
Toen keizer Diocletianus zich in 305 na Chr. terugtrok in zijn nieuwgebouwde, schitterende paleis in Spalato (Split), kon hij terugkijken op een succesvol keizerschap van zo’n twintig jaar. De splitsing van het veel te grote, onoverzichtelijke rijk in twee delen was al een huzarenstukje, de monetaire hervormingen, hervormingen binnen het leger en daarmee samenhangende veranderingen in de totale rijksadministratie, droegen enorm bij aan zijn roem. Verder liet hij nog een gigantisch badhuis na aan de stad Rome, waarvan we nu nog de indrukwekkende resten zien, nabij het Stazione Termini. Diocletianus kon rustig boontjes en bloemen gaan kweken in zijn tuin in Split, zoals vaak beweerd wordt.
Een leven vol roem voor de boeg
Een keizer die het einde van zijn leven zonder moord of doodslag haalde mag je al een bijzonderheid noemen, maar dat kon alleen als hij voor 120% kon vertrouwen op zijn persoonlijke lijfwacht. En daar deed zich aan het eind van de derde eeuw een probleem voor: ondanks ook door Diocletianus gepropageerde vervolgingen van die rare christenen, die weigerden om de keizer als de belangrijkste vertegenwoordiger van de boven hen gestelde machten te vereren, was er een commandant van die garde die juist dat verfoeide geloof aanhing: Sebastianus.
Deze man, over wiens vroege leven we erg weinig weten, was opgeklommen in de rangen van de garde en bezette een belangrijke positie. We weten zelfs niet precies waar en wanneer Sebastianus geboren is: sommigen zeggen in Gallia Narbonensis, anderen zeggen in Milaan – met als waarschijnlijk geboortejaar ergens rond 255 na Chr. De meest betrouwbare bron lijkt Ambrosius van Milaan (339-397) te zijn, die zich (misschien?) baseerde op een vroege hagiografie door ene Furius Dionysius Filocalus. Ook deze “biografie” verscheen echter pas minimaal zeventig jaar na de dood van Sebastianus, wat de betrouwbaarheid ervan natuurlijk wat betwijfelbaar maakt.
Gesneefd vanwege het geloof
Wat we vermoeden te weten van Sebastianus is dat hij – als lid van de keizerlijke lijfwacht – al vroeg vervolgde christenen in bescherming nam, en ook heidenen bekeerde. Toen uitkwam dat hij zowel een waardevol commandant als een soort missionaris was, konden ontslag uit dienst en een martelaarsdood niet uitblijven: de keizer gaf het bevel om Sebastianus naar een open veld te voeren, hem aan een boom vast te laten binden en door middel van pijlen te doden. Aldus geschiedde, en met een op veel plaatsen doorboord lijf – “als een egel vol met stekels” volgens een hagiografie – liet men hem ter plekke voor dood achter.
Irene, de weduwe van Castulus (een eveneens bekeerde gardist), trof Sebastianus echter nog in leven aan en nam hem mee naar huis om hem daar te verzorgen, tot hij weer in staat was om… eens lekker te schelden op Diocletianus, die volgens de legende door de toekomstige heilige ergens in Rome in een trapportaal werd aangesproken op diens hardvochtige vervolgingen.
Diocletianus was natuurlijk verbaasd over de “herrijzenis” van Sebastianus, maar twijfelde niet en gaf bevel hem nu maar tot moes te slaan met knuppels. Aldus geschiedde, het lijk van Sebastianus werd in het riool gesmeten en dreef richting de Tiber. Daar werd Sebastianus (of wat er nog van hem restte) opgevist door ene Lucina, die het in één van de catacomben langs de Via Appia liet begraven.

De relikwieën
Of de resten van Sebastianus nog steeds in die catacomben aanwezig zijn wordt betwijfeld. Er zijn verhalen over het cadeau geven van de stoffelijke resten aan de abt van Saint-Denis (in de negende eeuw), maar ook dat de schedel (of beter: het schedeldak) van de heilige in de tiende eeuw is gedoneerd aan de Benedictijner abdij van Ebersberg in Duitsland, waar men er de miswijn in schonk. De relikwiehouder met het schedeldak werd op de feestdag van Sebastianus (20 januari) aan de bezoekers van de abdij getoond (en waarschijnlijk werd de miswijn er ook uit gedronken door de celebrerende priesters).
Wie vereren Sebastianus, en waarom?
Gewoonlijk wordt aan heiligen iets gevraagd of worden heiligen gebruikt door bepaalde beroepsgroepen als een symbool voor het werk, uitgevoerd door die groep. Bij Sebastianus is dat een inmiddels kleine reeks van beroepsgroepen geworden: boogschutters, speldenmakers en atleten. Daarnaast werd en wordt Sebastianus aangeroepen bij epidemieën, bijvoorbeeld tijdens de pestepidemie van 1347-1350. Dat laatste deelt hij met minstens vier andere zogenaamde “pestheiligen”: de heilige Rochus, de heilige Kosmas en Damianos, de heilige Rosalia – om er maar enkele te noemen. Onbekend is of er tijdens de corona-epidemie ook een beroep gedaan is op Sebastianus’ hulp, maar het zou niet hoeven te verbazen als dat wél het geval zou zijn geweest.

De beroepsgroepen vereren hem nog. Wie met de trein van het noorden naar Zwolle rijdt zal, vlak voordat het station van Zwolle bereikt is, aan de rechterzijde van het baanvak een veldje zien met wat schotten (ter bescherming tegen afzwaaiers), op de plek waar leden van de boogschuttersvereniging van Sint-Sebastiaan hun hobby uitoefenen. Dat speldenmakers (een zo goed als uitgestorven beroep) Sebastianus als beschermheilige kozen mag ook niet verrassend heten, gezien het eerste ellendige lijden dat hem destijds te wachten stond. Maar atleten?
“Lgbti-heilige” Sebastianus
De talloze afbeeldingen van Sebastianus en diens marteling door middel van pijlen, in het verleden en tot in het heden geproduceerd, hebben Sebastianus een ideaal onderwerp gemaakt voor schilders, beeldhouwers, filmmakers, toneelschrijvers, die iets met homoseksualiteit – of tenminste: het (bijna-)naakte mannelijk lichaam – wilden uitbeelden. Het blijft merkwaardig om afbeeldingen van Sebastianus in met name kerken in Zuid-Europa aan te treffen. Immers: hier wordt naaktheid onomwonden getoond.

Het was natuurlijk een mooie gelegenheid voor schilders als Sodoma (!), Mantegna, Rubens, El Greco om te laten zien dat ze de anatomie van het mannelijk lichaam goed in de vingers hadden. En als er één tak van vrijetijdsbesteding is waarin het lichaam een belangrijke rol speelt is dat natuurlijk de atletiek. Het mag overigens wellicht verbazing wekken dat niet ook de Olympische duiksport al voor Sebastianus als “beschermheilige” gekozen heeft.
Diocletianus zou het in zijn tijd ongetwijfeld afgekeurd hebben, maar in de eeuwen daarna is Sebastianus tot een door velen geliefde heilige uitgegroeid.
[Een gastbijdrage van Han Borg. Dank je wel Han!]
Zelfde tijdvak
Rotsreliëfs aan de Indusmei 7, 2022
Dikke gladiatoren (3): Discussieapril 10, 2024
Offerverklaringseptember 2, 2018

“hervormingen binnen het leger”
Dat moeten we niet zo scherp leggen. Sommige van die ‘hervormingen’ waren al decennia eerder ingezet, van andere weten we dat ze nog na een halve eeuw plaatsevonden.
Eigenlijk weten we niet eens of Diocletianus wel opdracht heeft gegeven voor enige militaire hervormingen, of dat die pas onder Constantijn vaart kregen.
Voor wie weten wil welke hervormingen dit waren: vaak gaat het bij de historici om de verandering van het oude concept (legioenen versus hulptroepen) naar een nieuw concept (grensleger versus mobiele reserve).
Maar daar mag u direct allerlei grijze gebieden omheen bedenken, zoals de mist van de afgelopen dagen. Want het Romeinse leger had er geen problemen mee dat oude en nieuwe varianten meer dan een eeuw gezellig naast elkaar bestonden.
“Diocletianus kon rustig boontjes en bloemen gaan kweken in zijn tuin in Split, zoals vaak beweerd wordt.”
Volgens Aurelius Victor (Epitome de Caesaribus) zou Diocletianus, in antwoord op de smeekbeden om toch vooral weer terug te keren uit zijn pensioen, hebben geroepen: “Als je de kool die ik met mijn eigen handen heb geplant aan je keizer zou kunnen laten zien, zou hij zeker niet durven suggereren dat ik de vrede en het geluk van deze plek zou vervangen door de stormen van een nooit bevredigde hebzucht.”
Ik heb het altijd een leuke anekdote gevonden. Dat ze verdacht mooi overeenkomt met oud-Romeinse deugden à la Cincinnatus, is geen bezwaar.
Dat zou Horatius enthousiast beamen met het Latijnse equivalent van “hear, hear”.
Broeva! Haro!
Dat is eerder Gallisch.
“een commandant van die garde die juist dat verfoeide geloof aanhing”
Het zou waar kunnen zijn. Maar christelijke bronnen plaatsen wel vaker een militaire martelaar in een hoge functie. Zoals Mauritius, blijkbaar ‘aanvoerder’ van het fameuze ‘Thebaanse legioen’. Of Martinus van Tours, onze Sinte Maarten, die keizerlijk gardist of zelfs regionaal gouverneur zou zijn geweest. We kennen er meer, waarvan de bron (veel) later en de bewering niet onafhankelijk controleerbaar is.
Waarom de twijfel? Vanwege een andere trend van die zelfde soort bronnen, waar het gaat om het lot van sommige christen vervolgende keizers die in handen van hun vijanden gevallen waren. Hun duidelijk overdreven gruwelijk lot nergens overeenkomt zou een zelfde motief kunnen blootleggen dat de positie van de militaire heiligen overdrijft.
Maar misschien is het allemaal echt gebeurd. 🙂
Dat is het leuke van die heiligenlevens: er is een historische kern (nou ja, vaak dan, niet per se voor Sint-Jeroen van Noordwijk) maar die historische kern is volkomen overwoekerd door later toegevoegde standaardmotieven. Het spel is feit en fictie te scheiden, en dat is een spel dat niet te winnen is en dus eindeloos verrassend blijft.
Over multifunctioneel gesproken: een van de mooiste moderne hergebruiken van Sint Sebastiaan is bij Marcel Proust, in zijn portret van de snob Legrandin.
‘En als ik hem vroeg: “Kent u de Guermantes?” dan antwoordde de praatgrage Legrandin: “Nee, ik heb nooit de behoefte gehad om hen te leren kennen.” Helaas antwoordde hij pas als tweede, want een andere Legrandin, een die hij zorgvuldig diep in zichzelf verborgen hield, die hij nooit toonde, omdat die Legrandin alles wist over het snobisme van onze Legrandin, – deze andere Legrandin had dan al geantwoord door de gewondheid in zijn blik, door de verkramptheid van zijn mond, door de te ernstige toon van het antwoord, door de duizend pijlen die onze Legrandin in een ogenblik hadden doorregen en gevloerd, als een Sint Sebastiaan van het snobisme: “Helaas, kwel me niet! Nee, ik ken de Guermantes niet, leg de grootste smart van mijn bestaan niet bloot!”’
Een treffende verbeelding van St.-Sebastiaan als pestheilige alhier: https://nl.wikipedia.org/wiki/Pest_(ziekte)#/media/Bestand:Josse_Lieferinxe_-_Saint_Sebastian_Interceding_for_the_Plague_Stricken_-_Walters_371995.jpg. We zien de martelaar doorboord en wel voorspraak doen bij God de Zoon, die op zijn beurt God de Vader zal vragen de pest te doen ophouden. Zoals St.-Sebastiaan -met hulp van boven- de dodelijke pijlen wist af te schudden, zo zullen de pestlijders hopelijk hun besmetting overleven; in de pest zijn zij immers getroffen door de pijlen Gods.
Oudheid en middeleeuwen kennen algemeen de voorstelling dat ziekten, m.n. besmettelijke plagen en pestilentiën, de mensen treffen als pijlen afgeschoten door vertoornde goden, voor straf, uit wrok, wraak, of louter willekeur. Apollo richt in het kamp der Grieken een epidemie aan met zijn pijlen; (en met zijn zus Artemis roeit hij net zo Niobes familie uit). Naar antiek besef is de god die slaat de god die geneest: Apollo is een prominent genezer, later verdrongen door Asclepius.
In Egypte is het de godin Sachmet die plaagziekten teweegbrengt, en wel in haar hoedanigheid van het woedend Zonneoog dat de mensheid bestraft; haar furieuze stralen schieten rond als pandemische pijlen. De geneeskunst wordt daarom in het bijzonder uitgeoefend door de priesters van Sachmet. Het Egyptische woord voor arts (snw) betekent etymologisch ‘pijlkundige’, en wordt geschreven met de hiëroglief die pictografisch een pijl voorstelt.
Achter dit alles steekt de uit de ethnologie welbekende opvatting dat een ziekte een Fremdkörper is dat zich in de patiënt heeft genesteld; de uitrukking ervan brengt de genezing.
Met de oudtestamentische God is niet anders gesteld: zijn pijlen treffen de mens, om het even eigen volk of vijand, met ziekten plagen: http://www.prca.org/Word%20a%20Week/word48.htm, tweede alinea. Nochtans is ook Hij tevens de genezer.