
In een Arabische tekst kwam ik het woord layth, tegen, een vrij normaal woord voor ‘leeuw”. Maar dat paste niet in de context, het ging eerder om zoiets als een spin. In het Syrisch, dat stond erbij, heette het aryā dedēbābē, de ‘vliegenleeuw’. En inderdaad, dat moest het zijn. Wij kennen het echter als mierenleeuw.
Mierenleeuw
In de Oudheid bestonden er vrij wat samengestelde dieren. Van de meeste horen we niet meer, maar de mierenleeuw is nog niet uitgestorven. Hij leeft voort als netvleugelig, nachtactief insect: Myrmeleon formicarius, uit de familie der mierenleeuwachtigen (Myrmeleontidae).
Als gevleugeld insect is het één onder velen. Uitzonderlijk is echter de larve van dit dier. Om prooidieren te bemachtigen graaft de kleine larve een trechtervormig kuiltje in zand of losse grond. Als er een spin of mier komt aangelopen en op de helling van het trechtertje belandt kan hij niet meer terug; de larve gooit met zijn pootjes nog wat zand omhoog, het prooidier zakt verder naar beneden en wordt vermorzeld tussen sterke larvenkaken.
De naam
Mij hield even de vraag bezig waar de naam ‘mierenleeuw’ resp. Ameisenlöwe, ant-lion, vandaan komt. Een leeuw is ook een roofdier, zeker, maar heeft verder toch weinig gemeen met dit diertje: niet in afmetingen en niet in gedrag.
Het diertje is niet zeldzaam en is overal de mensen opgevallen door zijn jachttechniek. De oude Grieken hebben het zeker gekend, maar bij Aristoteles heet het (misschien) λύκος, lykos, ‘wolf’, wat ook moeilijk te begrijpen is.noot De naam ‘mierenleeuw’ blijkt terug te gaan op de Bijbel, om precies te zijn op de Griekse vertaling der Septuaginta van Job 4.11. In onze Nieuwe Bijbelvertaling luidt het vers:
De leeuw gaat zonder prooi te gronde, de jonge leeuwen zwerven hongerend rond.
De Hebreeuwse tekstnoot heeft hier twee woorden die allebei ‘leeuw’ betekenen: layish en lavī. Het Nederlands heeft er maar één woord voor. Twee maal ‘leeuw’ in hetzelfde vers is niet zo mooi, maar gelukkig bieden de jonge dieren wat variatie. De Griekse bijbelvertalers vonden tweemaal ‘leeuw’ blijkbaar ook niet mooi: zij hebben het eerste ‘leeuw’ vertaald met μυρμηκολέων (myrmēkoléōn), inderdaad letterlijk ‘mieren-leeuw,’ wat dat ook mag betekenen.noot (De Latijnse Vulgaat zou er later helemaal een potje van maken: die vertaalt het met tigris, ‘tijger’. Leeuwen en tijgers doen het altijd goed samen in teksten; vandaar.)
Herodotos
Wat hebben die Grieken bij hun vertaling gedacht, wat voor beest hebben zij zich voorgesteld, en hoe is de benaming blijven hangen aan die gemene larve? Ik heb het (nog) niet kunnen vinden, u misschien? Een tekst die heel misschien wat verder helpt is Herodotos (± 485–425 v. Chr). Daar gaat het over een woestijn in Indië, waar de mensen gouddeeltjes winnen uit het zand dat door zeer grote mieren wordt opgeworpen:
In die woestijn komen mieren voor die wat kleiner zijn dan honden, maar groter dan vossen. Enkele stuks zijn gevangen en die leven in de diergaarde van de Perzische koning. Die mieren maken hun hol onder de grond en graven precies als de Griekse mieren, waar ze sprekend op lijken. (vert. Hein L. van Dolen.)noot
Hier zijn tenminste reusachtige ’mieren’ (μύρμηκες, myrmikes), al bereiken ze lang niet het formaat van een leeuw. Van Dolen oppert dat er misschien aan de Tibetaanse marmot gedacht is, ‘maar het kan net zo goed een fantasiedier zijn’.
Physiologus
Dat laatste geldt eigenlijk ook voor de bijbelse mierenleeuw. Indiërs die goud afpakken van grote mieren worden overigens ook vermeld bij Timotheos van Gaza (± 500).noot De Griekse naam myrmēkoléōn komt voor zover ik kon nagaan niet voor in Griekse teksten die ouder zijn dan de bijbelvertaling, en daarna alleen mondjesmaat in christelijke of door het christendom beïnvloede teksten.
Het tweede-eeuwse, christelijke dierenboek Physiologus vertelt over dit dier:
Toen nam Elifaz, de koning der Temanieten, het woord: […]: ‘De mierenleeuw gaat zonder voedsel te gronde.’
De Physiologus zegt: De mierenleeuw is aan de voorkant als een leeuw, maar aan de achterkant als een mier. Het vaderdier vreet vlees, de moeder knabbelt peulvruchten. Wanneer zij nu een mierenleeuw ter wereld brengen doen zij dat als een wezen met een tweevoudige natuur: Het kan geen vlees eten wegens de natuur van zijn moeder en geen peulvruchten wegens de natuur van zijn vader; dus gaat het te gronde omdat het geen voedsel vindt.
Zo is het Bijbelvers ‘verklaard’. Hoe het verder moet met het voortbestaan van de soort interesseert de auteur blijkbaar niet. Wilt u de preek ook nog horen? Komt ie:
Zo is ook een man met twee zielen onbestendig op al zijn wegen (Jak. 1:7v). Met moet niet op twee paden wandelen, noch met dubbele tong spreken bij het gebed. Wee namelijk, zo heet het, een gespleten en zondig hart dat twee paden bewandelt (Sirach 2:12). Het is niet mooi, ‘ja, nee’ of ‘nee, ja’ te zeggen, maar laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee, zoals onze Here Jezus Christus gesproken heeft (Matt 5:37).
Mooi heeft de Physiologus dus over de mierenleeuw gesproken.noot
Vindt hij zelf! Er zijn ogenblikken dat ik het betreur dat het christendom de westelijke wereld heeft veroverd. Maar ja, daarvóór zaten ze met veel meer goden, keizerverering, bloedbaden in arena’s en een stuk minder naastenliefde.
[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op de eigen blog van Wim Raven.]

Wat een leuke observatie! Dank voor het delen.
Jammer: deze weblink bestaat niet meer; https://www.soortenbank.nl/soorten.php?soortengroep=insecten&id=435
Dubbel jammer, want de soortenbank heeft wel degelijk een functie.
Vriendelijke groet,
Het verdwijnen van de soortenbank is zeker jammer!
Er bestaat nog wel een “soortzoeker” voor de Nederlandse mierenleeuwen (niet zo moeilijk want er zijn maar 2 soorten):
https://determineren.nederlandsesoorten.nl/linnaeus_ng/app/views/matrixkey/index.php?epi=123