Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome

Portret van een Romein uit de tijd van Macrobius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De wortels van de taalwetenschap liggen in de didactiek. Mensen willen weten hoe een taal in elkaar zit omdat ze die taal willen leren. Het helpt dan als iemand ze regelmatigheden aanwijst; het bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor het zelfstandig naamwoord in deze taal, en de derde persoon enkelvoud eindigt altijd op een p. Maar het wordt pas wetenschap als je dat praktisch nut loslaat, als je je afvraagt waarom dat bijvoeglijk naamwoord daar staat en hoezo talen eigenlijk een derdepersoonsvorm van een werkwoord hebben.

In de vijfde eeuw na Chr. legde bijvoorbeeld ergens in het Romeinse Rijk een geleerde heer twee talen naast elkaar die hij allebei al perfect beheerste en die hij aan niemand leren wilde. Geen enkel praktisch doel had hij, hij wilde alleen maar snappen hoe het zat.

Lees verder “Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome”

De Romeinse Provence (2)

Romeinse brug in Vaison

[Tweede deel van een blogje over Gallia Narbonensis, ofwel de Provence in de Romeinse tijd. Het eerste deel was hier.]

Keizertijd

Een geschiedenis van Gallia Narbonensis in de Keizertijd is een standaardverhaal. Het Romeinse Rijk, gevestigd met Blut und Eisen, garandeerde rust. Gallia Narbonensis behoorde in deze wereld tot de “binnencirkel” van de Romeinse provincies, wat inhield dat zo’n provincie meer belastingen betaalde dan de Romeinse overheid investeerde. Het was een wingewest. In de buitencirkel, waar de kostbare grenslegers waren gestationeerd, was dat andersom: daar gaf de overheid meer uit dan het aan belastingen binnen haalde.

Lees verder “De Romeinse Provence (2)”

V Macedonica in Dacië

Trajanus’ monument in Adamclisi

De verdere geschiedenis van V Macedonica volgt die van de andere legioenen uit de regio. Manschappen namen deel aan de oostelijke campagne van keizer Lucius Verus, die tussen 162 en 165 de Parthen versloeg. Bij terugkeer werd het legioen gestationeerd in Potaissa, het huidige Turda in Roemenië. De overplaatsing was noodzakelijk omdat verschillende, zoals de Sarmaten en Quaden, onrustig waren geworden. Keizer Marcus Aurelius bracht bijna tien jaar van zijn regering door aan de Midden-Donau. Vroeg tijdens het bewind van keizer Commodus (r.180-192) voerden Pescennius Niger en Clodius Albinus (beide toekomstige keizers) het bevel over V Macedonië en XIII Gemina. Samen versloegen ze de Sarmaten.

Toen deze oorlog eenmaal tot een goed einde was gebracht, richtten de Romeinen hun aandacht op de Daciërs in het binnenland. Arbeiders van de goudmijnen waren in opstand gekomen en hadden huurlingen in dienst genomen. Toen V Macedonica die had verslagen, kende keizer Commodus het in 185 of 187 de titel Pia Constans (“trouw en betrouwbaar”) of Pia Fidelis (“trouw en loyaal”) toe.

Lees verder “V Macedonica in Dacië”

De Maronitische Wereldkroniek (3) Theodosius II

Theodosius II (Bodemuseum, Berlijn)

[Dit is het derde van tien blogjes met de vertaling van de Maronitische Wereldkroniek. Een inleiding, literatuur en een waarschuwing de vertaling niet al te letterlijk te nemen, vindt u hier.]

Commentaar
De chroniqueur beschouwt de regering van keizer Theodosius II (r.408-450) als een christelijke bloeitijd. Hij behandelt deze tijd als één geheel, zonder veel aandacht voor chronologie.

Tijdens het bewind van Theodosius de Jongere verkeerden de kerken van de Romeinen in een onaantastbare positie. Onder de Perzen was er echter sprake van ernstige vervolging van de christenen, en vele heiligen zijn daar gekroond met de bekende smarten van het geloof.

Lees verder “De Maronitische Wereldkroniek (3) Theodosius II”

De Maronitische Wereldkroniek (2) Arcadius

Arcadius (Valkhofmuseum, Nijmegen)

[Dit is het tweede van tien blogjes met de vertaling van de Maronitische Wereldkroniek. Een inleiding, literatuur en een waarschuwing de vertaling niet al te letterlijk te nemen, vindt u hier.]

706 SE. ≡ okt. 394/sept. 395

…… terwijl de keizer [Theodosius] met het Romeinse leger in de westelijke gebieden was en Eugenius zich … (?).

In de oostelijke gebieden van het Romeinse Rijk veroorzaakten de Hunnen onrust en staken … en Sofene en Mesopotamië over, waarna ze naar Galatië trokken. Deze ramp vond plaats in … in de tijd van Theodosius in zijn tweede regeringsjaar, dat was het jaar 706.

Theodosius regeerde zeventien jaar en enkele maanden, waarna de regering werd overgenomen door zijn zonen Arcadius en Honorius.

Lees verder “De Maronitische Wereldkroniek (2) Arcadius”

Byzantijns Thracië

Het slagveld van Adrianopel

[Dit is het laatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Volksverhuizingen, deel één

Ik heb op deze blog regelmatig aangegeven dat de Grote Volksverhuizingen niet zo groot waren, dat er zelden hele volken bij waren betrokken en dat er eigenlijk ook niet meetbaar meer werd verhuisd dan anders. Op die regel zijn wel wat uitzonderingen, en het diocees Thracië is er daarvan een.

Om te beginnen verzochten in 375 allerlei groepen uit de noordelijke gebieden of ze zich mochten vestigen in het Romeinse Rijk. Het ging om de Goten die bekendstaan als Tervingi, maar er waren ook andere migranten. Zo’n verzoek was niet uniek en keizer Valens zag, zoals al zijn voorgangers in soortgelijke situaties, een gelegenheid om nieuwe boeren en belastingbetalers te werven. Dit keer liepen de zaken uit de hand. Weggelopen slaven en onderdrukte Thracische boeren sloten zich erbij aan – ook geen nieuw verschijnsel – en in 378 sneuvelde de keizer, die probeerde de groep in het gareel te dwingen, in de slag bij Adrianopel. Later auteurs zouden beweren dat de migranten waren opgejaagd door de naderende Hunnen (die op dit moment echter niet de geduchte vijand waren die ze een halve eeuw later zouden zijn) en dat ze in Adrianopel zouden hebben aangestuurd op een conflict (wat maar de vraag is).

Lees verder “Byzantijns Thracië”

Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)

Afgelopen zaterdag werd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden het boek Rome en de Lage Landen van de Belgische historicus, archeoloog en museumdirecteur Robert Nouwen ten doop gehouden. Dat is een heel belangrijk boek: de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw. Ik heb vorig jaar opgetreden als meelezer van het manuscript, en mocht bij de presentatie een toespraakje houden. Uiteraard deed ik dat maar wat graag. Dit is wat je noemt: de eer hebben iets te mogen doen.

Maar er was een probleem. Al vóór de presentatie waren verschillende mensen verbijsterd over het bescheiden karakter van de presentatie. Iemand noemde de locatie een “derderangszaaltje”, en inderdaad: de Tempelzaal in het museum had meer voor de hand gelegen dan de Trajanuszaal. We hadden ook kunnen uitwijken naar de Waalse Kerk. Bij een zo belangrijk boek beleg je een symposium met een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland. Je nodigt het NOS-journaal uit en de koning, die immers de bekendste historicus van Nederland is, en die ook het eerste exemplaar aannam van de Wereldgeschiedenis van Nederland. Wij oudheidkundigen zijn toch niet minder dan andere historici?

Lees verder “Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)”

Vragen rond de jaarwisseling (2)

De niet zo grote volksverhuizingen

Twee weken geleden nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze beantwoorden. Nadat we gisteren het “klassieke” deel van de oude wereld hebben bekeken, nu de fascinerende Late Oudheid.

Maar wat kunnen we nu echt weten van de laatantieke migraties?

We weten dat de vijfde eeuw gewelddadig is geweest, maar of dit kwam door grootschalige migratie, is niet helemaal duidelijk. Dat de bronnen erover schrijven, wil alleen maar zeggen dat de auteurs er belang in stelden, maar we lezen inmiddels wel dieper en herkennen beter wat ze niet zeggen. Veel van wat oudhistorici als migranten hebben getypeerd, waren feitelijk opstandige Romeinse legeronderdelen. Alarik was geen barbaar die de vijandelijke hoofdstad plunderde, maar een Romeinse officier met politieke eisen in de richting van zijn superieur.

Lees verder “Vragen rond de jaarwisseling (2)”

“Barbaren” in het Romeinse leger

Je kunt Elon Musk natuurlijk niet kwalijk nemen dat hij ondeskundige historische commentaren geeft. Als we immers iedereen zouden gaan corrigeren die op de proppen komt met een onjuiste historische analogie, kunnen we aan de gang blijven. Er is geen wetenschap waar amateurs zó vaak denken dat ze kunnen meepraten. Terwijl de simpele waarheid deze is: vrijwel alle historische analogieën zijn incorrect. Degenen die ze te berde brengen, doen dat om u een mening op te dringen over het heden, niet omdat ze geïnteresseerd zijn in het verleden of daar überhaupt verstand van hebben.

Hoewel historische incompetentie dus te ingeburgerd is om nog redelijkerwijs laakbaar te zijn, is het zinvol te kijken waar Musks fouten zitten. Jeroen Wijnendaele, de auteur van De Wereld van Clovis, nam op Twitter de handschoen op. Hier is een vertaling.

Lees verder ““Barbaren” in het Romeinse leger”

Asinus nica

Asinus Nica (Huis van de ezel, Djemila)

Het bovenstaande Romeinse mozaïek, dat dateert uit de late vierde of vroege vijfde eeuw na Chr., is te zien in het museum van Djemila in Algerije, de antieke stad Cuicul. Het opschriftnoot EDCS-23600210. combineert het Latijnse woord voor ezel, asinus, met de in Latijnse letters geschreven Griekse strijdkreet nika, “win!” Het woord kan ook verwijzen naar de personificatie van de overwinning. De ezel moet dus winnen, of heeft gewonnen, of zal winnen, of overwint – de strekking is duidelijk. De zegevierende ezel was duidelijk iets dat de eigenaar in wiens huis dit is gevonden, en dat de opgravers heel origineel “maison de l’âne” hebben genoemd, na aan het hart lag, want het motief is herhaald. Dus wat betekent het?

Zoals eigenlijk altijd weten we het niet, maar niets weerhoudt ons ervan beredeneerd te gokken. Het is antichristelijke polemiek.

Lees verder “Asinus nica”