Klassieke literatuur (9): biografie

Seneca en Sokrates, twee volken in één cultuur: het culturele ideaal van Ploutarchos. Herme uit Rome, nu in het Altes Museum in Berlijn.

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik het genre van de biografie.]

Ik heb er al eerder op gewezen dat de Grieken en Romeinen methodisch individualisten waren, wetenschapsbargoens om aan te geven dat alleen individuen de oorzaak kunnen zijn van historische gebeurtenissen. Deze visie geldt als achterhaald: er bestaat zoiets als “institutionele overmacht”, wat wil zeggen dat menselijk gedrag wordt veroorzaakt door abstracte zaken die niet zijn te herleiden tot individuen. Over deze stof hoeven wij ons nu het hoofd niet te breken; waar het mij vandaag om gaat is dat het antieke denken over oorzakelijkheid met zich meebrengt dat men het karakter van de diverse historische personages relatief belangrijk vond. Dus ontstond een nieuw literair genre: de biografie.

Lees verder “Klassieke literatuur (9): biografie”

Romeinse astrologie

Deel van een diptiek van twee astrologische tabletten (Archeologisch museum, Grand)

Wat u hierboven ziet, is de rechterhelft van een van de twee bijna identieke astrologische diptieken die in 1967 zijn opgegraven in het Franse Grand, het antieke Andesina. Of beter: er zijn daar 188 ivoren splinters opgegraven, waarvan in het lab twee diptiekjes vielen te maken. Ze zijn bijna dertig centimeter lang, ofwel precies één Romeinse voet, en dateren uit de late tweede eeuw na Chr.

Hoe ze precies zijn gebruikt en door wie, dat valt weer eens niet te weten, maar dat deze voorwerpen het eigendom zijn geweest van een professionele sterrenwichelaar lijkt in elk geval mij een voor de hand liggende aanname. Je kunt je voorstellen dat zo iemand zijn praktijk had in de buurt van het Apolloheiligdom: een zonnegod immers die ook nog eens de geneeskunde een warm hart toedroeg. Op deze plek, waar mensen kwamen om te baden in de geneeskrachtige wateren, was behoorlijk wat publiek en menigeen zal hebben willen weten hoe groot de kans was op genezing. Zoiets verbeeld ik me althans bij deze tabletten.

Lees verder “Romeinse astrologie”

Historia Augusta (8): De biograaf

Keizer Probus (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

[Eind deze maand verschijnt bij Athenaeum – Polak & Van Gennep de eerste Nederlandstalige uitgave van de Historia Augusta. De vertaling van deze curieuze reeks biografieën van Romeinse keizers is van John Nagelkerken. Dit is de achtste van een reeks van negen blogposts; de eerste is hier.]

De historicus Ammianus Marcellinus, die een indrukwekkende geschiedenis heeft geschreven van de periode waarin de Historia Augusta tot stand lijkt te zijn gekomen, onderbreekt zijn verhaal ergens om te klagen over de oppervlakkigheid van Romes geletterde klasse, die zijns inziens scholing haatte als vergif en te veel triviale lectuur las. Als voorbeelden noemt hij de satiricus Juvenalis, die in deze tijd inderdaad weer in de mode raakte, en Marius Maximus. Waarschijnlijk was ook de laatste opnieuw populair en vond de auteur van de Historia Augusta Maximus’ biografieën, die hij typeert als breedvoerig, maar niks. Mogelijk heeft hij daarom besloten leesbaardere keizerlevens te schrijven.

Toen hij de primaire biografieën had geschreven, wilde onze auteur echter meer, en hij voegde daarom de secundaire biografieën toe, die hij baseerde op het al eerder geschrevene. Het resultaat beviel hem weinig, en daarom begon hij informatie toe te voegen. Dat konden verzonnen documenten zijn, maar zijn opmerkingen over de naam “Antoninus” (die in de primaire en secundaire biografieën nooit tegelijk voorkomen met verzonnen documenten) lijken hem aanvankelijk meer bevrediging te hebben gegeven. Hij besteedt er althans opvallend veel ruimte aan. De reden zou kunnen zijn dat hij met de Antoninus-passages enig verband legde tussen de afzonderlijke biografieën en zo eenheid oplegde aan zijn stof.

Lees verder “Historia Augusta (8): De biograaf”