
Ik blogde onlangs dat de christenvervolgingen tijden de Crisis van de Derde Eeuw niet waren wat ze leken. Degene die opmerkte dat dat niet gold voor de vervolging ten tijde van de Tetrarchie, heeft een overschot aan gelijk. De twee augusti, Diocletianus en Maximianus, introduceerden een nieuw systeem voor de opvolging en hervormden het bestuur, wat ze legitimeerden door zichzelf te presenteren als de uitverkorenen van Jupiter en Hercules. Deze twee al populaire goden kwamen meer dan ooit centraal te staan in de staatscultus.
Op deze hervorming volgde een christenvervolging, hoewel die er niet rechtstreeks mee samenhing. Het had er meer mee te maken dat een echte Romein werd geacht te offeren aan echt Romeinse goden. De manicheeërs, die een profeet volgden die een generatie eerder had geleefd in het Perzische Rijk, golden bijvoorbeeld als verdacht. In het voorjaar van 302 gelastte Diocletianus, die op dat moment in Alexandrië was, dat ze levend moesten worden verbrand.noot De christenen waren een jaar later aan de beurt. Het vervolgingsbesluit uit februari 303 moet hen hebben overvallen, want ze mochten hun geloof al ruim veertig jaar openlijk belijden en hadden kerken gebouwd zonder dat iemand daar – althans voor zover bekend – aanstoot aan had genomen. Wie de verslagen leest, kan navoelen hoe onverwacht het kwam.

Lactantius en Eusebios
Eén ooggetuige was Lactantius, die leefde in Diocletianus’ residentie Nikomedeia. Na de vervolgingen zou Lactantius De dood van de vervolgers schrijven, waarin hij in geuren en kleuren beschreef hoe keizers als Decius, Valerianus, Galerius en Maximinus Daia aan hun einde waren gekomen. Volgens deze auteur stond in Diocletianus’ vervolgingsdecreet dat bijbels moesten worden verbrand, dat christenen niet meer in aanmerking kwamen voor openbare ambten en dat ze het recht verloren op een eerlijk proces. Ook het privilege van vooraanstaande Romeinen dat ze niet waren onderworpen aan tortuur, werd voor christenen ingetrokken. Tot slot vermeldt Lactantius de plundering van kerken.noot
Een tweede ooggetuige is Eusebios van Caesarea, die in zijn Kerkgeschiedenis de maatregelen beschrijft: de heilige boeken werden aan de vlammen prijsgegeven, kerken verwoest, christenen uitgesloten van de ereambten, christelijke bedienden gereduceerd tot slaven.noot

Conflicterende bronnen
Hoewel beide bronnen vermelden dat de gewijde literatuur werd verbrand, dat kerken ten prooi vielen aan vandalisme en dat christenen geen openbare ambten meer bekleedden, is er een verschil: waar Eusebios het heeft over bedienden heeft Lactantius het over rechtspraak. Voor oudheidkundigen vormen conflicterende bronnen een uitdaging. Soms lukt het om ze te harmoniseren, bijvoorbeeld door te concluderen dat alle beweringen juist zijn. Dan is het echter wel opvallend dat de maatregelen wel de elite en de bedienden treffen, maar niet de gewone christenen. De reconstructie zou dus incompleet kunnen zijn.
Een onderzoeker kan ook aannemen dat er iets verkeerd is overgeleverd en een harmonisering bedenken, maar neemt dan wel iets aan wat niet staat in de bronnen. Het hoeft niet onjuist te zijn, maar het schuurt wel. Even onbevredigend is de keuze voor één van de bronnen, omdat de oudheidkundige dan moet verklaren waarom de andere bron afwijkt. Daar staat tegenover dat je in deze situatie over de geboden informatie nadenken kunt. Als de oudheidkundige slechts één tekst heeft, is er niet eens een puzzel en kan hij niet anders doen dan de geboden informatie domweg overnemen. Dan bouwt hij, hoewel hij zich toch baseert op een bron, in feite schijnzekerheid op. Dit staat bekend als testis unus, testis nullus: één bron is geen bron.
Ergerlijk als conflicterende bronnen mogen zijn, ze stemmen toch tot vreugde. In dit geval lijkt het er bovendien op dat de bronnen onafhankelijk van elkaar hetzelfde beschrijven en dat ze daarom vrijwel zeker betrouwbaar zijn in datgene waarin ze overeenstemmen: vandalisme in kerken, boekverbrandingen en uitsluiting uit het bestuur.
De oudheidkundige kan uiteraard altijd op zoek gaan naar aanvullende informatie. Die is er dit keer volop, variërend van verhalen over martelaren tot een brief uit 304 waarin een Egyptische functionaris uitlegt dat hij in een kerk goud noch zilver noch geld noch kleding noch dieren noch slaven noch landerijen noch goederen in beslag heeft kunnen nemen.noot
De martelarenverhalen zijn voldoende om te beseffen dat de vervolging intensiever werd en verder ging dan de door Lactantius en Eusebios genoemde maatregelen. Menigeen kon zichzelf redden, maar er zijn volop voorbeelden van mensen die werden onthoofd, gewurgd, verdronken of op een andere wijze gedood. Latere decreten verscherpten de maatregelen nog verder. Anders dan de voorgaande vervolgingen, die óf lokaal waren (zoals Rome ten tijde van Nero) óf niet waren wat ze lijken (Decius’ eed van trouw), werden christenen dit keer serieus bedreigd.
[Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]
Zelfde tijdvak
De kunst van de Frankennovember 20, 2016
Sacro egoismojuni 18, 2014
Het Aramees: de eerste wereldtaalapril 14, 2021

Wat we zouden moeten hebben zijn (tekst van) de decreten/wetgeving waarmee deze maatregelen werden afgekondigd. Die zijn blijkbaar nergens overgeleverd? Niet in de Corpis Juris terechtgekomen (wel begrijpelijk van de christelijke Justinianus(?)) en ook niet uIt inscripties bekend?