De Rechte Weg

De Rechte Weg in Damascus

Eind vorig jaar ben ik begonnen aan een reeks waarin ik het Nieuwe Testament doorneem zonder me al teveel te bekreunen om latere christelijke interpretaties, terwijl ik wel probeer uit te vissen wat een Joodse lezer ervan zou hebben gedacht. Ik heb geen idee welke kant die reeks op gaat, maar zolang het denkbaar is dat een oudhistoricus in een boek over Petrus wél de westerse tradities bekijkt maar niet de Aramese uitleg of de joodse context, staat de zin van mijn exercitie buiten kijf. Omdat ik de proloog van het Johannesevangelie, het kerstverhaal volgens Lukas en het begin van het Matteüsevangelie al heb behandeld, vandaag Marcus.

Het tweede en eerste evangelie

In uw Bijbel is Marcus het tweede evangelie, omdat de kerkvader Augustinus meende dat het een uittreksel was van Matteüs, het eerste evangelie. In feite is dit het oudste evangelie. Amerikaanse onderzoekers plaatsen het meestal kort na 70 n.Chr. omdat er een voorspelling in staat van de val van Jeruzalem en correcte voorspellingen doorgaans ná de gebeurtenissen worden opgeschreven; Europese onderzoekers denken eerder dat iedereen die de krant las de gebeurtenis kon zien aankomen en plaatsen het evangelie kort voor 70.

Evangelie van… ja, van wie?

De allereerste zin luidt

Het begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God.

Je begint te lezen en je snapt het meteen al niet. Het vijfde woord, “evangelie”, betekent goed nieuws. Maar wat is daarmee bedoeld? Bedoelt Marcus daarmee de boodschap van Jezus zélf (“De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws”: Marcus 1.15) of is het goede nieuws de christelijke, latere boodschap dat wie gelooft in Jezus wordt gered? De tekst is volgens mij ambigu maar misschien dat de classici die deze blog volgen, het weten.

De twee voor Jezus gebruikte titels zijn redelijk probleemloos: Christus, “gezalfde”, is de vertaling van messias, d.w.z. degene die Israël herstelt, en “zoon van God” is geen ongebruikelijke aanduiding van een koningskind (vgl. Psalm 2.7) of een geloofsheld (vgl. Jozef en Asenet 6). Jezus was messias en uit dien hoofde natuurlijk koningskind en geloofsheld tegelijk.

De weg

De twee volgende verzen vormen een expliciet citaat:

Het staat geschreven bij de profeet Jesaja: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen. Luid klinkt een stem in de woestijn: ‘Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!’”

In feite is dit geen regel van Jesaja, maar een combinatie van Maleachi 3.1 en Jesaja 40.3, maar dat is niet zo belangrijk. Veel interessanter is het beeld dat wordt gebruikt, dat van een weg. Dit is in antieke teksten een veelgebruikte metafoor om een verzameling juiste handelingen aan te duiden. Het klassieke beeld, afkomstig van Prodikkos van Keos, is dat van Herakles op de tweesprong, die moet kiezen tussen het smalle pad van de deugd en de brede weg van het verderf.

In een joodse context spreekt men van halacha, wat ook zoiets als “de juiste gang” of “het pad” betekent. God had de joden uitverkoren en gezegend met de Wet, en een jood reageerde op die genade door na te denken over de beste manier om de Wet uit te voeren. Door dit beeld te gebruiken, presenteert Marcus de door Jezus voorgestane ideeën als een van de wegen die een jood kon volgen. Anders dan de Grieken, die het hadden over een smal pad, spraken de joden van een rechte weg. Een voorbeeld is Jubileeën 12.21, waarin Abraham (aan wie niets menselijks vreemd is) God verzoekt het volgen van de rechte weg profijtelijk te laten zijn. (Dat in Damascus een straat was die “de Rechte Weg” werd genoemd, moet voor Joden echt opmerkelijk zijn geweest.)

De weg van Henoch

Ik heb er al vaker op gewezen dat de zogeheten Henochitische literatuur belangrijk lijkt te zijn geweest in het milieu waaruit Jezus voortkwam. In de Gelijkenissen van Henoch wordt de Mensenzoon (die het Laatste Oordeel zal uitspreken) niet alleen gelijkgesteld aan de messias (die Israël herstelt), maar is ook sprake van de weg van de Mensenzoon, gevolgd door mensen die streven naar rechtvaardigheid. Ze verwerven het eeuwig leven, “want zijn weg is een rechte weg voor de rechtvaardigen” (71.17).

Dit is de slotzin van de Gelijkenissen, de pointe waar de auteur al ruim dertig hoofdstukken naartoe werkt. Ik ga ervan uit dat niemand van degenen die het Marcusevangelie voorgelezen kreeg, ervan heeft opgekeken dat in de eerste zin de messias werd geïntroduceerd en dat er in de tweede en derde zin sprake was van rechte wegen. De niet bepaald samenhangende beeldspraken van zalving en wegenbouw behoorden tweeduizend jaar geleden al bij elkaar.

Tot slot

Over de wegbereider zelf, Johannes de Doper, zullen we het nog weleens hebben. Voor het moment verwijs ik nog even naar de gewoonte om joods wijsheidsleraren te presenteren in tweetallen: Elia en Elisa bijvoorbeeld, of Ezra en Nehemia, en vooral de “paren” in het Mishna-traktaat Abot (1.4-16). Daarvan zijn de twee farizese leiders Sjammai en Hillel het bekendst. De messias kon niet zonder wegbereider, Jezus kon niet zonder Johannes.

Om af te ronden wijs ik nog even op de geestige wijze waarop Hubert Lampo De komst van Joachim Stiller begint, een roman over een Christus-achtig figuur: met wegwerkzaamheden.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

17 gedachtes over “De Rechte Weg

  1. Litt. sem. dr., Theol. drs [gepensioneerd semitist]

    Aanbevolen voor deze reeks:

    The Jewish Annotated New Testament
    Amy-Jill Levine and Marc Zvi Brettler, Editors.
    Oxford University Press, 2010 + reprints; xxviii + 635 pp.

  2. Arnold den Teuling

    Ik was geen vijftien meer toen ik veel Vestdijk las en o.m. Vestdijk’s De Kelner en de levenden heb gelezen. De hoofdfiguur is een soort stationschef die ook als een soort messias de mensen (dood of levend? dat lijkt in het midden te blijven) door een labyrint-achtig complex leidt. Absurd verhaal.

  3. Peter Kretzschmar

    Die “Rechte Weg” in Damascus, is dat niet neergedaald uit Koran 1:7, “Toon ons de rechte weg”? ,

  4. Dirk

    In “Het dwaallicht” van Elsschot voelt Frans Laarmans zich verantwoordelijk voor drie Afgaanse zeelui (mannen uit het oosten) die een meisje zoeken (een Maria, nota bene). Hij legt hen de kronkelende weg uit, langs een “geniepige straat met bochten erin”. Zo treedtElsschots hoofdpersonage op als een redder van deze dolenden op zoek naar de vleeswording van hun Mariaboodschap in de Kloosterstraat. Toch ging Laarmans zelf liever “naar huis met mijn krant om aldus een aanvang te maken met het bewandelen van het pad der deugd.” Een schitterende novelle trouwens, die ons doet dromen van café’s en een wereld zonder avondklok.

  5. sara

    Mij bekruipt toch zo langzamerhand het gevoel dat u probeert een historisch-kritische exegese te doen als oudhistoricus, zonder daarvoor de specifieke uitrusting te hebben (theologie, vergelijkende godsdienstwetenschappen, oud- en nieuwtestamentische studie, judaïsme, assyriologie, taalwetenschap, diachrone analyse, enz.). Er worden nu meer vragen opgeworpen dan beantwoord.
    Waarin is de toegevoegde waarde precies gelegen?
    Als ik er helemaal naast zit: I stand corrected.

    1. frayek

      Ik meen in de verte inderdaad ook enkele wenkbrauwen te zien fronsen. (Marcus was al lang vóór Augustinus het tweede evangelie ea). Neemt niet weg dat er in een blog als deze altijd wel interessante ideeën zitten.

    2. Wat is er tegen een niet-theologische, historische analyse van een blogger met een geprezen boek over het jodendom op zijn naam?

    3. Willem van Bentum

      Hoe het ook zij, ik lees deze interpretaties van het Nieuwe Testament met heel veel plezier.

      1. Willem van Bentum

        En als ik dieper wil, met vergelijkende godsdienstwetenschappen, oud- en nieuwtestamentische studie, judaïsme, assyriologie, taalwetenschap en diachrone analyse, bestel ik het aangeraden boek wel:The Jewish Annotated New Testament

    4. frayek

      Een vergelijking met R. Lane Fox, zou dat kunnen? Classicus, historicus… Zijn werk over heidenen en christenen in de late oudheid las ik in één adem uit. Daartoe aangespoord begon ik aan zijn boek over de bijbel. Helaas, daar kom ik niet mee verder. Vergelijking in het voordeel van Jona die dan toch altijd een paar interessante ideeën heeft.

  6. Rik

    De link tussen het laatste vers van de Gelijkenissen en de eerste verzen van Markus vind ik heel treffend.
    Vermoedelijk heeft Markus daar bewust gebruik van gemaakt om aan hen die de Gelijkenissen grondig bestudeerden, een antwoord te bieden: de weg die je zoekt is in dit evangelie te vinden. ‘Hodos’ (weg) komt tweemaal voor in de eerste verzen: in vers 2 (citaat van Maleachi) en in vers 3 (citaat van Jesaja).

    Het evangelie van wie?
    De betekenis van ‘euaggelion’, ‘goede nieuws’, is gewoonlijk eenvoudig af te leiden uit de context. Daar het woord voorkomt in de titel van het werkstuk van Markus, mag verwacht worden dat hij vooral doelt op de universele verspreiding van het evangelie. Maar het subtiele eraan is dat het hier ook slaat op de eerste samenvatting ervan in vers 1:15. Het is een vertrekpunt voor iets wat later in het evangelie steeds duidelijker zal worden. Uiteindelijk is het een Romeinse honderdman, niet zijn leerlingen, die onmiddellijk na Jezus’ dood uitroept dat deze mens een Zoon van God was.
    In Markus komt euaggelion een zevental keer voor. Meer op het einde van het evangelie is de betekenis heel duidelijk: het evangelie moet verkondigd worden onder alle volkeren. Voorbeeld: 13:10, 14:9.
    Ik vermoed dat het vooral Paulus is die de term ‘euaggelion’ sterk heeft gepropageerd, zoals blijkt uit het veelvuldig gebruik ervan in zijn brieven en dat Markus dit heeft overgenomen.

    1. Logisch, lijkt me. De inperking tot bepaalde, geïnspireerd geachte geschriften is een religieuze. Door vooral daarnaar te kijken, kijk je meteen door een christelijke bril. Dat wil een historicus nou net niet.

  7. Martin

    Nog een christelijke interpretatie: https://en.wikipedia.org/wiki/Almah#:~:text=Almah%20(%D7%A2%D6%B7%D7%9C%D6%B0%D7%9E%D6%B8%D7%94%E2%80%8E%20'alm%C4%81h%2C,nothing%20to%20do%20with%20virginity.

    In de 4e eeuw heeft men daar “maagd” van gemaakt, zodat Maria zwanger zou zijn geraakt zonder sexuele interactie, hetgeen zondig zou zijn geweest. Ik las in Herfsttijden van Huizinga dat Jozef tijdens de Middeleeuwen werd uitgelachen omdat zijn vrouw zwanger was geraakt zonder dat hij daarvoor het nodige had gedaan, men wist destijds wel beter.

  8. Theo Joppe

    De eerste zin van Marcus is in het geheel niet ambigu: het is gewoon een normale introductie, in feite het noemen van de titel van het werk (“de goede boodschap van…”). Dan wist de lezer wat voor tekst hij voor zich had. Wel zo handig in de tijd van boekrollen — zie bijvoorbeeld de eerste zin van Herodotus. Wát die boodschap behelst moet de lezer dan in de tekst vinden.

    Ik ben het eerlijk gezegd wel eens met Sara’s bedenkingen. Over Marcus zijn en worden letterlijk boekenkasten volgeschreven, vanuit alle denkbare disciplines. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de auteur hier grasduint, associeert en combineert dat het een lieve lust heeft. Dat vind ik jammer.

Reacties zijn gesloten.