Aristoteles (Huis van de Europese Geschiedenis, Brussel)
Zonder Aristoteles zouden we geen debat hebben gehad over de val van het Romeinse Rijk, schreef ik geen blogjes over de Eerste Tussenperiode en hoefden we ook de Zeevolkencrisis niet te bediscussiëren. Hadden wetenschappers daarentegen wat meer Ovidius gelezen, dan was ons een hoop bespaard gebleven. Helaas is het niet zo en nou zitten we dus met de brokken.
Groei, bloei en neergang
De moeilijkheid is te illustreren aan de hand van een van Aristoteles’ bekendste werken, de Poëtika, waarvan het overgeleverde deel is gewijd aan tragedies. (Een slothoofdstuk over komedies ontbreekt.) De auteur beschrijft hoe het genre zich stap voor stap ontwikkelde, tot het zijn eindvorm bereikte. Aristoteles gebruikt dus een botanische metafoor: de tragedie groeide steeds meer naar wat de filosoof beschouwde als natuurlijk einddoel.
Dit is het tiende van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het is ook het meest spectaculaire (vind ik). Het eerste blogje was hier.
***
Persepolis
Op 8 november 1704 arriveerden Cornelis de Bruijn en VOC-ambtenaar Adriaan Backer in Persepolis, waar ze tot 23 januari 1705 zouden blijven. Ze waren niet de eerste westerlingen die de oude stad bezochten. Ze ligt immers langs de hoofdweg van de Perzische Golf en Shiraz naar Isfahan. Verschillende Europese reizigers hadden al beschrijvingen gegeven van Chehel Minar, “veertig kolommen”, maar geen van hen verbleef tweeënhalve maand tussen de ruïnes, geen van hen raakte zo vertrouwd met de plek, geen van hen maakte zulke prachtige illustraties.
De Bruijns boek, Reizen over Moskovie, door Persie en Indie, bood de eerste betrouwbare beschrijving van de oude ruïnes, die hij correct identificeerde als de overblijfselen van de hoofdstad van het oude Achaimenidische Rijk, wat destijds nog werd betwist. De Fransman Jean de Thévenot (1633-1667) vond de plek te klein en suggereerde dat het een tempel was. De Bruijn realiseerde zich echter dat het terras slechts een deel was van de stad en dat de mensen in de vlakte hadden gewoond: een idee, zo geeft hij toe, dat hem in een Perzisch boek was geopperd.
Diocletianus en Maximianus, de architecten van het late Romeinse Rijk (Bode Museum, Berlijn)
Ik gaf u gisteren een overzicht van de Tetrarchie: twee keizers, de augusti, die als co-managers samenwerkten met hun kroonprinsen, de caesares. Ik vertelde al dat het Romeinse Rijk, dat in theorie altijd een eenheid bleef, in twee helften uiteen begon te vallen: een Griekstalige met oude steden en een Latijntalige, waar de urbanisatie minder grondig was. Er zijn overigens nog volop momenten geweest waarop er slechts één augustus was die heerste over beide rijkshelften. Maar wat, afgezien van het bestuurssysteem, veranderden de twee augusti Diocletianus en Maximianus?
De curiales
De Crisis van de Derde Eeuw had aanzienlijke schade achtergelaten. Niet overal op elk moment evenveel, en sommige streken (zoals de Maghreb) kwamen er juist beter vanaf, maar grosso modo waren de omstandigheden niet bepaald geweldig. In Een kennismaking met de oude wereld wijzen Luuk de Blois en Bert van der Spek erop dat de lokale elites het hard voor de kiezen hadden gekregen. Deze mensen, die we aanduidden als curiales, stonden in elke stad met hun persoonlijke vermogen borg voor allerlei gemeentelijke uitgaven em de vaste belastingafdracht . Hun probleem was dat enerzijds de kosten van bijvoorbeeld het onderhoud van een stadsmuur constant waren terwijl de centrale overheid meer geld nodig had om een vergroot leger te financieren, terwijl anderzijds de steden kampten met bevolkingsafname, en dus minder belastingbetalers.
De Byzantijnse geschiedenis begint op het moment dat de Romeinse keizers Constantinopel in gebruik namen als voornaamste keizerlijke residentie. Wie een datum zoekt, zou 11 mei 330 kunnen noemen, maar iedereen begrijpt dat het niet op een dag eerder of later steekt. De geschiedenis eindigt in elk geval op een heel precies moment: op 29 mei 1453. Toen veroverde de Ottomaanse sultan Mehmet II de stad. Ik blogde er al eens over. Historici verdelen het tussenliggende millennium in drie perioden.
Justinianus
De eerste daarvan, van 330 tot 867, is te typeren als ontstaan, crisis en voortbestaan. Tijdens de regering van Justinianus (r.527-565) deden de Byzantijnen een laatste poging de westelijke provincies van het voormalige Romeinse Rijk te heroveren. Dit plan slaagde grotendeels: generaal Belisarius heroverde de rijke provincies in Italië en Afrika, de steden in Libië verjongden (de Ananeosis) en Byzantijns goud kocht invloed in Frankisch Gallië en Visigotisch Spanje. De hervonden eenheid werd gevierd met de bouw van de kerk van de Heilige Wijsheid, de Hagia Sofia, in Constantinopel. De prijs voor de hereniging was echter hoog. Justinianus moest de Sassanidische Perzen afkopen en kreeg te maken met stevig verzet, bijvoorbeeld in Ostrogotisch Italië.
Het wapen van het Byzantijnse Rijk: de adelaar (Gouden Poort, Istanbul)
Ik heb nog nooit systematisch geblogd over het Byzantijnse Rijk. O zeker, het machtigste keizerrijk uit de Middeleeuwen is op deze plaats zo nu en dan aan de orde geweest. Er is zelfs een reeks krabbels geweest. Maar een systematisch overzicht ontbreekt en daar moet rap verandering in komen. Vind ik dan.
Byzantion
Om te beginnen: Byzantion was een kleine maar belangrijke stad aan de Bosporus, de zeestraat die de Egeïsche Zee via de Zee van Marmara verbindt met de Zwarte Zee en die Europa scheidt van Azië. Een kleine anderhalve eeuw, van 479 tot 334 v.Chr., markeerde de stad de grens tussen de Griekse en de Perzische wereld. Later was het de verbinding tussen Macedonië en het Seleukidische Rijk. In de Romeinse wereld, waarin het belang van de handel geleidelijk toenam, nam ook het belang van Byzantion toe.
Je zou denken dat intelligente mensen alleen maar heel verstandige dingen doen en hun tijd besteden aan heel belangrijke zaken. Of zaken waar iets zinvols over te zeggen is. Maar zo is het niet en als voorbeeld noem ik de trivialiteit der trivialiteiten: de plaats waar Hannibal in het najaar van 218 v.Chr. de Alpen is overgestoken. Ik heb inmiddels een kleine vijftig publicaties over de materie verzameld en het zijn niet de geringste geleerden die zich over deze kwestie het hoofd hebben gebroken.
Grappig genoeg is er al in de Oudheid over gedebatteerd. De Griekse historicus Polybios schrijft namelijk ergens dat hij het gebied heeft bezocht. Hij zou nooit zo’n autoriteitsclaim hebben hoeven doen als er geen discussie over was geweest. Niet iedereen was overtuigd. In elk geval Titus Livius vond niet dat hij Polybios’ verslag zomaar kon overnemen. De kwestie speelde daarna steeds minder een rol, tot de de Zwitserse humanist Josias Simmler in de zestiende eeuw de kwestie weer oprakelde met de bewering dat Hannibal over de Mont-Cenis van Gallië naar de Po-vlakte was getrokken. Sindsdien is het bal.
Als ik de Rijn moest oversteken, nam ik deze brug bij Mainz. Ik weet niet meer waar ik deze penning heb gefotografeerd.
Misverstand: De barbaren staken in 406 een bevroren Rijn over
Het Romeinse Rijk bleef niet eeuwig bestaan, al is niet precies duidelijk waardoor het in West-Europa verdween. Er wordt al een eeuw of twee, drie over gediscussieerd en het einde van het debat lijkt nog niet in zicht. Eén factor wordt echter steeds opnieuw genoemd: de invallen van barbaarse stammen. Die raakten weliswaar snel geassimileerd, maar de dreiging was van tijd tot tijd zeer reëel.
Zo staken op de laatste dag van 406 de Vandalen, Sueben en Alanen de Rijn over. Het Romeinse leger dat de grens had moeten verdedigen, was op dat moment niet op volle sterkte omdat veel troepen in Italië waren om te vechten tegen een andere groep barbaren, die al eerder een inval hadden gedaan. Een jaar later brak er tussen de Romeinen ook nog eens een burgeroorlog uit. De Vandalen, Sueben en Alanen konden vrijwel ongehinderd Gallië onder de voet lopen.
Na Xerxes’ mislukte poging Griekenland te onderwerpen, zette een door Athene aangevoerd bondgenootschap de strijd tegen het Perzische Rijk voort met aanvallen op de Perzische havensteden. Een poging de Perzen uit Egypte te verdrijven liep echter uit op een mislukking, en omstreeks 449 kwamen Athene en koning Artaxerxes I overeen elkaars invloedssfeer te respecteren. Of er sprake is geweest van een officieel verdrag is onduidelijk, maar de verhoudingen verbeterden zodanig dat de Griekse onderzoeker Herodotos vrijuit door het Perzische Rijk kon reizen en bijvoorbeeld Babylon bezocht. Althans, die indruk wil hij wekken met zijn uitgebreide beschrijving van de stad, waarin hij vol verontwaardiging melding maakt van tempelprostitutie. Zijn verhaal werd zó bekend dat “Babylon” synoniem is geworden met erotiek en decadentie.
[Tweede deel van een stuk over Edward Gibbon; het eerste is hier.]
Het christendom
Edward Gibbon was niet uitsluitend negatief over het christendom. Hij merkt bijvoorbeeld ergens op dat de populariteit van de nieuwe religie weliswaar de val van Rome had bespoedigd, maar deze val ook brak doordat ze het woeste temperament van de barbaren verzachtte. Toch valt te begrijpen waarom iemand als Samuel Johnson, de beroemde lexicograaf, aanstoot nam aan Decline and Fall, want zelfs als Gibbon ogenschijnlijk verwijten maakte aan de heidenen, nam hij in feite de christenen op de korrel. Het vijftiende hoofdstuk eindigt met de quasi-verbaasde constatering dat de heidense filosofen wel érg onverschillig waren omgegaan met de grote veranderingen in de fysische en zedelijke wetten van de wereld. Was de leer van Christus niet bevestigd geweest doordat de lammen wandelden, de blinden zagen, zieken genazen, doden opstonden, demonen werden uitgedreven en de natuurwetten steeds opnieuw waren opgeschort ten behoeve van de Kerk? De eigenlijke strekking van deze woorden was natuurlijk dat de bijbelse wonderen geen historische gebeurtenissen waren.
Net als Winckelmann, over wie ik al eens blogde, was de Britse historicus Edward Gibbon (1737-1794) in staat de oudheidkunde te vernieuwen doordat hij een betrekkelijke buitenstaander was. Toch is er geen groter contrast denkbaar dan dat tussen de schoenlapperszoon Winckelmann en de aristocratische Gibbon, die Engelands beste scholen had bezocht. Desondanks vond hij in Oxford het onderwijs zó steriel dat hij zich, zoals hij het later zou verwoorden, “dreigde te verliezen in de dwalingen van de kerk van Rome”. Dit was voor een Engelse lord een ernstige zaak, want katholieken konden geen zitting nemen in het Hogerhuis. Vader Gibbon greep dus in vóór de ongelukkige student de familie-eer op het spel had kunnen zetten en stuurde hem naar Lausanne, waar de jonge Gibbon terechtkwam in een heel ander geestelijk klimaat. Vervuld van Verlichtingsideeën en met het voornemen een geschiedwerk te gaan schrijven, keerde de jongeman terug naar zijn vaderland.
Daar wachtte hem eerst de militaire dienst. Een nuttige activiteit, zou hij later oordelen, althans om een historicus te scholen. (Om dezelfde reden zou hij tussen 1773 en 1781 zitting nemen in het parlement.) Tijdens zijn legerjaren schijnt Gibbon het hoofd al gebroken te hebben over een van de belangrijkste kwesties van die tijd, namelijk de vraag of er een einde kon komen aan de vooruitgang. Hoe dramatisch de ineenstorting van een beschaving feitelijk is, lijkt echter pas tot hem te zijn doorgedrongen toen hij tijdens een reis naar Italië de ruïnes van Rome zag. Hoewel hij in zijn autobiografie anders zou beweren, dacht hij toen nog niet aan het schrijven over de ondergang van het Romeinse Rijk, want zijn eerste poging tot geschiedschrijving was een boek over de vrijheid van Zwitserland. Daarin wilde hij beargumenteren dat de beste garantie voor de vooruitgang lag in de burgerlijke vrijheid.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.