Naerebout & Singor, “De Oudheid”

Er zijn in het Nederlandse taalgebied (slechts) twee academische overzichtswerken over de oudheid. Eén daarvan, Een kennismaking met de oude wereld van Luuk de Blois en Bert van der Spek, was een tijdje geleden het onderwerp van een reeks blogjes op deze site. Het andere heet kortweg De Oudheid en is samengesteld door Frits Naerebout en Henk Singor. Ik kon het op de kop tikken in een kringloopwinkel en was aangenaam verrast door wat het te bieden had.

In het woord vooraf geven de auteurs blijk van ambitie: het doelpubliek bestaat zowel uit “bachelors” in universitaire richtingen waar het onderwerp deel uitmaakt van het curriculum, als geïnteresseerde leken zoals ikzelf. Het wil een eerste kennismaking zijn én een eenvoudig naslagwerk. Bovendien bestrijkt het boek zowel chronologisch als geografisch meer ruimte dan gebruikelijk, zo stellen de auteurs zelf. Vooral over die laatste keuze valt wat te zeggen: inderdaad passeren de verre buitengrenzen van het klassieke Grieks-Romeinse kader de revue. Stukjes geschiedenis van China en India komen aan bod. Maar de nadruk ligt zozeer op de Griekenland en Rome dat Han-China en Goepta-India er toch wat bij verzinken. De uithoeken vormen nu eens een finaal strijdtoneel voor Alexander de Grote, dan weer een vergelijkingspunt voor zich ontwikkelende beschavingen. Het boek was waarschijnlijk even geloofwaardig en vooral krachtiger geweest zonder. Je blijft als nog-niet-sinofiel of would-be-indofiel op je honger zitten.

Kniesoor

Nog in het woord vooraf verdelen de auteurs de verantwoordelijkheid. Afwisselend nemen ze namelijk het schrijfwerk van een hoofdstuk of onderdeel voor hun rekening. Het liet me toe te verifiëren wie me telkens weer stilistisch op de heupen werkte. Naerebout leest vlotter dan Singor, die grossiert in stoplappen en nodeloos ingewikkelde zinsconstructies.

Na het woord vooraf lichten de auteurs hun transcriptie toe. Ze doen dat zo plichtsgetrouw dat je je verwacht aan allerlei aangetaste woordbeelden maar daar komt niks van … behalve de bizarre keuze om de bij ons ingeburgerde ypsilon (een i-grec nota bene!) te vervangen door een u. Zo krijgen we gans het boek door Purrhos, Puthagoras, sumposion, gumnasion … en het went niet. De slotzin “herkenbaarheid en hanteerbaarheid stonden voorop, niet een of ander consequent systeem” (susteem?) klinkt aldus wat merkwaardig.

Nu de kniesoor in mij zich heeft kunnen uitleven, kunnen we overgaan naar het goede.

Hoe weten we wat we weten?

De inleiding vond ik alvast een voltreffer. Wij die intussen doordrongen zijn van Oudheidkunde is een wetenschap laven ons aan “bronnen en chronologie” of “materiële grondslagen”. De context voor al wat volgt wordt hier toegelicht, met andere woorden “hoe weten we wat we weten”. Hier heb ik zo van genoten dat ik er als quiz-opsteller mijn voordeel mee heb gedaan. Helaas zal die context gaandeweg verdampen. Met name (ik zoek toenadering tot mijn Nederlandse lezers) de socio-economische beschouwingen zullen me vaak doen afvragen: hoe weten we dit nu ook alweer? Dat vond ik dan weer zo knap in De wereld van Clovis, waarin Jeroen Wijnendaele doorlopend vermeldt waar de mosterd vandaan komt.

Inhoudelijke focus

Na de inleiding komen zes hoofdstukken, die elk een tijdvak beslaan. In “eeuwige” numerieke notatie: voor -10, -10 tot –5, -5 en -4, -4 tot +1, +1 tot +6, en na +6. Die krijgen dan een geografische en thematische onderverdeling: eerst een “historisch overzicht” van de Euraziatische staten, Griekenland en Rome (met voortschrijdend gewicht); vervolgens “de grote maatschappelijke structuren” met focus op politiek, economie en sociale verhoudingen; en tot slot “het gemeenschapsleven”, toegespitst op collectief versus individu, man-vrouw en religie.

Die inhoudelijke focus verraste mij het meest en in positieve zin: historische gebeurtenissen die in ons collectief geheugen gegrift staan, worden – misschien net daarom – zeer terloops vermeld: de .moord op Caesar, de brand in Rome, de slag in het Teutoburgerwoud… Zij vormen bijna eerder een referentiekader waartegen de maatschappelijke verhoudingen worden geschetst.

Eens bekomen van de verbazing, vond ik het een boeiende keuze: zo leerde ik dat  in Athene de vrouwen afhankelijker waren van de mannen in hun familie dan in het collectivistische Sparta. Ik leerde ook dat Augustus zich in bochten wrong om zeker niet de illusie te wekken dat hij een koningschap nastreefde. Hoewel hij oppermachtig was, was het wel zo verstandig om de senaat en de burgerij geen gezichtsverlies te laten lijden. Dit bleek een blauwdruk voor de eerste keizers, tot ze quasi vergoddelijkten. En ik snap nu veel beter waarom joden en christenen zo’n bijzondere positie innemen in de geschiedenis: hun monotheïsme laat minder ruimte voor syncretisme en dus acculturatie. En nog veel meer, waarvoor ik het boek enkel kan aanraden. Ik ben al blij met drie inzichten zonder spieken. Persoonlijk heb ik het meest bijgeleerd over de politieke organisatie in Griekenland, waarover ik zeer weinig wist en waarvan ik nogal onder de indruk ben, als verknochte democraat.

Wat ontbreekt

Toch breekt de doorgedreven structuur van het boek af en toe zuur op: de tijdvakken zijn onmiskenbaar gekozen op historische breuklijnen, zoals de overgang naar een keizerrijk of de ondergang daarvan, terwijl de maatschappelijke tendensen een veel meer fluïde verloop kennen. Dat geven de auteurs zelf regelmatig aan, maar het zorgt er wel voor dat er behoorlijke overlap zit in de socio-economische hoofdmoot van het boek, over de tijdvakken heen. De breedvoerige stijl van Singor maakt de zaak er niet helderder op.

In het laatste hoofdstuk gaat het erg snel: de Arabische opmars krijgt een paragraaf, de Keltische missionering enkele zinnetjes, Byzantium gelukkig wat meer. Het treft dus dat Wijnendaele in De wereld van Clovis de laat-antieke voorgeschiedenis uitgebreid schetst. Daarbij moet me overigens van het hart dat de verzamelde oudheidkundigen me nog niet hebben kunnen duidelijk maken of “de volksverhuizingen” nu een vorm van massamigratie was, met hebbens en houdens, waarbij in ijltempo nieuwe koninkrijken gesticht werden met een homogene etnie, dan wel of het voornamelijk krachtmetingen betrof van rondtrekkende legers in een verzwakt West-Romeinse rijk, die militaire heerschappij uitoefenden op een etnisch gelaagde bevolking. Met het eerste beeld ben ik opgegroeid, het tweede is het nu gangbare narratief. Toch lijken ook de jongere auteurs, en niet enkel Naerebout en Singor, zich daarin nog vaak te verspreken. Ook de oer-sprong van die volksverhuizingen, de plotse drift van oostelijke steppevolkeren, blijft voor mij in nevelen gehuld.

Nawerk

Tot slot offreert het duo enkele schema’s en tabellen, die de belofte van een naslagwerk proberen na te komen. De schema’s zijn handig om de soms zware tekst samenvattend te herhalen maar al bij al te summier. De tabellen vinden we tegenwoordig zelf wel terug. Het chronologisch overzicht bevat dan weer gebeurtenissen die in de tekst niet aan bod kwamen. Dat doet me dan toch besluiten dat de auteurs te rigoureus gesneden hebben in historische weetjes. Die geven immers niet alleen kleur aan het grote verhaal, ze zorgen ook voor rustpunten van herkenning.

Slotsom: het is wellicht onmogelijk om alle dimensies – geografisch, thematisch, chronologisch – onder een passende koepel te brengen, maar de gekozen structuur en stilistische spijkers maken het boek soms moeilijk verteerbaar. Een eerste kennismaking was het uiteraard niet, en het Internet is mijn naslagwerk. Toch is dit een bijzonder interessant overzicht van de Oudheid, met een opvallende focus op andere aspecten dan louter historische feiten, en – voor mij – heel wat nieuwe inzichten

[Een gastbijdrage van Dieter Verhofstadt. Dank je wel Dieter!]

Deel dit:

9 gedachtes over “Naerebout & Singor, “De Oudheid”

  1. Sara

    In de editie (1995) die ik heb van dit boek, is een klein euvel reeds verholpen. Daar staat Pythagoras e.d. met een ‘y”.

  2. Ben Spaans

    Er is/was nog een derde academisch overzichtswerk voor het Nederlandse taalgebied, Wes en Versnel (e.a) De Wereld van de Oudheid https://www.bol.com/nl/nl/p/wereld-vd-oudheid/1001004005110111/
    Dat heb ik destijds moeten gebruiken aan de toenmalige RUL, tegenwoordig gewoon Universiteit Leiden en het staat nog altijd in mijn kast (een Billy tegenwoordig, inboeten kader van verbreiding van volstrekt nutteloze info🙃).

    1. Martin van Staveren

      Ik ben aan de universiteit van Leiden gepromoveerd (natuurkunde). We. Gingen vaak koffie drinken op een pleintje met de maan Gerecht, daar was nog een afvoer, waarin vroeger het bloed van onthoofde mensen verdween.

  3. “Ook de oer-sprong van die volksverhuizingen, de plotse drift van oostelijke steppevolkeren, blijft voor mij in nevelen gehuld.”

    Diep triest dat ook ‘hedendaagse’ auteurs dat narratief nog gebruiken.
    Die ‘oer-sprong’ is er niet. Veel te vaak nog worden de Hunnen opgevoerd als eerste dominosteen die alles in gang zouden hebben gezet, maar er is tegenwoordig genoeg kennis van Centraal-Azië gepubliceerd om minder gemakzuchtig te zijn.

    De beweging van oost naar west is er namelijk altijd geweest, en niet alleen Europa maar ook het Midden-Oosten kent millennia aan invallen vanaf de steppe. Cimmerische nomaden hielden in de 8e eeuw v.Chr huis in het huidige Turkije en Iran, en niet veel later bereikten de Scythen zelfs Egypte. Hun voorbeeld werd tot in de Middeleeuwen gevolgd, ik meen dat Karel de Grote de Avaren in Beieren versloeg – de Mongolen bereikten nog Hongarije en Polen.

    Natuurlijk had dat impact op de groepen in de getroffen gebieden, die (naast dit geweld) ook door economische en klimaatoorzaken in beweging konden komen: de Kimbren en Teutonen deden dat in de 1ste eeuw v.Chr. en werden als eersten door Romeinse historici opgemerkt.
    Oorzaken voor de ‘volksverhuizingen’ vanaf de 3de eeuw zijn waarschijnlijk (want natuurlijk weten we het niet) een mix van klimaat, conflict en politiek: concurrentie in Scandinavië, de Romeinse Derde Eeuw en de vorming van de Franken vanuit kleinere stammen kunnen net zo goed van invloed zijn geweest als de vorming van de Goten op de Balkan of de groeiende macht van de Hunnen in de late 4de eeuw.

    Zodoende hebben ‘DE’ volksverhuizingen nooit bestaan(*), zeker niet de ’traditionele’ stroom aan huifkarren die vooral geïnspireerd lijkt te zijn door het beeld van Europese kolonisten die in Noord-Amerika naar het westen trokken.

    (*) natuurlijk mijn mening. 😉

    1. Ben Spaans

      De vraag is misschien eerder: waarom stopten (als dat de goede term is) de volksverhuizingen, of een andere vraag in de materie, waarom nam hun ‘impact’ steeds meer af?

      (Is het een beetje begrijpelijk waar ik naartoe wil?)

      1. Misschien is de vraag nog anders: waarom maakten bedreigende barbaren hun opwachting in de bronnen en waarom verdwenen ze? Welke Romeinen hadden er belang bij deze beeldvorming en waarom?

        Dat kán betekenen dat er feitelijk iets aan de hand was. Een toename van het aantal vijandelijke doorbraken is zeker plausibel. Het kan echter ook betekenen dat generaals meer credits kregen bij een overwinning, of dat interne spanningen werden afgereageerd door een externe bedreiging te verzinnen. Etc.

Reacties zijn gesloten.