“De wetteloze mens”

Pompeius (Louvre, Parijs)

Een opvallend trekje van de joodse literatuur is het gebruik van bijnamen. In de Dode-Zee-rollen is bijvoorbeeld sprake van een Leraar der Gerechtigheid. Die heeft het aan de stok met een Leugenspuier en een Goddeloze Priester. De auteur die bekendstaat als Trito-Jesaja introduceert een Lijdende Dienstknecht, Daniël voorspelt een Gruwel der Verwoesting en de evangelist Johannes belooft de komst van een Pleitbezorger. De oorspronkelijke toehoorders wisten wel naar wie (of wat) werd verwezen; wij kunnen er hooguit een slag naar slaan.

De vaagheid verhoogde natuurlijk de toepasbaarheid van zo’n tekst. De Gruwel der Verwoesting kan Antiochos IV Epifanes zijn, die de tempel in Jeruzalem betrad en ontheiligde, maar de uitdrukking is op talloze manieren geïnterpreteerd. De Pleitbezorger is wel uitgelegd als Jezus zelf, als de Heilige Geest en als de profeet Mani. Rabbijnen zien in de Lijdende Dienstknecht een verwijzing naar het volk van Israël, christenen herkennen er de messias in. Zonder cynisch te willen zien: de multi-interpretabiliteit van zulke teksten vergrootte de kans dat een toekomstige generatie er iets relevants in herkende, maakte dat men ze diepzinnig vond en droeg bij aan hun status als heilige literatuur.

De Wetteloze Mens

Terug naar de bijnamen. In de Tweede Brief aan de Thessalonicenzen 2.3-12 komen we de Wetteloze Mens tegen. Voor de geadresseerden was dat een bekende.

De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, de mens die gedoemd is verloren te gaan. Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf.  (2.3-4; NBV21)

De auteur weet dat de Wetteloze Mens al actief is maar dat er vooralsnog iemand is die hem ervan weerhoudt zich te vertonen met alle machtsvertoon en bijbehorende valse tekenen en wonderen. Als hij echter eenmaal is verschenen, zal Christus hem door middel van zijn adem doden en vernietigen. Het is verleidelijk bij die Wetteloze Mens te denken aan een soort Antichrist. Alleen is dat nu net een personage uit de brieven van Johannes, terwijl 2 Thessalonicenzen Paulinisch is.

Of toch niet?

Misschien zit het dus anders. We kennen de Wetteloze Mens namelijk ook uit de Psalmen van Salomo. Deze zijn geschreven als reactie op de verovering van Jeruzalem door de Romeinse generaal Pompeius de Grote. God gebruikte hem om af te rekenen met een corrupte elite. De auteur van de Psalmen van Salomo schrijft:

De Wetteloze Mens verwoestte ons land,
zodat niemand het kon bewonen.

Omdat hij een vreemdeling was
en God niet begreep, handelde hij arrogant,
en deed in Jeruzalem wat de heidenen doen
voor hun eigen goden in hun eigen steden. (17.11-14)

Anders gezegd: Pompeius offerde aan zijn eigen goden in de joodse Tempel. Uit de rest van de tekst blijkt dat het Romeinse gezag nog erger was dan de corruptie van de tempel. De auteur van de Psalmen van Salomo hoopt daarom op de komst van de messias.

Als je deze tekst gebruikt ter interpretatie van 2 Thessalonicenzen, krijg je de indruk dat de auteur bij de Wetteloze Mens denkt aan iemand die net als Pompeius het heiligdom onteerde. Dat gebeurde natuurlijk inderdaad tijdens de inname van Jeruzalem in 70. Misschien slaat het dus wel op de Romeinse generaal Titus, die in de volgende jaren klaarstond in de coulissen om zijn vader Vespasianus op te volgen. Geen jood zal met plezier vooruit hebben gezien naar de heerschappij van de verwoester van Jeruzalem.

Wie zal het zeggen? In elk geval: 2 Thessalonicenzen gebruikt een traditioneel joods beeld dat we vaker tegenkomen in teksten over de komst van de messias. Dat de teruggekeerde Christus de Wetteloze Mens doodt met zijn adem, is trouwens eveneens een messiaans motief.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]