre bv de menselijke aard in het leggen van historische verbanden een rol kan of mag spelen.

          1. Marien

            Aan de menselijke aard kunnen we ons menselijkerwijze niet onttrekken. Alleen heeft het natuurwetenschappelijke het voordeel dat het niet-meetbare buiten het model kan blijven. Maar in humaniora kun je daar nou net niet om heen… Dat houd het ook leuk, want het ene sluit het andere niet uit.

          2. jan kroeze

            @martin: De menselijke aard lijkt mij een zeer breed begrip waar ik niet veel mee kan.

    2. A. Gaastra

      Erik Hofmans’ punt is, denk ik, ook het punt dat narrativisten willen maken. Zij zien iedere vorm van geschiedschrijving als een constructie van het verleden. Overigens zag een antropoloog als Clifford Geertz precies hetzelfde in zijn De antropoloog als schrijver. Volgens hem gebruiken antropologen als Lévi-Strauss in hun boeken een bepaalde verteltrant met bijbehorende stijlfiguren om hun betoog te ordenen en kracht bij te zetten. Het narrativisme is dus niet per se eigen aan de geschiedtheorie. Of narrativisten gelijk hebben? Ik vind dat ze vaak te ver gaan, maar dat narrativisten maar één bepaalde vorm van geschiedschrijving propageren (bijvoorbeeld à la Tom Holland zoals hier gesteld wordt), dat is mij te simpel.

  4. Ik zie dit toch ietsje anders. Het lijkt me eigenlijk een accurate postmoderne observatie dat alle geschiedschrijving constructie is. Het verleden zelf is verdwenen, wat rest is ons verhaal over de bronnen en artefacten. Postmodernisme schiet echter door als men dan re-constructie afwijst en zich tevreden stelt met een goed verhaal vertellen. (Ik vraag mij echter af hoeveel doorgedreven postmodernismebelijders zich in hun onderzoek consequent aan hun eigen principes houden.) Het doel blijft m.i. re-constructie, maar met de relativerende noot dat reconstructie ook constructie is en dat geschiedenis een verhaal is (dat evenveel zegt over wie het vertelt als waarover het gaat) en niet het verleden zelf.

    1. Martin

      “dat geschiedenis een verhaal is (dat evenveel zegt over wie het vertelt als waarover het gaat)”

      Dat is overdreven. Zeker voor de laatste paar eeuwen is er veel archiefmateriaal en foto’s etc. Politieke processen zijn dus vaak goed gedocumenteerd.

      1. Uiteraard, maar zodra iemand die documentatie gaat bekijken is er interpretatie en een verhaal. Dat is de menselijke conditie nu eenmaal Het doel van de geschiedkunde is om een zo plausibel mogelijk verhaal van te maken dat zo precies mogelijk rekenschap geeft van het bronmateriaal.

    2. FrankB

      “Het lijkt me eigenlijk een accurate postmoderne observatie dat alle geschiedschrijving constructie is.”
      Deze observatie is geen priviliege van postmodernisme. Typisch postmodern is de bewering dat alle constructies (in de geschiedschrijving of elders) gelijkwaardig zijn, omdat we niet kunnen uitmaken welke constructie beter is dan de andere. Dat nu is aantoonbaar flauwekul, ook in de humaniora. Zie “een Babylonische opstand verzint”, dwz. er zijn geen empirische data die deze hypothese ondersteunen.

  5. Martin

    “Zo plausibel mogelijk” kan ook zijn: niet zo plausibel. De conclusie moet geloofwaardig (plausibel) zijn.

    1. FrankB

      Nee hoor. BCS-theorie wordt nog altijd gebruikt, ook al is ze sinds 1986 niet geloofwaardig meer. Er is tot dusver simpelweg niets beters.
      Dus, zou ik zeggen, doe uw best. Er wacht u een Nobelprijs.

      1. Martin

        Voor veel materialen (electron-fonon) werkt BCS wel.

        Overigens heeft Herbert Fröhlich in 1950 het basis idee voor BCS geleverd, maar hij kreeg de Nobelprijs niet.

        Voor de high-Tc’s niet, dat is waar.

  6. FrankB

    Wat ik oa aardig vind aan Ruslands Oorlog is dat Overy niet goed kan kiezen tussen narrativisme en het zoeken naar verklaringen. Het boek heeft als hoofddoel alle relevante feiten mbt de Sovjet-Unie in WO-2 op een rijtje te zetten. Onontkomelijk is het boek deels een Belangrijke Mannen geschiedenis, met Stalin als Belangrijkste. Toch kan Overy de verleiding van verklaren af en toe niet weerstaan. Dus vinden we

    “het despotische, obscurantistische Azië”
    terug. Ik citeer weer:

    “De geschiedenis van de oorlog is niet goed te begrijpen als deze aspecten van het leven in de Sovjet-Unie veronachtzaamd worden. Een louter feitelijke verklaring van de Russische overwinning is nooit helemaal overtuigend. De geschiedenis van de oorlog laat zich moeilijk beschrijven als j niet onderkent dat zoiets als een Russische ‘ziel’ of ‘geest’ voor het gewone volk te veel betekende om als louter sentimentaliteit afgedaan te worden;”

    “Als gevolg van deze verliezen [Finland, Baltische staten enz. na WO-1 – FrankB] was de nieuwe sovjetstaat minder Europees en meer Aziatisch dan voorheen.”

    Overy geeft wat voorbeelden, waarvan we ons dan weer kunnen afvragen of ze nou zo typisch Russisch zijn.

    Veel interessanter vind ik een andere hypothese en omdat je bezig bent de autobiografie van Zjukov te lezen citeer ik nogmaals:

    “Dat verhaal [van de Russische burgeroorlog na Lenins staatsgreep – FrankB] wordt hier opnieuw verteld, omdat de burgeroorlog niet alleen een centrale rol speelde bij de vorming van de sovjetstaat, maar mede de houding bepaalde van de sovjetleiders en bevelhebbers van het Rode Leger in de oorlog tegen Hitler.”

    Zjukov was rechtstreeks betrokken bij de verdediging van Moskou in 1919, vandaar.

  7. johannesoverduin

    W.F Hermans zag zijn taak als schrijver sterke “beelden” krachtig aan de lezer op te dringen(en daarmee ook zijn al dan niet nihilistisch wereldbeeld).Het is aan de fictie-lezer of hij daarin-tijdelijk- meegaat. De taak van een historicus lijkt met bijna het tegenovergestelde: het juist proberen te ontsnappen aan het leger dwangmatige metaforen die ons voortdrijven, om Nietzsche te parafraseren. En het (post-modernistisch?) besef dat dit nooit helemaal gaat lukken. (Maar die Holland doet niet eens een poging. Integendeel)

    1. Marien

      Nou, dat zit zeker in het segment van de feiten, zelfs als de metingen eerst ‘geïnterpreteerd’ moeten worden. Prachtige vondst!

    2. Zet ik hier vanochtend een link over kasteel Haerlem waarbij de vierkante burcht als een jongere ontwikkeling wordt gezien, hoor ik toevallig van mijn partner dat op BNR vanmiddag exact het tegenovergestelde werd beweerd door een paar mannen die wat rondfietsten in het kader van een kastelentocht. Zij beargumenteerden dat de ronde burcht jonger was in verband met de ontwikkeling van het buskruit, omdat de kogels op het ronde vlak af zouden ketsen.
      De klok en de klepel. Zo komt misinformatie dus ook de wereld in.

  8. Bert Schijf

    “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.” Dat praten doen we lekker toch. Ik geloof onmiddellijk dat er voor de geschiedenis van de oudheid weinig gegevens zijn. Nu zijn missing data ook in andere disciplines bekend. Soms houdt dan alles op. Soms kunnen we toch wel wat. Er bestaan vele manieren om schattingen te maken. Alle Romeinse keizers zullen wel bekend zijn en daar valt van alles over te schrijven. Dat is ook vast gedaan. Interessant voor iedereen die zich met vorsten en keizers door de eeuwen heen bezig houdt. Wat willen we eigenlijk weten moet het uitgangspunt zijn. Dan zoeken we uit of er gegevens over zijn, zowel schriftelijk als archeologisch. Een interessante onderzoeksvraag stellen heeft eigenlijk weinig te maken met een gebrek aan gegevens, lijkt mij. Narratieve geschiedenis stelt geen onderzoeksvraag waarmee vooruitgang kan worden geboekt. Iedereen is uiteraard vrij om zulke boeken toch te lezen. Maar wetenschap is dat niet, zoals Jona Lendering al schrijft.

    1. johannesoverduin

      Ach ja die Wittgenstein…Maar waarover gezwegen werd en wordt moet nu juist wel gesproken worden.

      1. Bert Schijf

        Wittgesteins opmerking is van kentheoretische aard en daar ging het mij om. johannesoverduin heeft het over iets anders. Hij geeft er een moralistische draai aan, als ik hem tenminste goed begrijp.

        1. Johannes Overduin

          Je hebt natuurlijk gelijk,Bert. Het was kennistheoretisch bedoeld. Word een beetje melig van die eeuwige herhaling van Wittgenstein’ s opmerking, waarover je trouwens terecht opmerkt dat men het niet kan laten toch te praten.Mijn draai is overigens niet moralistisch bedoeld. Aandacht b.v
          voor die zaken,waarover men in het verleden NIET sprak kan zeker anachronistische projecties op dat verleden belemmeren.

          1. Martin

            Zolang we kennistheorie serieus nemen gaat het nog vrij goed. Iets anders is dit:

            https://www.jordanbpeterson.com/political-correctness/the-missive/

            In Canada is men helemaal gek geworden. Het is daar een soort communistisch systeem geworden; iets wat waar moet zijn is waar, ook al is het niet waar.

            “I have suspected for years that the STEM fields posed the most dangerous threat possible to the unopposed dominance of politically correct sociological idiocy over the entirety of the university environment, basing their claim to validity on recognition of something approximating a universally accessible objective reality.” En zo is het.

              1. In “Argus” van deze week staat een soortgelijk artikel van Meindert Fennema over de situatie aan de UvA. De pointe is dat de afdeling politicologie een soort collectief excuus heeft moeten maken voor het niet adequaat focussen op interesectionele problematiek.

                Ik denk dat er in het verleden zeker fouten zijn gemaakt. Dat is namelijk inherent aan alle menselijke kennis en de universiteiten zijn er om die uit te drijven. Maar een excuuscultuur bevalt me niet. Willen we tot betere kennis komen, dan moeten we de vrijheid hebben te dwalen. Dat wordt lastiger.

                Bedenk wel: de universiteiten hebben de problemen over zichzelf afgeroepen door niet actiever op te treden tegen politieke beïnvloeding. Toen onlangs de Kamer sprak over de politieke kleur van de diverse universiteiten, en toen de bèta-financiering werd verbeterd doordat de politiek de alfa-financiering besnoeide, had de KNAW collectief behoren af te treden. En alle historici die juichten om een Nationaal Historisch Museum ter bevordering van de nationale identiteit, hadden op staande voet moeten zijn ontslagen. De huidige politisering is mogelijk geworden doordat de universiteiten in een eerdere fase hebben gemeend dat er akkoordjes waren te sluiten.

                Het meest verontrustende stuk academisch geopinieer was het interview met de nieuwe president van de KNAW, Ineke Sluiter, die niets zei wat haar voorganger niet ook had kunnen zeggen, wat haar voorgangers voorganger niet eveneens had kunnen zeggen enz. Men blijft daar in het Trippenhuis maar thee drinken met een ministerie dat al sinds de jaren zeventig consequent problemen veroorzaakt. Al veertig jaar geleden klonken de alarmbellen, de KNAW blijft veel te passief, de samenleving is de dupe.

  9. Martin

    Ik denk dat wat er in Harper’s Bazaar staat iets anders is:

    “The free exchange of information and ideas, the lifeblood of a liberal society, is daily becoming more constricted. While we have come to expect this on the radical right, censoriousness is also spreading more widely in our culture: an intolerance of opposing views, a vogue for public shaming and ostracism, and the tendency to dissolve complex policy issues in a blinding moral certainty.”

    Dus censuur is niet alleen iets van radicaal rechts, maar tegenwoordig vooral iets van links. Het is duidelijk waar dit over gaat. Dat blijkt ook uit dat over “intersectionele problematiek”. Het is een politieke aanval op vrije wetenschap. Alles moet worden uitgelegd in termen van machtsverhoudingen of privileges. Een machtige/geprivilegeerde partij zoals de witte hetero man mag niets zeggen over partijen die lager op de machtpiramide staan, zoals vrouwen, homo’s, zwarten, transgenders, etc. De UvA politicologie maakt dit alleen maar erger door lafjes excuus aan te bieden, dat moedigt de aanvallers alleen maar aan. Nu lees ik vaak dat docenten politicologie nogal afgeven op Trump en Baudet etc, waarbij je je kunt afvragen of zulk commentaar in een college politicologie thuis hoort. Dus die motie Duisenberg ging wel ergens over. Maar omdat die motie zo knullig was geformuleerd kon de KNAW gewoon doen alsof het niet duidelijk was waarover de motie ging.

    Ik heb enige tijd geleden (voorafgaand aan de hoorzitting in April vorig jaar) aan de VVD Tweede Kamer fractie gemailed dat de motie Duisenberg verkeerd was geformuleerd. Wetenschappers mogen, net als alle burgers, uiteraard hun eigen politieke voorkeur hebben, zolang dat maar geen invloed heeft op hun wetenschappelijke werk of onderwijs. Men vroeg mij om voorbeelden in te dienen, en dat heb ik gedaan, vooral uit de humaniora. Dat is ook de reden waarom ik altijd heel kritisch kijk naar de onderbouwing van statistische conclusies. Vooral conclusies met sociaal-economische implicaties zijn gevoelig voor politieke beïnvloeding. Bv is er veel weerstand tegen bv de bewering dat de ongelijkheid in de maatschappij gewoon het resultaat is van ongelijkheid in aangeboren capaciteiten, zodat daar eigenlijk niet veel aan te doen is. Google maar eens naar IQ onderzoek. Peterson zegt niet voor niets dat de politiek correcten vooral niets tegen de STEM vakken kunnen inbrengen. Je kunt wel vinden dat sommige groepen niet voldoende plaats hebben in de STEM vakken op Harvard, maar als je niet de capaciteiten hebt voor een STEM vak dan kom je daar gewoon niet binnen, en zo hoort het ook. Toch zijn er pogingen in de USA om via positieve discriminatie de STEM vakken te slopen.

    Dus die publicatie in Harper’s is wel een teken aan de wand.

    1. Even ter zijde, Martin: probeer iets beknopter te zijn. Deze blog moet ook gemodereerd worden en dat kost best tijd. Jij bent geen problematische auteur, maar ik wil proberen een klimaat te vermijden waarin anderen lange stukken neerplempen die minder doordacht zijn.

Reacties zijn gesloten.