
[Dit is het vierde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]
Een oorzaak?
Als ik de vorige drie blogjes mag samenvatten:
0325-0350 na Chr.

[Dit is het vierde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]
Als ik de vorige drie blogjes mag samenvatten:

Conrad Engelhardt was een Deen en een archeoloog, in die volgorde. In 1851 werd hij directeur van een archeologisch museum, waarvan de collectie tegenwoordig is te zien in kasteel Gottorf in Schleswig. Of beter: niet is te zien, maar daarover zo meteen. Als opgraver onderzocht Engelhardt in 1859 het Thorsberger Moor, en daarna het Nydam Moor, waar hij tot 1863 actief was en onder andere het Nydamschip vond, dat dateert uit de vierde eeuw. Niemand ontkende het enorme belang van deze vondsten: allerlei metalen voorwerpen, bijna allemaal met een militair karakter, lagen daar in de moerassen.
In 1864 liet Otto von Bismarck de Sleeswijk-Holsteinse kwestie escaleren en brak de Duits-Deense Oorlog uit. Denemarken verloor Sleeswijk-Holstein en de archeologische vondsten belandden in Kiel. De nieuwe machthebbers in de regio boden Engelhardt daar een betrekking aan, maar hij voelde zich, zoals gezegd, meer Deen dan archeoloog, en vertrok liever naar Kopenhagen. Een deel van de vondsten nam hij mee, zodat die zich decennia lang bevonden in twee musea in twee steden in twee landen. Pas toen de collecties vanaf 2000 gezamenlijk konden worden bestudeerd, bleek wat een rijkdom aan informatie Engelhardt had aangeboord en hoe goed zijn interpretaties en documentatie waren geweest.

Europa kent al eeuwen twee grote handelsroutes. De ene was de corridor van de Noordzee via Rijn, Moezel, Saône en Rhône naar de Middellandse Zee. De andere stond daar haaks op en leidde naar het oosten: de Donau. De eerste landbouwers, de eerste metaalwerkers en de eerste Indo-Europees-sprekenden kwamen hierlangs stroomopwaarts, later gevolgd door Sarmaten, Hunnen, Avaren en Magyaren. Bij de Zwarte Zee zagen zij vóór zich een vruchtbaar gebied, begrensd door rechts de Donau en links het Balkangebergte. Die vruchtbare zone strekt zich uit tot Belgrado, het antieke Singidunum, waar de vlakte zich noordwaarts opende naar de Hongaarse poesta.
In de vijfde eeuw v.Chr. worden tussen Donau en Balkan genoemd:
De laatste twee worden gewoonlijk gerekend tot de Thraciërs. Romeinse bronnen uit het begin van de jaartelling suggereren dat hier ooit ook Mysiërs hadden gewoond, een groep die later zou zijn verhuisd naar de Zee van Marmara. Naar hen noemden de Romeinen de regio Moesia.

[Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het derde; het eerste was hier.]
In de tweede eeuw bloeide Ulpia Noviomagus. Op het grafveld zijn prachtige barnstenen en kristallen voorwerpen gevonden die bewijzen dat in elk geval de elite het breed kon laten hangen. Oude schattingen hielden het erop dat het stadje zo’n 5.000 inwoners had; inmiddels is duidelijk dat het er fors meer waren, misschien wel 10.000. Met een legioenbasis ernaast was het al met al te groot om te worden gevoed vanuit het achterland, zelfs al verrees langs de Waal de ene boerderij na de andere. Graan en andere levensmiddelen moesten worden geïmporteerd, en de inscriptie van graanhandelaar Marcus Liberius Victor, die zijn producten aanvoerde vanuit het verre Henegouwen, is heel typerend.

[Dit is voorlaatste van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]
Het moge na de vorige blogjes duidelijk zijn dat “de” Germanen vooral hebben bestaan in de fantasie van de Romeinen. Die spraken over een onbeschaafde krijgerscultuur, terwijl ze in de praktijk wisten dat degenen met wie ze vochten, verdragen sloten en handel dreven, niet één volk vormden, maar een verzameling van verschillende stammen met verschillende levenswijzen. De Germanen tussen Rijn en Wezer hadden een veel gevarieerder cultuur dan de Elbe-Germanen, terwijl de Germaanse talen uit het oosten (zoals het Gotisch) verschilden van het noordelijke Germaans. In het zuiden hadden Germaanse groepen zich gevestigd tussen de eerdere, Keltische groepen.
Het is dus gevaarlijk bloggen over “de” Germaanse cultuur. Daar komt nog bij dat er tussen de Jastorf-cultuur en de Late Oudheid volop veranderingen zijn opgetreden: wat bij de Germanen (ietwat misleidend) bekendstaat als de “Romeinse IJzertijd”, is feitelijk een proces, een ontwikkeling van een egalitaire naar een meer hiërarchische samenleving.

[Dit is het vierde van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]
In het vorige blogje had ik een begin gemaakt met een geschiedenis van de Germanen, een geschiedenis die grotendeels een geschiedenis is die door Romeinse auteurs wordt verteld. Maar die vertelden niet altijd de hele waarheid. Eén factor die ze niet lijken te hebben herkend, is dat de Elbe-Germanen de andere groepen wat opduwden richting Rijn.
Je kunt ook zonder legers een land beheersen, en dat was Romes nieuwe beleid voor de regio tussen Rijn en Donau. Het is grappig dat er enerzijds een culturele discussie was over “de Germanen”, die konden worden gepresenteerd als nobele wilden en als degenen tegen wie een Romeinse man kon bewijzen wie ’ie was, terwijl het concrete beleid was gericht op samenwerking met losse stammen of volken – dus niet “de Germanen”, maar de Chamaven, de Bructeren of zo. Rome wees leiders aan, stamkrijgers dienden in de Romeinse legers, en er was handel. Publius Cornelius Tacitus zegt ergens tussen neus en lippen door dat de Germanen het meeste hielden van “de oude munten” en dus voldoende wisten om te herkennen dat de Romeinen met het zilvergehalte sjoemelden. De Germaanse kooplieden wisten heel goed wat ze deden.

[Dit is het tweede en laatste blogje over de Cyrenaica.]
De Perzen veroverden Egypte in 525 v.Chr. en lijken daarna de Cyrenaica te hebben onderworpen. Uit de Historiën van Herodotos van Halikarnassos zouden we afleiden dat het gebeurde rond 513, maar zoals zo veel dateringen is ook dit jaartal niet zo zeker als het lijkt. Het is onduidelijk of de Achaimeniden daadwerkelijk de regio hebben beheerst: ze lag immers ver weg. Het is in elk geval waarschijnlijk dat de Cyrenaica haar zelfstandigheid herwon toen koning Xerxes de perifere rijksdelen opgaf. In elk geval moeten de steden van de Cyrenaica na de onafhankelijkheid van Egypte in 404 autonoom zijn geweest.

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Nederlandssprekende provincies.]
De bovenstaande helm schijnt te zijn gevonden in de Maas, of bij de Maas. Hij dateert uit de vierde eeuw en het opvallende aspect is natuurlijk dat op de helmkam een Christusmonogram ☧ is te zien: de in elkaar geschoven letters chi en rho, waarmee het woord Christus begint. De eerste interpretatie was natuurlijk: de drager van deze helm was een christelijke soldaat.

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Nederlandssprekende provincies.]
Over het bovenstaande beeldje heb ik eerder geschreven, namelijk toen ik vorig jaar het museum van Oudenburg bezocht. Over dit beeld, door de opgravers van het Romeinse fort geïdentificeerd als Venus (omdat het nu eenmaal lijkt op een beroemd standbeeld van die godin), vroeg ik me af of het geen pornografische afbeelding kon zijn. Dat zegt natuurlijk vooral iets over het feit dat ik zelf ’s konings wapenrok heb gedragen en dat ik, als het gaat om vrouwelijk naakt in een militaire context, een andere verwachting heb dan iemand met een achtergrond in de kunstgeschiedenis.

[Twitter bestaat niet meer, maar sommige dingen die daar leuk waren, gebeuren inmiddels op BlueSky. Hier is een uit het Engels vertaald draadje dat de Gentse oudhistoricus Jeroen Wijnendaele schreef over Julianus de Afvallige.]
[1] De veldtocht van keizer Julianus de Afvallige tegen de Perzen was de op één na grootste nederlaag die het Romeinse leger in de vierde eeuw leed tegen een niet-Romeinse tegenstander. Alleen de slag bij Adrianopel was erger. Om de ernst van Julianus’ dwaasheid te begrijpen, moeten we verder kijken dan de man zelf, en de campagne plaatsen in haar laat-Romeinse context.
[2] Na de Crisis van de Derde Eeuw kwam het imperium weer op de rails dankzij de hervormingen door de keizers Gallienus tot en met Constantijn de Grote. Het staatsbestel werd grondig aangepast, niet in de laatste plaats om een groter leger te ondersteunen. Waarschijnlijk bestond het rond 300 na Chr. uit zo’n 450.000 man, terwijl het een eeuw eerder nog zo’n 400.000 was geweest.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.