Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome

Portret van een Romein uit de tijd van Macrobius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De wortels van de taalwetenschap liggen in de didactiek. Mensen willen weten hoe een taal in elkaar zit omdat ze die taal willen leren. Het helpt dan als iemand ze regelmatigheden aanwijst; het bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor het zelfstandig naamwoord in deze taal, en de derde persoon enkelvoud eindigt altijd op een p. Maar het wordt pas wetenschap als je dat praktisch nut loslaat, als je je afvraagt waarom dat bijvoeglijk naamwoord daar staat en hoezo talen eigenlijk een derdepersoonsvorm van een werkwoord hebben.

In de vijfde eeuw na Chr. legde bijvoorbeeld ergens in het Romeinse Rijk een geleerde heer twee talen naast elkaar die hij allebei al perfect beheerste en die hij aan niemand leren wilde. Geen enkel praktisch doel had hij, hij wilde alleen maar snappen hoe het zat.

Lees verder “Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome”

Het falen van Julianus de Afvallige (2)

Julianus de Afvallige (Staatliche Münzsammlung, München)

[Dit is het tweede en laatste deel van een door Jeroen Wijnendaele geschreven gastbijdrage over Julianus de Afvallige. Het eerste deel was hier.]

Burgeroorlog

[13] Het keerpunt was het jaar 353, toen Constantius II zegevierde in een dodelijke burgeroorlog. Die kostte het Rijk duizenden en duizenden soldaten. Een tijdgenoot riep uit wat een totale verspilling dit was (nogmaals: kostbare hulpbronnen!). Het imperium was nu verzwakt. Vervolgens betekende Julianus’ usurpatie in 360 dat Constantius troepen moest weghalen bij de Perzische grens, die hij bijna een kwart eeuw vakkundig had verdedigd.

[14] Julianus had zich in Gallië als een commandant bewezen door in het Rijnland efficiënt op te treden tegen de Alamannen en de Franken. Maar met zijn usurpatie en – vervolgens – het wegnemen van troepen om op te rukken tegen Constantius II, was hij verantwoordelijk voor de ontwrichting van een systeem dat in het Westen naar behoren werkte.

Lees verder “Het falen van Julianus de Afvallige (2)”

De Romeinse Provence (2)

Romeinse brug in Vaison

[Tweede deel van een blogje over Gallia Narbonensis, ofwel de Provence in de Romeinse tijd. Het eerste deel was hier.]

Keizertijd

Een geschiedenis van Gallia Narbonensis in de Keizertijd is een standaardverhaal. Het Romeinse Rijk, gevestigd met Blut und Eisen, garandeerde rust. Gallia Narbonensis behoorde in deze wereld tot de “binnencirkel” van de Romeinse provincies, wat inhield dat zo’n provincie meer belastingen betaalde dan de Romeinse overheid investeerde. Het was een wingewest. In de buitencirkel, waar de kostbare grenslegers waren gestationeerd, was dat andersom: daar gaf de overheid meer uit dan het aan belastingen binnen haalde.

Lees verder “De Romeinse Provence (2)”

V Macedonica in Dacië

Trajanus’ monument in Adamclisi

De verdere geschiedenis van V Macedonica volgt die van de andere legioenen uit de regio. Manschappen namen deel aan de oostelijke campagne van keizer Lucius Verus, die tussen 162 en 165 de Parthen versloeg. Bij terugkeer werd het legioen gestationeerd in Potaissa, het huidige Turda in Roemenië. De overplaatsing was noodzakelijk omdat verschillende, zoals de Sarmaten en Quaden, onrustig waren geworden. Keizer Marcus Aurelius bracht bijna tien jaar van zijn regering door aan de Midden-Donau. Vroeg tijdens het bewind van keizer Commodus (r.180-192) voerden Pescennius Niger en Clodius Albinus (beide toekomstige keizers) het bevel over V Macedonië en XIII Gemina. Samen versloegen ze de Sarmaten.

Toen deze oorlog eenmaal tot een goed einde was gebracht, richtten de Romeinen hun aandacht op de Daciërs in het binnenland. Arbeiders van de goudmijnen waren in opstand gekomen en hadden huurlingen in dienst genomen. Toen V Macedonica die had verslagen, kende keizer Commodus het in 185 of 187 de titel Pia Constans (“trouw en betrouwbaar”) of Pia Fidelis (“trouw en loyaal”) toe.

Lees verder “V Macedonica in Dacië”

Een schitterend museum in Plovdiv

Grote Basilica, Plovdiv

Soms zie ik iets dat zó tof is dat ik erover schrijven moet, zoals de museale inrichting rond de zogeheten Grote Basiliek van Plovdiv. Simpel samengevat: alles klopt. En ik ben zo enthousiast dat ik breek met mijn voornemen om, zolang ik in Bulgarije ben, geen blogjes te schrijven. Dit verhaal moet eruit, zo simpel.

Goed, wat is het? Toen ik in 2014 in Plovdiv was, zag ik bij het postkantoor een opgraving, maar ik was te moe om er lang naar te kijken; nu is daar een schitterend museum gebouwd over de grootste van twee basilieken. Die was gebouwd over een oudere tempel voor de keizercultus; elementen uit het oudere gebouw zijn gerecycled in het jongere, dat diende als de kerk van de bisschop van Plovdiv of, zoals de stad destijds heette, Filippopolis.

Lees verder “Een schitterend museum in Plovdiv”

De Maronitische Wereldkroniek (2) Arcadius

Arcadius (Valkhofmuseum, Nijmegen)

[Dit is het tweede van tien blogjes met de vertaling van de Maronitische Wereldkroniek. Een inleiding, literatuur en een waarschuwing de vertaling niet al te letterlijk te nemen, vindt u hier.]

706 SE. ≡ okt. 394/sept. 395

…… terwijl de keizer [Theodosius] met het Romeinse leger in de westelijke gebieden was en Eugenius zich … (?).

In de oostelijke gebieden van het Romeinse Rijk veroorzaakten de Hunnen onrust en staken … en Sofene en Mesopotamië over, waarna ze naar Galatië trokken. Deze ramp vond plaats in … in de tijd van Theodosius in zijn tweede regeringsjaar, dat was het jaar 706.

Theodosius regeerde zeventien jaar en enkele maanden, waarna de regering werd overgenomen door zijn zonen Arcadius en Honorius.

Lees verder “De Maronitische Wereldkroniek (2) Arcadius”

Tipasa

Tipasa, Villa aux fresques

Ik heb het voorrecht nogal wat te kunnen reizen. Mijn laatste reis, per trein en bus door Spanje, waas puur vakantie. Maar de meeste reizen maak ik als reisleider en omdat ik ook het programma van zo’n reis maak, kan ik eigenlijk altijd wel iets invoegen dat ik zelf nog nooit heb gezien. Ik denk dat ik bovengemiddeld veel antieke ruïnes en archeologische musea heb bezocht, en ik zou niet goed weten wat ik de allermooiste vind – maar de Algerijnse stad Tipasa scoort hoog, heel hoog.

Het begint natuurlijk bij de locatie: aan de kust. In de hierboven afgebeelde villa moet het heerlijk wonen zijn geweest, met altijd het ruisen van de zee en een achtertuin die ook destijds overging in een bos. Dat was niet overal zo; momenteel zijn er meer bomen dan vroeger, zodat de site iets feeërieks heeft, al is het natuurlijk niet bepaald historisch verantwoord. Ik zei dat Tipasa mooi is, niet dat je er als het ware door een antieke stad wandelde. Daarvoor moet je naar Pompeii.

Lees verder “Tipasa”

Byzantijns Thracië

Het slagveld van Adrianopel

[Dit is het laatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Volksverhuizingen, deel één

Ik heb op deze blog regelmatig aangegeven dat de Grote Volksverhuizingen niet zo groot waren, dat er zelden hele volken bij waren betrokken en dat er eigenlijk ook niet meetbaar meer werd verhuisd dan anders. Op die regel zijn wel wat uitzonderingen, en het diocees Thracië is er daarvan een.

Om te beginnen verzochten in 375 allerlei groepen uit de noordelijke gebieden of ze zich mochten vestigen in het Romeinse Rijk. Het ging om de Goten die bekendstaan als Tervingi, maar er waren ook andere migranten. Zo’n verzoek was niet uniek en keizer Valens zag, zoals al zijn voorgangers in soortgelijke situaties, een gelegenheid om nieuwe boeren en belastingbetalers te werven. Dit keer liepen de zaken uit de hand. Weggelopen slaven en onderdrukte Thracische boeren sloten zich erbij aan – ook geen nieuw verschijnsel – en in 378 sneuvelde de keizer, die probeerde de groep in het gareel te dwingen, in de slag bij Adrianopel. Later auteurs zouden beweren dat de migranten waren opgejaagd door de naderende Hunnen (die op dit moment echter niet de geduchte vijand waren die ze een halve eeuw later zouden zijn) en dat ze in Adrianopel zouden hebben aangestuurd op een conflict (wat maar de vraag is).

Lees verder “Byzantijns Thracië”

Laat-antiek Thracië

Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Crisis

Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

Lees verder “Laat-antiek Thracië”

Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)

Afgelopen zaterdag werd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden het boek Rome en de Lage Landen van de Belgische historicus, archeoloog en museumdirecteur Robert Nouwen ten doop gehouden. Dat is een heel belangrijk boek: de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw. Ik heb vorig jaar opgetreden als meelezer van het manuscript, en mocht bij de presentatie een toespraakje houden. Uiteraard deed ik dat maar wat graag. Dit is wat je noemt: de eer hebben iets te mogen doen.

Maar er was een probleem. Al vóór de presentatie waren verschillende mensen verbijsterd over het bescheiden karakter van de presentatie. Iemand noemde de locatie een “derderangszaaltje”, en inderdaad: de Tempelzaal in het museum had meer voor de hand gelegen dan de Trajanuszaal. We hadden ook kunnen uitwijken naar de Waalse Kerk. Bij een zo belangrijk boek beleg je een symposium met een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland. Je nodigt het NOS-journaal uit en de koning, die immers de bekendste historicus van Nederland is, en die ook het eerste exemplaar aannam van de Wereldgeschiedenis van Nederland. Wij oudheidkundigen zijn toch niet minder dan andere historici?

Lees verder “Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)”