Het ongrijpbare antieke christendom (3)

Een christelijke maaltijd op een tweede- of derde-eeuwse wandschildering uit de catacomben van Callixtus, Rome. Er zijn diverse wandschilderingen van dit type, waarbij steeds zeven mensen de maaltijd gebruiken en zijn gezeten in een halve cirkel.

Mijn leermeester, professor P.W. de Neeve, was geïnteresseerd in antieke landbouw en kampte met het probleem dat we over de middelgrote en kleine Romeinse boerenstand weinig bronnen hebben. De boeren waren immers ongeletterd en de bronnen zijn geschreven door rijke, vooringenomen mannen. Ze noteerden ook al niet wat destijds vanzelfsprekend was. We kunnen daarom de voor ons gezochte feiten niet vinden door de bronnen na te vertellen. Das wahre Faktum steht nicht in den Quellen.

Hoe een historicus dan te werk gaat, toont De Neeve in zijn inaugurele rede De boeren bedreigd: eerst maak je expliciet wat je verwacht (en daartoe haalde hij de locatietheorie van Von Thünen uit de kast) en pas daarna kijk je naar de bronnen, zodat je herkent waar ze onvolledig en bevooroordeeld zijn. Dat kan óók betekenen dat je ontdekt dat je eigen aannames niet kloppen en dan heb je je eigen denken beter doorgrond. “Expliciet maken wat je verwacht” kan hierbij slaan op het gebruik van modellen uit de sociale wetenschappen of het zoeken naar parallellen uit andere voorindustriële samenlevingen. Het voordeel van het aangeven van je verwachtingen is niet alleen dat je zo scherper kijkt naar je bronnen maar ook dat je reconstructie sterker is dan de N=1 die een alleen op bronnen gebaseerde reconstructie nu eenmaal is.

Als je het hebt over het ontstaan van het christendom, moet je het ook zo aanpakken. Eerst moet je expliciet vaststellen wat je zoekt, omdat je anders je impliciete aannames, gebaseerd op modern christendom, zult projecteren op de tekortschietende teksten en je vooral zult kijken naar wat je herkent. Dus: wat verwacht je van het vroegste christendom? We zijn in de fortuinlijke situatie dat we een goed beeld hebben van de beginsituatie: het jodendom.

Verwachting 1: Leiderschap

Een joodse stroming werd gedefinieerd door een gedeelde halacha en het leiderschap was vermoedelijk een familie-aangelegenheid. De leiders van de farizese beweging waren lid van de familie van Gamaliël, de leiders van de sicariërs stamden af van Judas de Galileeër. We mogen daarom verwachten dat de familie van Jezus leiding heeft gegeven aan de door hem gestichte stroming. De selectie van vroegchristelijke teksten die we nu Nieuwe Testament noemen en die onze voornaamste bron vormt, is gemaakt door mensen die het leiderschap van Petrus belangrijk vonden en we mogen deze claim als historisch accuraat beschouwen, aangezien de brieven van Paulus, de evangeliën van Marcus en Johannes en de Handelingen dit onafhankelijk van elkaar vertellen. Evengoed waren er nog in de vierde eeuw, toen niemand meer twijfelde aan Petrus’ leiderschap, zoveel tradities over Jezus’ familieleden dat Eusebios ze niet uit zijn Kerkgeschiedenis kon weglaten. Het christelijke leiderschap lijkt vanaf het begin omstreden te zijn geweest en er moet van alles hebben gespeeld buiten het bereik van wat in de bronnen is overgeleverd.

Sokrates en zes leerlingen aan tafel. Mozaïek uit Apamea (Syrië) uit de vierde eeuw. Dit is een voorbeeld van een heidense kunstenaar die een christelijk motief overneemt.

Verwachting 2: Joden en niet-joden

Van een van de bekendste vertalingen van de joodse Bijbel, de Onkelos-targum, is aannemelijk dat de auteur een Romein was. Een nationalistische Joodse stroming als de sicariërs accepteerde niet-Joodse leden – dat schrijft althans Flavius Josephus (Joodse Oorlog 2.434). Als we mogen afgaan op Lukas, predikte Johannes de Doper ook voor Romeinse soldaten, en het staat vast dat het garnizoen van Judaea voor een groot deel afkomstig was uit Italië. Helaas is dit laatste en interessantste geval slechts één keer overgeleverd, maar in het algemeen kan worden gesteld dat het jodendom open was naar niet-joodse leden.

We mogen dus een christendom verwachten dat even open was en inderdaad schrijft Paulus dat mensen werden gered door geloof en niet door de “werken der Wet”. (Dankzij de ontdekking van 4QMMT weten we dat deze uitdrukking de afbakening van de joodse gemeenschap aanduidt en niet de “goede werken”, wat de halve christelijke theologie op zijn kop heeft gezet.) Er moeten meer apostelen zijn geweest die zich richtten tot niet-joden, maar daarover is weinig bekend. Ook hier schieten, zoals zo vaak, de bronnen tekort.

Omgekeerd zijn er aanwijzingen dat veel niet-joden er geen moeite mee hadden de joodse God toe te voegen aan hun selectie van vererenswaardige bovennatuurlijke krachten. (We hebben hier in feite te maken met een antropologische constante: de aanhangers van alle godsdiensten nemen dingen van elkaar over.) Deze groep is tot 400 te volgen en één van de belangrijkste vragen is hoe groot ze is geweest. De pointe is in elk geval dat we mogen verwachten dat er mensen zijn geweest die zowel Christus vereerden als de traditionele goden – mensen dus die én christelijk én heidens en wellicht ook joods waren.

Dat deze niet-excluvistische groep niet heel vaak is te vinden in de bronnen, kan verschillende redenen hebben. Het meest aannemelijk is dat we ze niet hebben herkend omdat we lange tijd de bronnen hebben gelezen met in ons achterhoofd het middeleeuwse en latere christendom. In elk geval de christenvervolgingen van Decius en Valerianus worden nu anders geïnterpreteerd dan gebruikelijk was. Zoals ik al aangaf met het voorbeeld van Plinius de Jongere, is maar de vraag waarover een tekst gaat als een outsider een groep mensen aanduidt als christelijk.

Een tweede verklaring – niet in strijd met de vorige – is dat latere christelijke groepen hun geld niet wilden besteden aan het kopiëren van niet-exclusivistische teksten. Wat ze hadden te melden, is dus domweg niet overgeleverd. Het kan tot slot betekenen dat de niet-exclusivisten marginaal waren. Dan zouden we te maken hebben met een wonderlijk unicum in de godsdienstgeschiedenis. Dat kan, maar het is wel een verlegenheidsoplossing.

[Wordt vervolgd]

14 gedachtes over “Het ongrijpbare antieke christendom (3)

  1. Of de marginaliteit van niet-exclusivisten zo uitzonderlijk zou zijn weet ik niet zeker, maar toch lijkt die marginaliteit aan de hand te zijn. Anders zou je namelijk veel meer polemiek verwachten tegen niet-exclusivisme. Bovendien is exclusivisme nu juist eenkarakteristieke trek die het christendom van het jodendom heeft geërfd.
    Tegelijk schrijft Irenaeus over een groep die naast de Bijbel ook Homerus gebruikt voor hun theologie, en waarschuwt Chrysostomus tegen synagogebezoek. De bronnen zelf suggereren dus ook dat de ‘marges’ van de kerk vaak breder en diffuser waren dan je vanuit moderne vooroordelen zou denken.

  2. A. Harmens

    Een goed onderbouwd stuk.

    De vraag is of je met het toepassen van (sociaalwetenschappelijke) theorieën niet net zoveel moderne vooronderstellingen over religie op de Oudheid projecteert. Theorievorming en ook veldonderzoek is in deze tak van wetenschap net zo goed gegrond in het heden en het recente verleden. Studies worden ook nauwelijks aangehaald in bovenstaand stuk. Wat betreft de studie van rituelen in de vroege Middeleeuwen heeft de historicus Philippe Buc aangevoerd dat sociaalwetenschappelijke begrippen ook niet altijd waardenvrij of op deze periode toepasbaar zijn. Ook ben ik wat sceptisch over de notie dat elke religieuze beweging zich te allen tijde op dezelfde manier ontwikkelt. Een idee dat, naar mijn mening ten grondslag ligt aan dit stuk. Ik zou zeggen dat de hier geformuleerde methode zeker waardevol is, maar niet onproblematisch, zeker als dit andere manieren om naar het verleden te kijken, uitsluit.

    Los van de methodologie bekruipt mij het gevoel dat er in dit artikel, maar ook in de vorige stukken over dit onderwerp, impliciet toch een zekere ideologische voorstelling schuilt van hoe het ideale christendom eruit zou moeten zien: een open en veelkleurig christendom als ideaal. Die exclusivisten hebben dat kennelijk bedorven. Maar ik kan me vergissen.

    1. FrankB

      Nee hoor. Het is nu eenmaal een gegeven bij alle sociale en menswetenschappen. En ook de natuurwetenschappers zijn er niet vrij van, hoe graag sommige bewonderaars dat ook zouden willen (Fred Hoyle!).
      Wetenschappers zijn mensen en hebben dus vooroordelen, voorkeuren, sympathieën en zijn vatbaar voor wensdenken.
      Gelukkig zijn er methoden om dat probleem op te vangen. Stap één is banaal maar soms o zo moeilijk: erkennen dat je zelf er aan onderhevig werd. Richard Feynman drukte dat heel aardig uit met

      “The first principle is that you must not fool yourself and you are the easiest person to fool.”

    1. A. Harmens

      Deels wel, hoewel mijn kritiek meer gericht is op Jona’s methode. Ik snap Jona’s standpunt echter wel. Als Paus Leo I in zijn preken klaagt over lieden die, voordat ze de Sint Pieter inlopen, de zon groeten, dan zegt dat wat. Men zou die mensen echter gewoon christenen kunnen noemen, die waarschijnlijk helemaal niet vonden dat zij iets verkeerd deden als zij ook de zon vereerden. Ik zou ze echter geen christusvereerders noemen als ware het een afgebakende groep. Ik denk sowieso dat dit soort kwesties vooral in de vierde en vijfde spelen, als grote groepen mensen, al dan niet met aarzeling, christen worden.

Reacties zijn gesloten.