
Oudheidkundigen hebben twee hoofdsoorten bewijsmateriaal: de materiële resten en de geschreven teksten. Beide zijn de “neerslag” van de antieke cultuur. Een cultuur die we niet langer kunnen observeren en waarvoor we dus geen direct bewijs hebben, maar slechts aanwijzingen. Veel is ’t niet, maar juist het gebrek aan en de ambiguïteit van de data maken het vak uitdagend. De hamvraag is steeds hoe we van de weinige aanwijzingen die er zijn, komen tot een verantwoorde reconstructie van de antieke cultuur.
Over de wijze waarop archeologen de materiële resten de antieke cultuur documenteren, is veel geschreven. Dat heet reconstructietheorie en die maakt onderscheid tussen twee soorten verandering. Enerzijds zijn er natuurlijke transformaties: de wijze waarop, sinds de Oudheid, de materiële resten zijn veranderd. De processen variëren van het wegspoelen van steden langs de Nijl tot het ontstaan van patina op munten. Anderzijds zijn er culturele transformaties, die optreden als de aard van de materiële resten verandert door menselijk ingrijpen. Wie z’n afval opveegt, verandert ook z’n materiële neerslag. De jargontermen, die ik u gebied te vergeten, zijn n-transformatie en c-transformatie.
Tekstselectie
Een soortgelijk onderscheid kun je maken voor de overlevering van teksten. Enerzijds zijn er onbewuste processen, analoog aan de natuurlijke veranderingen in de materiële resten. Daarbij kun je denken aan het feit dat sommige teksten nooit zijn gekopieerd en dus verloren zijn gegaan. Je kunt verder denken aan het feit dat er bij het kopiëren schrijffouten zijn gemaakt. Mensen zijn van nature nu eenmaal feilbaar. Door deze twee onbewuste mechanismen is de overlevering van onze teksten geen een-op-een neerslag van de antieke schrijfcultuur.
Daarnaast zijn er bewuste ingrepen in de overlevering geweest: corpusvorming. Aan de brievencollectie van de Romeinse politicus Cicero ontbreekt bijvoorbeeld nogal wat correspondentie met Julius Caesar. Iemand heeft besloten die niet te publiceren.
Plato
Het oeuvre van de Atheense filosoof Plato is een ander voorbeeld. Het gaat om in totaal zesendertig teksten, verdeeld in negen groepen van vier. Deze vormen nog steeds de basis van moderne uitgaven, zoals de Oxford Classical Texts en de Teubner. Daarnaast zijn er negen teksten waarvan de echtheid geldt als omstreden. Er zijn moderne uitgaven waarin dat negental niet eens is opgenomen.
Waar komt zo’n indeling vandaan? Dat weten we toevallig: het corpus van Plato is georganiseerd door de Egyptische geleerde Tiberius Claudius Thrasyllus. Hij is bekender als de hofastroloog van keizer Tiberius (r.14-37), maar verrichtte ook wetenschappelijk werk.
Het probleem is dat we niet zo goed weten waarop hij zich baseerde, terwijl classici gegronde kritiek hebben. Daarvoor hebben ze zowel inhoudelijke als stylometrische argumenten. Er bestaat inmiddels een duidelijke consensus dat sommige door Thrasyllus als authentiek beschouwde dialogen zeker niet zijn geschreven door Plato. (Soortgelijke discussies zijn er over de brieven van Paulus. En als een auteur Pseudo-Xenofon heet, weet u ook hoe de vlag erbij hangt.)
Het is minder dramatisch dan het lijkt, want hoewel we van zes door Thrasyllus als authentiek getypeerde dialogen zeker weten dat ze niet echt zijn en dit vermoeden van nog vier teksten, zijn er dus zesentwintig waarover geen noemenswaardige twijfel bestaat. Die lenen zich voor mooie analyses. Dankzij stylometrisch onderzoek kunnen we ze bijvoorbeeld in chronologische volgorde zetten en zo komen tot een schets van de ontwikkeling van Plato’s denken. (Het antiquarisch nog verkrijgbare boek Plato. Schrijver van Gerard Koolschijn geeft een mooi beeld.)
Brief 7
Het pièce de résistance is de verzameling van Plato’s brieven. Sommige classici verwerpen ze allemaal als vrome fraudes. Een enkeling beschouwt ze – net als Thrasyllus – allemaal als echt. En de meeste onderzoekers denken dat sommige brieven echt zijn en andere onecht. Het beruchtst is Brief 7, waarin Plato vertelt over zijn pogingen in Syracuse een ideale staat te stichten. Een deel van zijn verslag staat haaks op wat hij elders beweert. Dat kan twee dingen betekenen: óf de brief is (ten dele) onecht, óf de filosoof was in de praktijk bereid tot compromissen. Politiek is immers de kunst van het haalbare.
Ik kom op Brief 7 nog eens terug. Maar voor het moment: de teksten die we uit de Oudheid hebben, zijn niet toevallig tot ons gekomen. Er zijn redacteuren als Thrasyllus geweest en er is tekstselectie geweest. We moeten de antieke tekstgeleerden dankbaar zijn dat ze de teksten hebben bewaard, maar wat zouden we graag méér weten over hun selectiecriteria en – vooral – over het materiaal dat ze niet hebben geselecteerd.
[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]
Zelfde tijdvak
Herodes Agrippa I in Nederlandjuni 11, 2015
Kon Jezus lezen en schrijven? (2)juni 20, 2021
Klassieke literatuur (1c): epiekjuni 18, 2016

“Het is minder dramatisch dan het lijkt”
Eigenlijk is het iets om enthousiast van te worden, want meer empirische data – alleen niet mbt Plato maar mbt Thrasyllus.