
Nee, helaas, het bovenstaande reliëf. dat momenteel te zien is op de Paestum-expositie in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden, is nep. Het is een afgietsel van een reliëf dat ooit deel uitmaakte van een tempel, gewijd aan de Griekse godin Hera, te vinden bij de monding van de rivier de Sele. (Voor de liefhebbers: het is een metope, een onderdeel van het fries op de dwarsbalk van in Dorische stijl gebouwde tempel.) Het reliëf stelt Herakles voor, die de twee Kerkopen meeneemt.
Wie zijn dat nou weer?
In de klassieke traditie verrichtte de halfgod Herakles twaalf min of meer canonieke werken, maar er waren destijds veel meer verhalen in omloop. Eén van de oudste betrof twee kobolden, broertjes, die allerlei kattenkwaad uithaalden. Er was weinig waar ze bang voor waren, al had hun moeder hen gewaarschuwd voor een zekere Melampygos. Toen Herakles op een dag lag te slapen in de schaduw van een boom, probeerden ze zijn wapens te stelen, maar de mannetjesputter werd wakker en hing ze ondersteboven aan een juk over zijn schouders. Zie boven. Terwijl hij ze zo wegvoerde, herkenden ze zijn donkere billen (Grieks: melampygos), waarover ze allerlei grapjes maakten. Daar moest Herakles zo om lachen, dat hij ze maar liet gaan. Sindsdien heet een mannetjesputter in het Grieks een zwartbilman.
Dat is het verhaal – maar het is pas opgeschreven in de Romeinse keizertijd. Uit de eerdere periode hebben we alleen afbeeldingen, die er niet goed bij passen. Zo is er een afbeelding waarin Herakles de Kerkopen in een mand komt afleveren bij koning Eurystheus, die meestal optreedt als de opdrachtgever van de twaalf canonieke werken. Er is weinig fantasie nodig om te zien dat er een verhaaltraditie is geweest waarin het vangen van de Kerkopen niet een toevallig “klein” werk was, maar behoorde bij het “grote” dozijn.

We kennen meer versies, zoals het verhaal dat Zeus de Kerkopen laat verstenen als ze hem proberen te bedriegen. Het woord Kerkopen, “staartmensen” was de aanleiding voor een verhaal, te vinden bij de Romeinse dichter Ovidius, waarin Zeus de twee broers veranderde in apen. De variatie in de verhalen, overgeleverd als tekst of als beeldende kunst, is alleen maar te verwachten in een samenleving waarin informatie voornamelijk mondeling rondgaat. Ook de locatie varieerde. In de zesde eeuw v.Chr. was er zeker een traditie die het verhaal plaatste bij een rots ten oosten van Thermopylai, maar later speelde het verhaal in Klein-Azië.

Het reliëf uit Paestum is gemaakt rond het midden van de zesde eeuw v.Chr. en documenteert een vroege versie. We hebben een bijna identieke afbeelding uit Selinous en er is wel geopperd dat beide kopieën zijn van een origineel uit het moederland, maar eerlijk gezegd vind ik de verschillen toch ook wel opvallend, dus eigenlijk geloof ik het niet helemaal.
***
De expositie Paestum, stad van godinnen in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden duurt nog tot en met 25 augustus. Parallel ermee zijn een tentoonstelling over Romeinse landhuizen in het Nederlandse deel van Limburg en een expositie over de verzamelgeschiedenis van twee Egyptische reliëfs.
Zelfde tijdvak
De joodse Diaspora (2)mei 12, 2024
Agrigentojuni 19, 2014
Joodse literatuur (2): Na de ballingschapjanuari 8, 2023

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.