Augustinus over astrologie

Deel van een diptiek van twee astrologische tabletten (Archeologisch museum, Grand)

Van weinig antieke auteurs – misschien wel geen enkele – is het oeuvre zo goed bewaard als dat van de kerkvader Augustinus. Gek genoeg is hij moeilijk te peilen: nu eens denk je dat het een strenge man is geweest die hoge eisen stelde aan de mensheid, dan weer proef je oprechte vriendschap en vergevingsgezindheid. Maar misschien is die tegenstelling wel gewoon menselijk. In elk geval is hij heel intellectueel: hij stelt goede vragen en neemt geen genoegen met gemakkelijke antwoorden. Ook niet met moeilijke antwoorden trouwens. Hij lijkt zijn leven lang zoekend te zijn geweest.

Vandaag citeer ik eens een stukje uit De stad van God, zijn belangrijkste werk. En omdat het een echt klassieke tekst is, heeft menigeen ervan gehoord en heeft niemand het gelezen. Gelukkig is er een tijdje geleden een toegankelijke Nederlandse vertaling verschenen, gemaakt door Chris Dijkhuis. Het sterke ervan is dat deze veel toelichting bevat. Ik ben al een tijdje bezig met het lezen, en dat het niet opschiet, komt doordat er steeds andere boeken tussendoor komen.

Lees verder “Augustinus over astrologie”

Augustinus schiet op een stroman

Augustinus (Liebieghaus, Frankfurt)

Een tijdje geleden blogde ik over het boek van Floris Overduin, die Trojaanse Redevoering van Dio van Prusa had vertaald. De Grieks-Romeinse redenaar betoogde daarin dat Troje nooit door de Grieken was ingenomen. Dat is een mooi voorbeeld van de speelse wijze waarop men destijds omging met zulke verhalen. Je kon ze tegenspreken, op z’n kop zetten, parodiëren, of allegorisch duiden (zoals Palaifatos deed). Zo werkt literatuur nu eenmaal. De Quichot heeft ook allerlei interpretaties, is geparodieerd, aangepast, bekort, gemoderniseerd.

Ik denk niet dat de kerkvader Augustinus veel heidenen overtuigde toen hij de absurditeit van de aloude mythen en sagen wilde aantonen door de Trojaanse verhalen letterlijk te nemen, Dat deed sowieso niemand. Dat laat onverlet dat Augustinus wel zijn christelijke publiek aan het lachen zal hebben gekregen. In De stad van God 3.2 wijst hij er eerst op dat de Grieken en Trojanen dezelfde goden even gewetenvol vereerden: de goden verhoorden dus wel de gebeden van de ene, maar niet die van de andere partij. Dat is onrechtvaardig.

Lees verder “Augustinus schiet op een stroman”