
Binnenkort verzorg ik in Amsterdam een cursus over de Kruistochten. Een van de personen die dan aan bod zal komen, is de Franse koning Lodewijk de Heilige of, als u z’n koninklijke serienummer wil gebruiken, Lodewijk IX. In de jaren vóór zijn expeditie naar het Heilig Land was de situatie van de Kruisvaardersstaatjes sterk verbeterd. Keizer Frederik II had tijdens de Zesde Kruistocht (1227) Jeruzalem in handen weten te krijgen en in de daarop volgende jaren hadden westerse troepen, profiterend van de verdeeldheid van de Arabische heersers, het Koninkrijk Jeruzalem nog wat verder vergroot.
Deze terreinwinst werd echter in één klap ongedaan gemaakt door de aankomst van een voordien onbekend leger uit het Verre Oosten. Tot de vele Turkse groepen in Centraal-Azië behoorden ook de Chorasmiërs in het huidige Oezbekistan en Iran, maar hun staat was onder de voet gelopen tijdens de Mongolenstorm. Een deel van het Chorasmische leger was naar het westen getrokken en had zich verbonden met de sultan van Egypte, die deze soldaten aanspoorde Jeruzalem in te nemen. In 1244 verwoestten ze de stad. De christelijke leiders en de emir van Damascus keerden zich nu tegen de Egyptische en Chorasmische troepen, maar werden vlakbij Gaza zo totaal verslagen dat er feitelijk geen christelijk leger meer was in het Koninkrijk Jeruzalem. Dat was eind 1244 gereduceerd tot enkele havensteden, en zou zich nooit meer herstellen.
Deze implosie was de aanleiding tot de Zevende Kruistocht (1248-1254), onder leiding van Lodewijk de Heilige. Het werd een mislukking met vérstrekkende gevolgen. Op zoek naar bondgenoten stuurde hij ambassadeurs naar de Mongolen, die de diplomatieke geschenken uitlegden als tribuut en Lodewijk aanmoedigden nog wat vaker zulke blijken van onderwerping te sturen. Ondanks dit diplomatiek debacle zouden de Franse en Mongoolse legers gelijktijdig strijden tegen de islamitische wereld.
Lodewijk landde in Egypte, nam de havenstad Damietta in, kreeg in ruil Jeruzalem aangeboden, weigerde te onderhandelen met de heidenen en begon aan een opmars richting Caïro. Begin 1250 trok sultan Turanshah hem tegemoet en in een gevecht aan de oevers van de Nijl versloeg hij Lodewijk, die hij zelfs krijgsgevangen wist te nemen. De Tempeliers kochten de vernederde koning weer vrij en die reisde af naar Akko, waar hij de havensteden van het Koninkrijk Jeruzalem begon te reorganiseren. Na zijn nederlaag was de uiteindelijke val van deze steden onvermijdelijk, maar de steden konden in staat van verdediging worden gebracht.
Zo begon hij Sidon, waar hij regelmatig verbleef, te versterken volgens alle regels van de middeleeuwse belegeringskunst. Zolang de arbeiders bezig waren, was de stad echter kwetsbaar en het leger van Damascus rukte daarom op naar Sidon. Het kon een bloedbad aanrichten: honderden soldaten werden gedood, vele poorters werden gevangengenomen. Lodewijk arriveerde te laat om in te grijpen, maar hielp wel om de al ontbindende lijken te begraven. Een van de aanwezigen, Jean van Joinville, zou later schrijven dat de vorst persoonlijk de rottende en stinkende lichamen had helpen wegdragen om ze te begraven in greppels. “Hij bedekte nooit zijn neus, hoewel anderen dat wel deden.” Zie de afbeelding bovenaan dit blogje.
Een archeologisch rapport uit 2021 meldt hoe bij het door Lodewijk gebouwde kasteel in Sidon twee massagraven zijn gevonden uit het midden van de dertiende eeuw. Veel lijken vertoonden sporen van wonden in de rug, die suggereren dat het gaat om vluchtelingen; anderen waren onthoofd. De lichamen moeten enkele weken onbegraven hebben gebleven voordat iemand ze begroef, en het is een fascinerende gedachte dat dit de lijken zijn die koning Lodewijk heeft begraven.

Lodewijk de Heilige en de maronieten
In deze tijd, waarin Lodewijk de christelijke posities in het Heilig Land reorganiseerde, heeft hij ook contact gehad met de maronitische christenen in het Libanongebergte. Ik citeerde de oorkonde uit 1250 al eens. Daarin vroeg Lodewijk de Heilige subtiel om steun: de maronieten “mochten deel hebben aan alle Franse ondernemingen”. Verder zegde Lodewijk namens hemzelf en zijn opvolgers bescherming toe aan de maronieten. Bovendien adviseerde hij ze een eigen aristocratie te ontwikkelen. Dit suggereert dat de verschillen tussen rijk en arm, die in het latere Libanon een belangrijke sociale scheidslijn vormden, rond het midden van de dertiende eeuw nog niet groot waren. Het suggereert bovendien dat de maronitische kerk op dat moment nog geen gedefinieerde hiërarchie kende. Dat maakt deze tekst tot een belangrijk sociologisch document.
Mits het echt is. De authenticiteit van de oorkonde, waarvan de Arabische tekst is ontdekt in de negentiende eeuw, staat ter discussie. Er is namelijk geen afschrift in de Franse archieven. Tegelijk: ze past bij Lodewijks pogingen de christelijke posities in het Heilig Land te versterken. Na de nederlaag in Egypte waren alle bondgenoten welkom en we weten dat Lodewijk in deze tijd ook de Vlaamse franciscaanse monnik Willem van Rubroeck zond naar het Mongoolse hof in Karakorum.
De Mongolen komen
Zonder diplomatie naderden de Mongolen evengoed. Isfahan was al in 1236 gevallen, in het volgende jaar bereikten ze de Tigris. In 1251 kwam het commando in handen van Hulagu Khan. Hij verwoestte in 1258 Bagdad, waarbij de Mongolen de christenen spaarden en alleen de moslims doodden – 200.000 in getal, schreef Hulagu later aan koning Lodewijk.
De gebeurtenis markeert het einde van het eeuwenoude Kalifaat van de Abbasiden en men spreekt wel van het einde van de gouden eeuw van de islam. Het zelfvertrouwen van de moslims, die eeuwenlang de beste legers ter wereld hadden gehad en tegenslagen als de Eerste Kruistocht hadden weten te overwinnen, was aangetast. Bovendien leek het geloofwaardig dat de christenen gemene zaak hadden gemaakt met de Mongolen. De islamitische overheden zouden de druk op christelijke groepen, die op dat moment ongeveer de helft van de Levantijnse bevolking vormden, beginnen op te voeren. In de loop der eeuwen zou het percentage christenen steeds verder afnemen.
In militaire zin was de Zevende Kruistocht volkomen mislukt, maar de gevolgen waren nog veel ingrijpender: in de islamitische wereld zag men christenen niet langer als andersgelovige landgenoten, maar als verraders. Lodewijks mislukking was totaler dan hij zich heeft kunnen voorstellen.
PS
Soort vervolg hier.
Zelfde tijdvak
Romaanse kunst uit Keulenseptember 15, 2019
Lijkwadegeleuterjuli 5, 2015
Het gouden Byzantijnse Rijkseptember 20, 2012

In “De parel van Bagdad” , nr.4 uit de stripreeks “De Rode Ridder” raadt hoofdpersonage Johan de kalief van Bagdad aan om de slaven te bewapenen tegen de oprukkende Mongolen. De kalief twijfelt maar beslist uiteindelijk om dit advies niet te volgen, wat in dit verhaal de val van de stad veroorzaakt.
Misschien leuk om het hier even over de Damiaatjes te hebben: https://nl.wikipedia.org/wiki/Damiaatjes
Ze luiden iedere avond tussen negen en half tien naar aanleiding van een Haarlemse legende.
….Tegelijk: ze past bij Lodewijks pogingen de christelijke posities in het Heilig Land te versterken. Na de nederlaag in Egypte waren alle bondgenoten welkom en we weten dat Lodewijk in deze tijd ook de Vlaamse franciscaanse monnik Willem van Rubroeck zond naar het Mongoolse hof in Karakorum….
Er waren al vanaf 1245 in de westerse christelijke wereld pogingen ondernomen om de grote Khan tot het christendom te bekeren. Als dat niet zou lukken zou men proberen hem tot hun bondgenoot tegen de moslims in te palmen.. Paus Innocentius IV stuurde al missies richting de Grote Khan (op dat moment Grote Khan Güyük). Zij kregen twee brieven mee van de paus.
In 1245 vertrok vanuit het Heilig land de dominicaan André de Longjumeau. Hiiervan is weinig bekend. Er zijn waarschijnlijk alleen contacten gelegd met minder hooggeplaatste Mongoolse leiders.
De franciscaan Jean de Plan Carpin (een Italiaan, een der eerste volgelingen van Franciscus van Assissi) reisde vanaf Lyon in 1245 via Bohemen, Polen en Zuid-Rusland en maakte wel de troonsbestijging van de Grote Khan (Güyük) mee, maar drong echter niet tot Karakorum door. Hij overhandigde de brieven van de paus, waarin deze vraagt aan de Khan het Westen niet verder aan te vallen en zich tot het christendom te bekeren. Güyük weigert en geeft aan De Plan Carpin een brief mee voor de paus. Daarin wordt de onderwerping van de christelijke naties geëist en ze worden uitgenodigd eer te komen bewijzen aan de Mongoolse machthebber. Deze mislukte missie is terug in Lyon in 1247.
In 1248 verblijft Lodewijk VII in Cyprus en wordt er benaderd door gezanten van Eljigidei, de Mongoolse bevelhebber over Armenië en Perzië. Eljigidei laat Lodewijk weten dat Güyük Khan bereid is om hem te helpen het Heilig land te heroveren en Jeruzalem te bevrijden van de Moslims. Hij stelt voor dat de Franse koning naar Egypte vetrekt met zijn troepen en dat Güyük Bagdad zal aanvallen. Aldus zouden de Egyptische Moslims en die uit Syrië zich niet kunnen samenvoegen. Lodewijk stuurt vervolgens twee predikers naar de Grote Khan (een ervan is André de Longjumeau). Zij nemen een prachtige scharlaken tent mee als kapel ingericht met afbeeldingen om het christelijk geloof te demonstreren, maar kort voor ze daar aankomen overlijdt Güyük en de koningin Oghul Qaïmich die als regentes is tot er een volgende Khan is gaat niet op hun verzoek in.
In 1249, verneemt Lodewijk dat Khan Sartaq zich tot het christendom heeft bekeerd en zich heeft laten dopen. Dan stuurt hij de franciscaan Willem van Rubrouk op pad, maar niet als afficieel gezant, want Hij wil een nieuwe vernedering voorkomen. Sartaq is echter alleen in naam christelijk geworden, maar Van Rubroeck krijgt toegang tot Grote Khan Möngke (1251-1259) in Karakorum. Maar ook hij is terug in Cyprus in 1255 zonder succes.
Het vervolg beschrijf je in je interessante blog, Jona.
De moeder van Hulagu Khan, Sorghaghtani Beki, was christen. De christelijke pogingen waren dus bepaald niet tevergeefs.
Ik ben nu op vakantie en heb dus mijn boek over het Mongoolse Rijk even niet bij de hand, maar daar stond in dat het vooral kwam door het prekerige karakter van het westerse christendom en het dreigen met hel en verdoemenis, dat de priesters weinig succes had bij de Mongolen, die het, net als in de oudheid, volkomen aanvaardbaar vonden dat iemand meerdere vormen van geloof kan hebben. Als je bovennatuurlijke macht ziet in wind en bergen e.d. ben je best bereid om daar een kruis aan toe te voegen, maar niet als vervolgens je hele eigen geloof wordt weggezet als duivelswerk.
Exact, het een sluit het ander niet uit.
@Frans Buys en JL.
Helemaal mee eens en dat gaf ik ook aan in het feit dat Plan de Carpin er bij de Grote Khan op aandrong dat de Mongolen zich tot het christendom zouden bekeren. Om mijn reactie niet te lang te maken heb ik de brieven van de paus niet genoemd. De ene brief had als titel ‘In Dei patris immensa’ (deze bevatte een uiteenzetting over het christelijk geloof en een oproep tot de Mongolen om het christendom te aanvaarden). In de andere brief ‘Cum non solum’ werden de Mongolen gemaand het vermoorden van mensen en christenen in het bijzonder te staken. De paus sprak de wens uit in vrede met de Mongolen te kunnen leven.
De gezanten van Louis IX (onder wie De Longjumeau) waren echte predikers en doen me met hun scharlaken tent eerder denken aan marketeers met een stand op een beurs.