In 2015 kocht het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een Egyptisch reliëf. De presentatie moest destijds op zich laten wachten, omdat direct na de aankoop een Duits museum het voorwerp in bruikleen vroeg voor een tentoonstelling. Maar dat was toen. Het reliëf is alweer enige tijd te zien op de Egyptische afdeling.
Pottenbakker Chnoem
De toenmalige conservator Maarten Raven had van zijn directeur al iets mogen kopen op de kunstbeurs Brafa in Brussel, toen hij nóg iets bijzonders zag. In een ruim dertig centimeter hoog brok zwart graniet was een bijzondere voorstelling uitgeklopt: de Egyptische scheppergod Chnoem met zijn karakteristieke ramskop was bezig om uit een amorfe brok klei op een pottenbakkerswiel de wereld of een nieuwe heerser te creëren.
Joods verzoekschrift betreffende de restauratie van de tempel in Elefantine, gericht aan gouverneur Bagoas (Neues Museum, Berlijn)
Eén van de voorbeelden van migratie die ik behandel in Wahibre-em-achet en andere Grieken is het garnizoen van Elefantine in het zuiden van Egypte. De farao’s van de Zesentwintigste Dynastie, die aan de macht was gekomen nadat de Assyriërs begin zevende eeuw v.Chr. de Nubische koningen hadden verdreven, plaatsten aan de nieuw-geschapen zuidgrens een garnizoen met soldaten uit Judea. Zoals in de Oudheid gebruikelijk was kregen de soldaten bij wijze van tegenprestatie een stuk land. Rond 525 v.Chr. veranderde het garnizoen zijn loyaliteit, toen de Perzen de macht in Egypte overnamen, wat eens te meer een aanwijzing vormt dat Egypte viel door verraad van zijn officieren. De inscriptie van admiraal Wedjahor-Resne, die wél vermeldt hoe hoog de Perzen hem waardeerden maar geen enkele zeeslag vermeldt, is een andere clue.
Terug naar de Joden in Elefantine: verschillende papyri en beschreven potscherven documenteren hun aanwezigheid, zoals de brief hierboven, die is te zien in het Neues Museum in Berlijn. Hij is gericht aan de Perzische gouverneur Bagoas en bevat een verzoek om hulp bij de restauratie van de tempel van Jaho, zoals de naam van de joodse god werd gespeld in het Aramees. Een andere beroemde joodse papyrus uit Elefantine beschrijft het pesach-feest van 419 v.Chr. Een van de aardige verrassingen was dat Jaho hier nog een echtgenote had, die hier Anat wordt genoemd. (In Judea werd Mevrouw God aangeduid als Asjera.) De joden van Elefantine zullen de nieuwerwetse regels van Deuteronomium, dat joden uitsluitend in de tempel van Jeruzalem mochten offeren en uitsluitend JHWH mochten vereren, schouderophalend naast zich neer hebben gelegd. Emigranten zijn immers wel vaker conservatiever dan de mensen in het moederland.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.