Vorige keer hebben we de tekst van de Collatio onder de loep genomen. We weten vrijwel zeker dat die is gestructureerd aan de hand van de Tien Geboden. We weten ook zeker dat het doel van de compilatie is om de overeenkomsten te laten zien tussen de Mozaïsche en de Romeinse wetten. De identiteit van de collator is moeilijk vast te stellen, maar het lijkt waarschijnlijk dat hij een christen was.
Waar?
Als we op zoek gaan naar waar de Collatio is geschreven, leiden de sporen alle kanten op. De mogelijke verbanden met de Codex Theodosianus suggereren een oostelijke plaats van oorsprong, maar de overgeleverde handschriften duiken juist op in Italië, Oostenrijk en recent nog Kroatië. Uiteindelijk lijkt Rome zelf de meest waarschijnlijke kandidaat, al is dat eerder een geleerde gok dan een echte vondst.
In het vorige stukje hebben we gezien hoe eerdere wetenschappers de puzzel van de Collatio hebben gelegd. Toch hebben we geconcludeerd dat we weinig zeker weten over wie het geschreven heeft, waar, wanneer, of waarom. In dit artikel wil ik graag de tekst zelf bekijken, met de nadruk op de inhoud van de tekst en de identiteit van de auteur. We houden ons nu dus vooral bezig met het “wat” en het “wie”. In het volgende stukje kunnen we ons dan focussen op de plaats, het doel en de tijd waarin hij schreef. Zeg maar het “waar”, “waarom” en “wanneer”.
Wat?
We hebben al gezien dat de Collatio een juridisch vergelijkend document is dat Romeinse wetten naast Mozes’ wetten plaatst, met als doel gelijkenissen aan te tonen. Het is dus geen wetboek met geboden en verboden, maar eerder een verzameling teksten die overeenkomsten tussen Bijbels en Romeins Recht wil aantonen.
Een lid van de Romeinse ordetroepen (Nationaal Museum, Rome)
In het vorige blogje introduceerde ik de Derde Satire van Juvenalis (ca.60 – ca.135), waarin de dichter het leven hekelt in de woonwijken van Rome. Het door Juvenalis opgevoerde personage had een hekel aan buitenlanders, maar dat was niet zijn enige bezwaar tegen de grote stad. In het vervolg beschrijft Juvenalis de rest van de stedelijke ellende, zoals het lawaai. De vertaling is van Marietje d’Hane-Scheltema.
…Het volk
lijdt hier, ja sterft aan slaapgebrek, een kwaal
die gepaard gaat met slechte spijsvertering
en zuur en maagkramp, omdat huuretages
geen slaap gedogen. Nachtrust is in Rome
slechts rijkelui gegund. Vandaar die kwalen…
Het wielgeratel in de kronkelstraten,
het schelden van het opgepropt verkeer
houdt Jan en alleman wakker.
In het eerste stukje legde ik uit dat het Romeins Recht uiteenlopende bronnen had en in het tweede stukje toonde ik hoe rechtsgeleerden steeds meer zochten naar systematiek. Rond het midden van de derde eeuw na Chr., toen het Romeinse Rijk door een crisis ging, kwam er een tijdelijk einde aan deze rechtspraktijk. Wat dit in feite betekende, is moeilijk te achterhalen, maar het is opvallend hoe weinig documentatie we hebben uit deze periode. Vermoedelijk dateren de eerste codices, privéverzamelingen voor deze of gene provincie, uit deze tijd. Het was pas keizer Constantijn die zich weer om het Romeins Recht bekommerde en enkele rechtsgeleerden aanwees wier adviezen voortaan rechtskracht hadden. Dit staat bekend als de Citeerwet maar feitelijk was het een constitutie of, zo u wil, een decreet.
De vierde en vijfde eeuw
De tweede helft van de vierde eeuw is wel getypeerd als een renaissance en inderdaad werden allerlei oude teksten gekopieerd. Dat gold ook voor rechtsgeleerde teksten: ze werden, soms als samenvatting en altijd met aanpassingen (bijvoorbeeld aan het vernieuwde muntstelsel), opnieuw gepubliceerd. Sommige compendia hebben we over, zoals de Sententiae (“adviezen”) van Julius Paulus van Emesa en de Epitome (“samenvatting”) van Ulpianus van Tyrus. Deze laatste was overigens juridisch adviseur geweest van de keizers Caracalla (r.211-217) en Severus Alexander (r.222-235). We hebben zijn werk dus over in een vierde-eeuwse vorm. Ongetwijfeld zijn die benut in de rechtsscholen, zoals de beroemde instelling in Beiroet, dat zich tot op de huidige dag presenteert als nutrix legum, “de voedster van de wetten”.
Enkele Romeinse juristen op een reliëf uit het Palazzo Massimoin Rome. Het hoofd van de man links van het midden is vervangen door het portret van keizer Gordianus III.
Op het vorige Romeinenfestival in Nijmegen ontmoette ik Rick Verhagen, hoogleraar Romeins Recht aan de Radbouduniversiteit. Ik heb, sinds mijn eigen leermeester Pieter Willem de Neeve me in enkele geheimen inwijdde, altijd plezier beleefd aan de oude juridische teksten, die behoren tot de grootste schatten van informatie over de Romeinse wereld.
Op die zomerse dag vertelde Verhagen me dat hij inzichten uit de systeemtheorie wilde gebruiken om de ontwikkeling van het Romeins Recht te beschrijven. Dat trof me, want systeemtheorie is vermoedelijk de enige manier om én het verleden te beschrijven als proces van voortdurende verandering én onderscheid te maken tussen belangrijk en onbelangrijk. Daar wilde ik meer van weten en we spraken af dat we een afspraak zouden maken. Een paar weken geleden werd dat een echte afspraak en zo zat ik gistermiddag in het nieuwe gebouw van de Nijmeegse rechtenfaculteit om beter kennis te maken.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.