
De Oudheid is per definitie de periode waarover we naast het archeologische materiaal ook geschreven bronnen hebben, maar niet voldoende om te komen tot werkelijke geschiedvorsing. Daardoor zijn er talloze onderwerpen waarover we niets weten. Zo staat vast dat Egypte in de tweede eeuw na Chr. een ware fabriek van nieuwe christelijke ideeën is geweest, maar hebben we geen idee, zelfs geen begin van een idee, hoe het christendom in Egypte is gekomen. Dat is maar één voorbeeld van het simpele feit dat we over de Oudheid eigenlijk altijd onvoldoende weten.
Gelukkig begrijpen we wel waarom we over bepaalde onderwerpen minder informatie hebben dan er moet zijn geweest. We weten dat er teksten zijn geweest van de mensen die Christus vereerden in combinatie met andere goden, maar de middeleeuwse kopiisten hebben die niet overgeschreven. Ook de teksten van degenen die later als ketters zouden komen gelden, zijn op deze wijze verloren gegaan.
Schaarse informatie is normaal en het is niet vreemd dat we alleen indirect zijn geïnformeerd over het Eerste Concilie van Nikaia, dat morgen 1700 jaar geleden is begonnen. We beschikken niet over de zogeheten actae, “handelingen”, die we over andere kerkelijke vergaderingen wel hebben. De wel overgeleverde deelnemerslijst, het Synodikon, is een latere reconstructie. Hoewel de in Nikaia genomen beslissingen bekend zijn, en we ook wel iets weten over het verloop van de discussies, missen we belangrijke stukken informatie. Het is bijvoorbeeld onbekend hoe de gastenlijst tot stand is gekomen.
Geweigerde bisschoppen
En dat is wel een gemis, want lang niet iedere bisschop was uitgenodigd. Zo ontbrak bisschop Donatus van Karthago. Die had weliswaar een discussie over de financiën van zijn kerk verloren en is de geschiedenis in gegaan als ketter, maar dat was pas later. Wie in 325 besloot hem niet uit te nodigen, en wel Donatus’ rivaal Caecilianus, had al een beslissing genomen over wat orthodox was en wat niet. Een misschien voorspelbare beslissing, aangezien Donatus in de westelijke provincies al een reputatie had als onruststoker, maar evengoed: niet iedere zich christen noemende bisschop was uitgenodigd. We weten niet wie de gastenlijst samenstelde, met welk recht en met welke criteria.
Een soortgelijke kwestie speelde in Boven-Egypte, waar bisschop Meletios van Lykopolis een conflict had met de bisschop van Alexandrië. Volgens de regels die in Nikaia afgesproken zouden worden, zat Meletios in dit conflict verkeerd, maar die regels waren er vanzelfsprekend nog niet toen iemand besloot Meletios niet uit te nodigen. Terwijl Meletios en ook Donatus als bisschoppen van hun steden een grote autonomie hadden en officieel niemand boven zich hadden staan die beslissingen over hen kon nemen, plaatsten de organisatoren van het concilie zich wel boven de bisschoppen.
Er kunnen meer van dit soort gevallen zijn geweest en we weten zeker dat er in Nikaia niemand is geweest die een niet-exclusivistische uitleg van het geloof voorstond. Terwijl Christus vereren in combinatie met andere goden, hoe ongebruikelijk wij dat ook vinden, destijds was wat elke weldenkende Romein zou hebben gedaan. Hoeveel Christusvereerders hadden de andere goden afgezworen? Hoeveel mensen combineerden de verering van Christus met de verering van andere goden? Hadden we maar meer informatie, maar het simpele feit is dat we over de exclusivisten wél informatie hebben en over de niet-exclusivisten niet. We kunnen niet vaststellen hoe representatief de genodigden in Nikaia zijn geweest voor de toenmalige verering van Christus.
Een proto-kerk?
Hoe dat ook zij: er was iemand die al beslissingen aan het nemen was voordat het Concilie van Nikaia begon, en die iemand had het oor van de keizer. Een mogelijke hypothese is dat er al iets bestond dat we gemakshalve “de proto-kerk” zullen noemen: een groep bisschoppen die weliswaar niet officieel was georganiseerd, maar zich op veel punten al kon presenteren als “de” vertegenwoordiger van de christelijke gemeenschap. Die groep was dan exclusivistisch van aard.
Hoewel de geschiedenis vaak zo wordt gepresenteerd, en er ook exclusivistische bronnen zijn over bisschoppen die met elkaar communiceren en discussiëren, is deze hypothese feitelijk ontoetsbaar omdat we, zoals gezegd, niet weten hoe representatief onze informatie is. Doordat de kopiisten teksten met sterk afwijkende meningen niet overschreven, hebben we over de eeuwen vóór Nikaia vooral informatie die in lijn is met de daar vastgestelde orthodoxie. Er is tekstselectie geweest, zoals altijd het geval is met informatie over de Oudheid.
Toch is er een aanwijzing voor het bestaan van een min of meer erkende kerk vóór 325. Die aanwijzing betreft een zekere Paulus van Samosata, die bisschop was in Antiochië en ideeën verkondigde die in 269 werden afgewezen door een vergadering van zo’n zeventig bisschoppen. Zij zetten hun collega af, waarop keizer Aurelianus in 272 een hoorzitting organiseerde. Hij liet zich daarbij adviseren door de bisschoppen in Italië en bevestigde de afzetting. In deze anekdote ligt besloten dat er op dat moment een min-of-meer officiële kerk was, waar zelfs een keizer naar luisterde.
Het probleem met deze anekdote is dat onze informatie vooral afkomstig is van Eusebios van Caesarea, een auteur die het bisschoppelijk gezag voortdurend benadrukt. Natuurlijk waren er rotte appels. Eusebios was een realist. Maar het college van bisschoppen corrigeerde dwalende bisschoppen als Paulus, en de gelovigen mochten hun herders vertrouwen. Aldus Eusebios. De anekdote past te goed bij de tendens van zijn werk om niet verdacht te zijn. Dat wil niet zeggen dat de bisschop van Caesarea snoeihard liegt, maar wel dat we zijn informatie niet kritiekloos mogen overnemen.
Nikaia: de gezagsvraag
Samenvattend: de gastenlijst van het Concilie van Nikaia is opgesteld door iemand die mensen uitsloot. Hier was iemand aan het werk die naar bepaalde conclusies toe wilde werken. In welke mate deze organisator een eerdere, min of meer erkende kerk vertegenwoordigde, en hoe representatief de vergadering was voor alle vereerders van Christus, valt niet langer uit te maken. We beschikken over te weinig data: het waren, zoals het cliché luidt, de overwinnaars die de geschiedenis schreven. Of, beter gezegd: het waren de orthodoxen die de bronnen kopieerden.
Waar het om draait: er zijn bisschoppen geweest die vasthielden aan hun aloude autonomie, die niet werden uitgenodigd en die, autonoom als ze waren, ook geen reden hadden om het gezag van het Concilie van Nikaia te erkennen. Nikaia schiep de eenheid die Constantijn wilde, maar feitelijk is de vraag met welk religieus gezag de verzamelde bisschoppen hun meningen oplegden aan de kerk.
[later meer over Nikaia]

Celtic Fields
Wat zijn heidenen?
Romeins Zuid-Limburg
Niettemin is één conclusie zonneklaar. Georganiseerde religie is politiek.
Kuitert heeft ooit een boek geschreven met de titel: alles is politiek, maar politiek is niet alles
Wat mij frappeert is dat anno 2025 het omgekeerde proces zichtbaar was bij het conclaaf, dat uiteindelijk Leo XIV verkoos tot bisschop van Rome. Diens voorganger Franciscus had geen kardinalen uitgesloten van deelname (tenzij ze – zoals Angelo Becciu – zich in het verleden niet hadden gedragen volgens de algemeen erkende richtlijnen van het Vaticaan en daarvoor ook veroordeeld waren), maar juist veel nieuwe kardinalen mét stemrecht benoemd, die zijn (religieuze) lijn volgden. Zo kun je dus óók een verkiezing of stemmingen beïnvloeden: zet er voldoende ‘poppetjes’ van je eigen gading neer om een meerderheid te behalen.
Oud-vaderlands gebruik: bij een referendum tel je de thuisblijvers als voorstemmers. We danken er onze eerste grondwet aan (1798).
Als we over niet-exclusivisten geen informatie hebben, hoeft dat niet per se te betekenen dat die informatie niet is overgeleverd: het is toch ook mogelijk dat die er gewoon niet was?
Ik zou zelfs denken: als er weinig of geen polemiek is tegen mensen die er naast het christendom ook andere religies op na hielden, is de suggestie dat die er ook niet zo veel waren – of althans dat er niet zwaar aan werd getild.
Die polemiek is er wel. Er zijn bijvoorbeeld donderpreken overgeleverd waarin bisschoppen uithalen tegen hun gelovigen die naar synagogen gaan en op een van de synodes van Toledo (nog in de zevende eeuw) werd het christenen verboden hun oogst door rabbijnen te laten zegen. Verder beschikken we over verwijten van geloofsafval (d.w.z., wat de bisschoppen beschouwden als geloofsafval) en over heidense culten die niet voldoende werden genegeerd.
Hardnekkige heidense riten werden ook later nog bij de kerstening van Noordwest-Europa bestreden en/of geïntegreerd in het christendom. “Indiculus” van Luit Van Der Tuuk geeft heel wat voorbeelden. Heel wat christenen (zeker katholieken) beleven hun geloof vandaag nog op een manier die Romeinse polytheïsten of henotheïsten zouden herkennen: heiligenbeeldjes, kapelletjes aan de bomen,…
Dat argument van de synagoge
lijkt me niet zo sterk: daar werd dezelfde monotheïstische god als in het christendom vereerd. Het toont wel aan dat de wegen tussen christenen en joden scheidden.
Ik heb ook wel eens gelezen dat er nog bisschoppen onderweg waren, toen de besluiten al genomen waren. In elk geval hebben die besluiten geen einde gemaakt aan de verschillen in opvatting over Christus, want die bleven bestaan en bestaan nog steeds.
Dat was het concilie van Efese.
Wat merkwaardig dat een Romeins keizer, dertig jaar voor Constatijn, zich met kerkelijke zaken van Christenen bemoeide!
Ik denk dat de Romeinse overheid veel toleranter was tegenover mensen die Christus vereerden dan wel wordt aangenomen. Het beeld van eindeloze vervolging is een mythe. Alleen de vervolging van Diocletianus is serieus geweest – en dat we van 860 slachtoffers de naam hebben, zegt veel over de gruwelijke ernst daarvan.
Licinius was al vóór Constantijn, en inmiddels hebben we er ook een van Maxentius. Constantijn was eigenlijk de laatste maar zijn naam werd eraan verbonden.
Egypte: ‘een ware fabriek van christelijke ideeën’.
Nu begrijp ik waarom je geen koffie moet drinken, als je de blog van JL leest. Ik lach me het apezuur.
Tegen het einde van zijn regering zou Aurelianus begonnen zijn zich tegen de christenen te keren. Toch weer (na Decius, Valerianus).
Je schrijft het goed: zou.
Niet elke maatregel die christenen als vervolging uitlegden was werkelijk anti-christelijk. En wat ook speelt: de tegenstanders van christelijke geloofshelden worden in christelijke bronnen consequent afgedaan als heidens of vervolgers. Als de een de held is, moet de ander de duivel zijn en dus heidens, ketters of iets soortgelijks.
Het grootste deel van de derde eeuw n. Chr. voor het Romeinse rijk is vaag.
Aurelianus bereikte misschien het punt waar later Diocletianus op uit zou komen.
‘Niet elke maatregel die christenen als vervolging uitlegden was werkelijk anti-christelijk’ – tja.