
Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’ Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).
Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.
Anders gezegd: tegenover het rond 1990 al verouderde beeld dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan door aanvallen van Germanen en andere barbaren, waarna de Visigoten de macht hadden overgenomen in Spanje, kwam een nieuw beeld, dat de nadruk legde op de assimilatie van nieuwkomers. De etiketten die wij geven aan tijdvakken zijn zelden vrij van politieke connotaties (bijv. Sumerische Renaissance of Byzantijnse Rijk), maar we kunnen ze niet altijd meer vervangen, en zolang we ons bewust zijn van de connotaties, is het ook niet zo urgent. Maar de naam “Rijk van Toledo” is toch wel te verkiezen boven Hispania visigoda.
Het Rijk van Toulouse
Wat was eraan vooraf gegaan? Ik heb het al eens beschreven: in augustus 378 versloeg een leger van “barbaren”, gecommandeerd door Fritigern (r.376-380), het Romeinse leger van keizer Valens bij Adrianopel. Daarna zwierf dat leger over de Balkan, nu eens in dienst van de keizer, dan weer met een eigen agenda. Uiteindelijk kwam dit leger aan in Aquitanië, waar de soldaten land kregen. Het is gebruikelijk deze groep “Visigotisch” te noemen, hoewel er behalve Goten ook mensen bij waren met andere etnische achtergronden, en hoewel die naam pas later opduikt.
De hoofdstad van koning Theodorik I (r.418-451) was Toulouse en zijn volgelingen kregen landerijen. Het Romeinse kadaster kende diverse categorieën, variërend van luxe paleisvilla’s tot simpele hoeven, en de nieuwkomers kregen 2/3 van de landgoederen uit de beste categorie. Het hiervoor gebruikte eufemisme was hospitalitas. We hoeven geen medelijden te hebben met de onteigenden: grootgrondbezitters bezaten meestal diverse boerderijen, inclusief 100% van de iets minder goede landgoederen. Ze zullen bovendien hebben bedacht dat de nieuwkomers gevechtservaring hadden. Die barbaren konden nog eens nuttig zijn, zullen de superrijken hebben gedacht, als er eens een boerenopstand dreigde.

De culturele tegenstellingen tussen de Gallo-Romeinse bevolking en de immigranten waren minder groot dan wel aangenomen is geweest. De Belgische historicus Henri Pirenne wees er al in 1922 op dat de zwerftocht van de Visigoten archeologisch niet valt te documenteren. De mantelspelden en gespen die men weleens aanduidt als Germaans, kunnen door iedereen zijn gedragen, en als Franse musea het hebben over wisigothique, is dat een tijdperk en geen etnische duiding. De nieuwkomers beheersten het Latijn. Ze waren ook christelijk. Misschien dat een bisschop mopperde dat die vermaledijde Germanen vervloekte arianen waren, en uit de veelal christelijke bronnen zou je afleiden dat dit een urgente kwestie was, maar dit is vooral bias.noot
Sidonius Apollinaris
Een van de belangrijkste bronnen voor het leven in het Rijk van Toulouse is de brievencollectie van Sidonius Apollinaris. Hij lijkt wel wat op Synesios van Kyrene: voorname afkomst, geverseerd in de letteren en uiteindelijk, na een civiele loopbaan, benoemd tot bisschop. Dat laatste betekent niet dat zulke mannen een geestelijke roeping hadden; het was een manier om verantwoordelijkheid voor de samenleving te nemen en het aanzien te behouden waarop men recht meende te hebben.
In Sidonius’ vroegste brieven vinden we nogal wat overdreven, stereotiepe opmerkingen over wilde barbaren. Later, als hij zijn bisschopsstad Clermont-Ferrand heeft verloren aan koning Eurik van Toulouse (r.466-484) en als hij enige tijd gedetineerd is geweest, blijkt hij echter een andere kijk te hebben op de vermeende woestelingen. Sidonius erkent dat Eurik en zijn hovelingen de feitelijke erfgenamen zijn van het keizerrijk. Deze koning, en zijn voorganger Theodorik II, hadden veel gedaan om zich als Romeins magistraat te presenteren, zoals het afkondigen van wetten in de (verloren) Codex Theodoricianus en de (als palimpsest gedeeltelijk bewaarde) Codex Euricianus.
Even iets over die codificaties. Terwijl eerdere onderzoekers opperden dat deze wetgeving alleen gold voor de Romeinen in de door Theodorik II en Eurik beheerste gebieden, heeft Collins aannemelijk weten te maken dat de regels golden voor alle ingezetenen. Daarmee bewaarden deze codificaties de algemeenheid van het Romeins Recht die in Europa pas terugkeerde met het Allgemeines Landesrecht in Pruisen (1794) en de Code Napoleon (1804).

Terug naar Sidonius. Misschien is hij het meest overtuigend als hij zijn eigen culturele standaard als norm neemt en schrijft dat de Visigoten zo goed Latijn spraken en zelfs bereid waren zich te scholen in de letteren.noot Het is tekenend dat de bisschop een gedicht aan Eurik wijdt dat alleen begrijpelijk is als deze heel goed Latijn kon.noot
De Codex Theodoricianus en Codex Euricianus waren geschreven in het Latijn, niet in het Gotisch, wat betekent dat minimaal een deel van de Visigoten de bestuurstaal goed beheerste. Dit wil niet zeggen dat men die taal ook in het dagelijks verkeer benutte, maar het is opmerkelijk dat Sidonius nergens melding maakt van tolken en allerlei mensen met Germaanse namen aanschrijft in het Latijn.
Zelfde tijdvak
De wereld van Clovismei 26, 2025
De veerkracht van het Romeinse Rijkdecember 19, 2024
“Barbaren” in het Romeinse legerdecember 10, 2025

“We hoeven geen medelijden te hebben met de onteigenden”
Daar hoef je in mijn geval niet bang voor te zijn. In de Oudheid waren grootgrondbezitters per definitie uitbuiters. Daarna eigenlijk ook, welbeschouwd.
“Daarmee bewaarden deze codificaties de algemeenheid van het Romeins Recht die in Europa pas terugkeerde.”
Daarmee rijst de vraag hoe die algemeenheid dán verloren ging. Want ook ik meende altijd dat dat samenging met de versplintering van het West-Romeinse Rijk. En hoe zat dat trouwens in het Oost-Romeinse Rijkd dan wel Byzantium?
“de nieuwkomers kregen 2/3 van de landgoederen uit de beste categorie”.
Aha, ging dat op zo’n manier! Ik heb me altijd al afgevraagd hoe dat dat ging met “landuitdelingen”. Want dat land was natuurlijk zelden onbezet, zelfs niet als er een teruggang was in de lokale bevolking. Dank voor dit detail!
De aristocraat Rutilius Namatianus moest niets hebben van de Goten. Hij had ze zien tekeergaan in Italië en keerde terug naar Gallië in de periode dat ze zich daar vestigden. Het waren barbaren en Rutilius voorspelt/hoopt in zijn lofrefe op Rome aan het begin van zijn gedicht dat de stad zich zal herstellen en hen onder het juk zal brengen, het lot van alle hoogmoedige barbaren, zoals eeuwen daarvoor georakeld door Vergilius (tu, regere imperio populos, Romane, memento…).
De Gotische ellende die het Rijk overkomt, wijt Rutilius aan de dan al overleden Stilicho. Dat een aantal vooraanstaanden in plaats van zich voor de staat in te zetten kiest voor een leven als monnik of kluizenaar vindt hij ook van de gekken.
De ironie wil dat in de latere duistere eeuwen juist in het Gotische koninkrijk de antieke cultuur beter stand hield dan in de rest van Gallië.
“De ironie wil dat in de latere duistere eeuwen juist in het Gotische koninkrijk de antieke cultuur beter stand hield dan in de rest van Gallië.”
Dat is deels toeval natuurlijk, deels vanwege heftige dynastieke conflicten onder de Franken. Maar ook omdat de Romanisatie in het zuiden sterken was dan bijvoorbeeld in Toxandria of de woeste Elzas. Ook in Boergondië hield de antieke cultuur goed stand.
“We hoeven geen medelijden te hebben met de onteigenden”
Vast niet, maar de meeste bewoners zullen de werknemers (ahem) en hun gezinnen zijn geweest, en die werden gewoon overgenomen zijn door de nieuwe heren. Dat hoeft geen pretje te zijn geweest.
“De mantelspelden en gespen die men weleens aanduidt als Germaans, kunnen door iedereen zijn gedragen”
Zeker waar, maar mantelspelden zijn een mode en ik verwacht niet dat jan en alleman zomaar zo’n speld opspeldde. Omgekeerd werden de Visigoten niet alleen door het leger bevoorraad (met hun eigen kruisboogfibulae), maar slonk en groeide de groep met elke nederlaag en zege door lokale provincialen, weggelopen slaven en leden van andere Germaanse groepen. Dus ook daarom valt er geen ‘Visigotische mode’ te ontdekken voor deze periode. En ook daarom moeten we niet verbaasd zijn over de kennis van Latijn onder deze groep.
“Later [..] blijkt [Sidonius] echter een andere kijk te hebben op de vermeende woestelingen. ”
Ja natuurlijk!
Hij is een tijd verbannen geweest en probeert alles om zijn bezit (deels) weer terug te krijgen! Dus likken bij de koning hoort er helemaal bij. Dit wordt ook terecht gezien als de echte ‘Val van het Rijk’: waar in de eerste decennia van de vijfde eeuw de samenwerking met de Goten (Arvandus-affaire) nog als verraad werd bestempeld, was dit na het midden van de eeuw al normaal geworden. Men wijzigde de identiteit: trouw aan Rome stond niet meer hoog op de ladder. Sidonius zoekt en vindt overeenkomsten met de nieuwe machthebbers.
Tekenend is dat Sidonius juist klaagt over Riothamus, de Brit die met troepen c. 460 in Gallië landt om de Goten te bestrijden uit naam van Rome. Diens blijkbaar succesvolle oproep aan landarbeiders, burgers en slaven om zich bij hem aan te sluiten leidt tot chagrijn bij Sidonius, die hem een boze brief schrijft. 😉