
Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer de uitbreiding van het databestand in Mesopotamië en Arabië, waarbij ook allerlei Grieken en Romeinen opduiken.
Spijkerschrift
Ik heb weleens geblogd over de omvang van het overgeleverde corpus van de diverse oude talen, want wetenschappers hebben een jaar of twintig geleden eens uitgeknobbeld hoeveel woorden er over zijn. Over het belang en de methode van zo’n exercitie valt een boom op te zetten, en er is ook wel kritiek op, maar sommige conclusies zijn duidelijk: van de oude talen vóór 300 na Chr. is het Grieks, gemeten aan het overgeleverde aantal woorden, met afstand het grootst. Op een gedeelde tweede plaats stonden het Latijn en het Akkadisch, de spreektaal van de Babyloniërs en Assyriërs en de taal van de internationale diplomatie in de Bronstijd. Het Akkadische corpus blijft groeien: elk jaar worden meer kleitabletten opgegraven dan gepubliceerd.
Dankzij moderne scanners kunnen kleitabletten vrij snel worden ingelezen en de ingekraste tekens zijn met moderne computertechnieken te lezen. Het is niet zo dat het transcriberen van een Akkadische tekst nu appeltje-eitje is, maar er zit schot in de zaak. De volgende stap is de vertaling, ongeveer zoals u DeepL of Google Translate kunt gebruiken. De flessenhals is dat de artificiële intelligentie een digitale kennisbasis (knowledge base) nodig heeft. De tienduizenden teksten die al in digitale vorm bestaan, zijn daarvoor eigenlijk te weinig. Maar opnieuw: er komt schot in de zaak, de grootste filologische data-explosie aller tijden komt binnen handbereik en hier is een initiatief waaraan u kunt meewerken.
U moet natuurlijk wel Akkadisch kunnen lezen. En wat zo aardig is: Ex Oriente Lux biedt net een cursus aan.
Het vroege Arabië
Meer geschreven data: dat geldt niet alleen voor Akkadische teksten uit Mesopotamië, maar ook voor de talen van het oudste Arabië. Dus zeg maar Syrië, Jordanië en het noorden van Saoedi-Arabië; later ook noordelijk en westelijk Irak en zuidelijk Saoedi-Arabië, en uiteraard nog meer na het ontstaan van het Kalifaat. Ik beschrijf deze korte geschiedenis omdat het misverstand dat het Arabisch zich langs de Wierookroute van zuid naar noord verspreidde, blijft terugkeren, waarbij de aanname dan is dat het Arabische Schiereiland een cultuurcentrum was dat de Arabische cultuur “uitzond”.
Dat ligt dus anders en dat inzicht danken we aan de duizenden en duizenden Arabische inscripties die de afgelopen kwart eeuw zijn gepubliceerd. Onze kennis van de antieke Zuid-Semitische talen, zoals het Safaïtisch, is spectaculair gegroeid. U vindt de inscripties, kort en lang, op de website OCIANIA. De webmasters hebben een leuk overzicht gemaakt van de intrigerendste ontdekkingen van 2025. Zoals:
- Een vermelding van de koning van Babylon;
- Een man met een Griekse naam en Joodse vrienden;
- Een Safaïtisch ABC met de letters in de volgorde van het Griekse alfabet;
- Een Romein die door de stam Thamud is verdreven.
Het interessantst is een slaaf die zijn stamboom geeft, wat extreem zeldzaam is in de oude wereld, en die zijn meesters aanduidt met de Aramese/Hebreeuwse naam Ismaëlieten. Dit illustreert dat de naam “Arabieren” lang niet altijd gangbaar is geweest. In de oudste, voor-Arabische talen van Jemen was het zelfs een verwijt iemand aan te duiden als Arabier. Het voornaamste punt is hier dat we de complexiteit van dit deel van de oude wereld steeds scherper in zicht krijgen.
Ik rond dit blogje belerend af met een waarschuwing: ook al groeit de omvang van ons databestand, dat is op zich geen wetenschap. De verwerving van data is slechts een voorwaarde voor wetenschap. Het feitelijke werk is de interpretatie; het belang is de vergelijking met het heden, waardoor we onszelf beter leren kennen; en nieuws is het alleen als er nieuwe soorten inzicht zijn. Dit blogje was dan ook alleen geschreven voor u, oudheidliefhebber.

De oudheidliefhebbers waarderen dit blogje.
“dat is geen wetenschap”
Het is één van de twee essentiële onderdelen. Zonder data valt er niets te interpreteren, theoretiseren, verifiëren, falsificeren enz. enz. En zoals blijkt uit “Dankzij moderne scanners …” en dan vooral “transcriberen van een Akkadische tekst” heeft men meestal interpretaties en theorieën nodig om die data te verwerven die men hebben wil.
Ik wil maar zeggen: de wisselwerking is cruciaal. De tegenstelling empiricisme vs. rationalisme is van de 18e eeuw en achterhaald. De wetenschappelijke methode is de synthese van de twee.
Natuurlijk is de wisselwerking cruciaal. Maar voor mij belangrijk is: nieuws is de dataverwerving niet. Het is leuk voor een blogje voor oudheidliefhebbers, maar niet voor de rest van de mensheid. En zoals je weet (want ik zeg het pas voor de 835.792e keer) gaat vrijwel alle oudheidkundige nieuws in de krant over dataverwerving, niet over de wisselwerking en over het toetsen van hypothesen. Terwijl men toch de mond vol heeft over het maatschappelijke belang van de wetenschap.
Ik kom er nog even op terug. Wat je zegt
“zonder data valt er niets te interpreteren, theoretiseren, verifiëren, falsificeren”
Dat veronderstelt de correspondentietheorie van de waarheid, wat voor bijvoorbeeld archeologen klopt. Maar bedenk dat er ook wetenschappers zijn voor wie de coherentietheorie relevant is (historici, wiskundigen…). Hoewel die indirect ook data veronderstelt, hangen falsificatie e.d. daar meer samen met consistentie met andere hypothesen.
Daar kan ik als wiskundige niets aan toevoegen, als professional in software-productontwikkeling wel. “Data” was de voorbije vijf jaar de gouden graal. In diverse omgevingen heb ik gezien hoe de obsessie met dataverwerving op de duur het zicht vertroebelde: wat willen we nu eigenlijk meten, waarom, welke aannames toetsen we daarmee, hoe verhouden “passieve input” (observatie) en “actieve input” (contextualisering) zich tot elkaar. Er was ook een soort van “data paralysis”: we kunnen nog geen conclusie trekken, we hebben eerst meer data nodig.
Afgelopen jaar is dat dooreengeschud door AI. Nu is het al intelligentie en interpretatie wat de klok slaat en welke data daarvoor gebruikt zijn, lijkt plots minder van tel.
In de enge wereld van het bordspel Go heb ik AI al het langst kunnen observeren. Interessant van deze discussie: de computer stak de mens pas definitief de loef af toen de makers van AlphaGo (Deepmind) beslisten om het zwakste element in de ketting te dumpen: de data van partijen gespeeld door experts. AlphaGo vertrok opnieuw van de spelregels en genereerde zijn eigen data. Hierover kan ik uitweiden, maar ik hou het hierbij.