
Op zondag blog ik meestal over het Nieuwe Testament. Die tekst is geschreven in het Grieks door mensen die voortdurend verwijzen naar oudere religieuze literatuur. Een fors deel kennen we uit de joodse Bijbel ofwel de Tenach ofwel het Oude Testament. Onze tekst van dat heilige boek gaat terug op Hebreeuwse originelen, de taal waarin deze literatuur nu eenmaal is geschreven. Het probleem is nu dat de auteurs van het Nieuwe Testament de joodse literatuur lazen in een Griekse vertaling, de Septuaginta. De tekst daarvan wijkt op sommige punten af van de op Hebreeuwse teksten gebaseerde Bijbel zoals wij die kennen.
Verschillen
Eén voorbeeld: Goliat is in de gebruikelijke Hebreeuwse tekst (“de masoretische traditie”) zesenhalve el lang maar in de Griekse versie vierenhalve el.noot In de Hebreeuwse tekst is het een reus van drie meter, in de Griekse tekst meet ’ie net iets meer dan twee meter. Ook de Dode-Zee-Rollen noemen vierenhalve el. Je krijgt de indruk dat de gebruikelijke Hebreeuwse tekst teruggaat op een origineel met een vergissing. Je kunt dus niet zomaar de Hebreeuwse tekst als de meest betrouwbare accepteren.
Er is een tweede complicatie. De oudste handschriften van de gebruikelijke Hebreeuwse tekst zijn middeleeuws, terwijl de manuscripten van de Septuaginta veel ouder zijn. De belangrijkste handschriften, de Codex Sinaiticus en Codex Vaticanus, dateren uit de vierde eeuw. Er zijn bovendien veel meer Griekse handschriften. Cru geformuleerd: de Hebreeuwse handschriftentraditie mag dan de originele taal weergeven, de Griekse handschriftentraditie is ouder. Dankzij de Dode-Zee-Rollen zijn beide tradities al gedocumenteerd voor de twee eeuwen v.Chr., en er blijken nog drie andere tradities te zijn geweest. De vraag “wat is de originele tekst?” was al in de tweede eeuw v.Chr. onbeantwoordbaar.
De legende van de Septuaginta
We weten dat erover is gediscussieerd. We beschikken namelijk over een tekst die bekendstaat als de Brief van Aristeas, waarin we lezen dat de Ptolemaïsche koning Ptolemaios II Filadelfos (r.282-246) voor de Bibliotheek van Alexandrië een vertaling wilde hebben van de Wet van Mozes, dus de Bijbelboeken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Tweeënzeventig vertalers vertaalden in tweeënzeventig dagen de hele Wet, voegden er later de rest van de joodse Bijbel aan toe en werden beloond met vorstelijke geschenken. De naam Septuaginta is een afkorting van septuaginta interpretes, “zeventig vertalers”. De gangbare afkorting is LXX.
Als er een historische kern in deze legende is, is het dat de joden in de hellenistische metropool Alexandrië in de eerste helft van de derde eeuw v.Chr. een vertaling nodig hadden. Een latere legende vervolgt met de constatering dat de vertalers onafhankelijk van elkaar dezelfde tekst hadden geproduceerd – een duidelijk bewijs dat de vertaling door God was geïnspireerd en dat mensen er geen kritiek op mochten hebben.
Eén vertaling?
Goddelijke inspiratie of niet, de handschriften van de Septuaginta verschillen onderling nogal. Het lijkt erop dat de Wet inderdaad in één keer is vertaald, maar dat al heel erg snel verschillen zijn ontstaan. Dit is een nette manier om te zeggen dat latere kopiisten snel en slordig te werk zijn gegaan, wat weer een aanwijzing is voor een grote behoefte aan manuscripten. De rest van de joodse Bijbel, waarvan ook de legende zegt dat ze niet bij de oorspronkelijke opdracht hoorde, is vermoedelijk later vertaald, in de tweede eeuw v.Chr.
Tot slot: het is makkelijk de verschillen tussen de Griekse en de Hebreeuwse tekst te overdrijven. Een boek als Ester is in het Grieks langer (en vromer) dan in het Hebreeuws, de Griekse Daniël is ook wat langer dan het origineel (dat Hebreeuws en Aramees afwisselt). Maar grosso modo zijn de verschillen niet heel belangrijk. Of de profeet Jona nu drie dagen doorbracht in de buik van de grote vis, zoals de Hebreeuwse tekst wil, of veertig, zoals we lezen in de Septuaginta, dat maakt niet zoveel uit. Ik zoek overigens nog naar de naam van de kerkvader die, geconfronteerd met de discrepantie, grapte dat het slechts drie dagen duurde maar dat het er voor Jona wel veertig leken.
Zelfde tijdvak
De Tyche van Antiochiëjanuari 14, 2023
Hoe bestuur je een wereldrijk? (1)april 8, 2020
Despotes hipponapril 22, 2025

” Of de profeet Jona nu drie dagen doorbracht in de buik van de grote vis, zoals de Hebreeuwse tekst wil, of veertig, zoals we lezen in de Septuaginta, dat maakt niet zoveel uit”
In zekere zin zijn drie en veertig synoniem. Ze geven een periode van voorbereiding aan waarna iets voltooid is. Beide getallen komen veel voor in deze betekenis.
Beoordeel een getal in de Bijbel nooit (alleen) op zijn numerieke waarde, want dan zit je vrijwel altijd fout.
Gabriël Cohen schrijft in zijn academisch proefschrift ‘Das Buch Jona im Lichte der Biblischen Erzählkunst’ 1969, op blz 58 (met literatuuropgave) “dass die Zahlen drei und vierzig in der Bibel immer wiederkehren und einen symbolischen Charakter haben”.
https://brill.com/display/title/35774
De getallen worden z.i. niet als “informative Zeitangabe” genoemd, maar willen veeleer “zum inneren Verständnis des Erzählten beitragen”.
NB in het oude Egypte geeft het getal 3 (geschreven met 3 streepjes) het meervoud aan, maar tevens de volheid, de compleetheid.
Een tijdje geleden heb ik Italiaanse versies van een psalm door de Joodse componist Salomone Rossi (ca. 1570-1630, werkzaam aan het hof van Mantua) vertaald voor een muziekuitvoering. Daarbij bleek mij dat die versie uit de vulgaat of de septuagint was vertaald. Rossi heeft ook Hebreeuwse psalmen op muziek gezet. Ik weet niet of hij zelf de Italiaanse versies heeft gemaakt of dat een ander dat heeft gedaan.
Interessant!
https://en.m.wikipedia.org/wiki/Salamone_Rossi
Goliath was toch zes ellen ‘en een span’ lang? 😉
De hebreeuwse tekst en de Septuaginta zijn het er wel over eens dat Jona drie dagen (en nachten) in de buik van de vis zat. Ze verschillen van mening over de tijd die Ninive kreeg om zich te bekeren: volgens de Hebreeuwse tekst waren dat veertig dagen, maar de Septuaginta zet er met drie dagen wat vaart achter. En Augustinus zou Augustinus niet zijn als hij er, in De stad Gods XVIII,44, niet een mooie draai aan wist te geven.