De Joodse Opstand (3)

Een Romeinse aquilifer met de adelaarstandaard van zijn legioen, opgeruimd in een beschermende kooi, klaar voor transport (Apamea)

[Derde deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Onze voornaamste ooggetuige, Josephus, bevond zich op het moment van de moord op de messias Menachem in de tempel in Jeruzalem, naar eigen zeggen omdat hij was gevlucht voor de hysterische massa’s. Maar de tempel was in deze dagen wel de laatste plek om veiligheid te zoeken. Het is mogelijk dat Josephus een van de stedelingen was die in het gezelschap van Eleazar de Tempelwacht korte metten kwam maken met de plattelandsmessias. Zekerheid valt niet meer te krijgen omdat de historicus, als zijn eigen rol in het geding is, vaak nogal creatief omspringt met de feiten. Het gegeven dat hij korte tijd later generaal was en niet moe wordt de tactloosheid van de Romeinse gouverneur te benadrukken, bewijst echter dat er een moment is geweest waarop Josephus sympathiseerde met de opstand.

In elk geval moest hij, zoals elke rijke Jood, weinig hebben van het messianisme, dat de maatschappij wilde veranderen en dus niet in het belang was van de gevestigde orde. Zoals nog zal blijken, had hij ook een persoonlijke reden om te verbergen dat er een rijke theorievorming over de messias bestond. Het resultaat is in elk geval dat de Joodse historicus zijn lezers in het ongewisse laat over misschien wel de belangrijkste factor bij de escalatie: dat veel Joden in de strijd tegen Rome rekenden op bovennatuurlijke bijstand en geen reden zagen compromissen te zoeken.

Enkele dagen na de moord op Menachem gaven de laatste Romeinse hulptroepen in Jeruzalem zich over. Op één man na, die zich liet besnijden en overging tot het Jodendom, werden ze allemaal uitgemoord. Nu was de openbare orde geen zaak meer van de gouverneur van Judea. Diens superieur, gouverneur Gaius Cestius Gallus van Syrië, oordeelde dat de crisis ernstig genoeg was om legionairs in te zetten. Hij mobiliseerde het Twaalfde Legioen Fulminata, versterkte het met hulptroepen en cohorten uit andere legioenen, en rukte op naar Jeruzalem.

Een verschrikkelijke paniek beving nu de rebellen. Velen probeerden nu de stad uit te komen, omdat zij verwachtten dat die elk ogenblik zou worden ingenomen. Het volk vatte daarop weer moed, en hoe meer terrein de schurken toegaven, des te meer drong het aan om de poorten te openen en Cestius als een weldoener te begroeten. Als hij het beleg nog korte tijd had doorgezet, zou hij de stad snel hebben ingenomen. Maar ik denk dat God Zich, vanwege deze schurken, allang had afgekeerd van Zijn heiligdom en Persoonlijk verhinderde dat de oorlog op die dag zou eindigen. (Flavius Josephus, Joodse Oorlog 2.538)

Zo verklaart Josephus Cestius’ aftocht, maar hij zal niet veel mensen hebben overtuigd dat de bevolking van Jeruzalem de Romeinen nu plotseling wilde binnenhalen, of dat God, om Zijn mensen straks harder te kunnen straffen, de gouverneur van Syrië ingaf dat hij beter kon terugkeren. Toen Josephus later een autobiografie publiceerde, liet hij zulke verklaringen dan ook achterwege:

In de strijd die op Cestius’ komst volgde, werd hij verslagen en veel van zijn soldaten sneuvelden. De oorlogszuchtigen kregen hierdoor nog meer moed. Ze verwachtten, nu zij de Romeinen één keer hadden overwonnen, tot het einde toe succesvol te blijven. (Josephus, Uit mijn leven 24; vert. Wes/Meijer.)

Ook hier vertelt Josephus niet de volledige waarheid: dat de verwachtingen van de “oorlogszuchtigen” niet alleen werden geschraagd door een overwinning, maar ook door messianisme. Hun zelfvertrouwen nam nog verder toe toen het terugtrekkende legioen werd overvallen door een andere Eleazar, die aan het hoofd stond van een groepering die bekendstaat als Zeloten, “fanatiekelingen”. Ze maakten Cestius’ schatkist en de adelaarsstandaard buit, de god van de legionairs. Mochten de Romeinen nog tot een compromis bereid zijn geweest, dan was dat nu voorgoed voorbij.

[Wordt vervolgd]