De man die “ik” zei

De oudste afbeelding van Augustinus (Lateraan).

Tegen de tijd dat u dit leest, zitten mijn reisgenote en ik waarschijnlijk aan het ontbijt in een hotel in Annaba. Het is het oude Hippo Regius, de bisschopsstad van de kerkvader Augustinus (354-430). Afkomstig uit een niet al te vermogende familie mocht hij naar school, stichtte hij zelf een schooltje in Karthago en maakte hij carrière in Italië, waar hij een hoge positie wist te verwerven in de keizerlijke residentie Milaan. Juist toen hij op het punt stond zich in een vooraanstaande familie in te trouwen en vooruit mocht zien naar een leuke functie in het rijksbestuur, bekeerde hij zich tot het christendom. Dat blokkeerde zijn verdere wereldlijke carrière.

Of beter: hij bekeerde zich, op een moment dat de nieuwe Romeinse godsdienst nog niet helemaal was uitgekristalliseerd, tot een christendom dat een wereldlijke carrière blokkeerde. Hij had ook een andere keuze kunnen maken, maar koos voor een ingetogen en asketisch leven in wat we nu een klooster zouden noemen. Dat verhinderde niet dat hij bisschop werd in de havenstad Hippo – het Annaba waar we nu zitten te ontbijten dus – en een oeuvre schreef waarin hij de grondslagen legde van de westerse theologie. In Hippo dicteerde hij ook zijn beroemde Belijdenissen, een soort autobiografie waarin hij ervan getuigde dat God hem, ondanks allerlei dolingen en dwalingen, steeds nabij was geweest. De Belijdenissen zijn dus in de eerste plaats een tekst met een pastoraal doel: Augustinus wilde de gelovigen in Hippo de zorg van God tonen. Maar niet alleen dat.

In de Oudheid ging men ervan uit dat iemand een vast karakter had. Men zag wel dat mensen zich soms anders gingen gedragen, maar van bijvoorbeeld de steeds stuurser en wreder wordende keizer Tiberius kon men zeggen dat deze zijn altijd al aanwezige karaktertrekken steeds meer ging uitleven naarmate hij machtiger werd en de mogelijkheden kreeg zich zo te gedragen. Dat hij anders leek te zijn geworden, was niet doordat hijzelf maar doordat zijn omgeving was veranderd.

Het idee van ’s mensen onveranderlijkheid is wat onhandig omdat het uitsluit dat mensen zich bekeren. Iets dat Augustinus toch echt had gedaan. Het was ook een onhandige aanname voor een religie die vergeving als thema had. Als mensen met een echt vast karakter een tweede kans krijgen maken ze dezelfde fout immers opnieuw. Dat maakt vergeving nogal onpraktisch.

Augustinus was dan ook niet overtuigd van de onveranderlijkheid van het karakter. Als kind had hij, zoals iedereen, kinderlijke dingen gedacht maar als volwassene had hij die afgelegd – maar wat was er veranderd? Je hoeft geen christen te zijn om te herkennen dat Augustinus een goede vraag stelde. De Belijdenissen zijn een verkenning van wat we nu het ego zouden noemen en ik ben ooit een typering van Augustinus tegengekomen als “the man who cried ‘I’”. Er zijn slechtere beschrijvingen denkbaar.

[Overigens is Saint Augustin, zo ontdekte ik in Tunis, de naam van een Tunesisch wijnkasteel, askese of niet. Sinds ik een restaurant zag dat was vernoemd naar Sint-Simeon de Styliet, kijk ik nergens meer van op.

Morgen reizen we door naar het geboortestadje van Augustinus, Thagaste. En ik attendeer u erop dat mijn nieuwe boek, Xerxes in Griekenland, vandaag in de boekhandels aankomt.]

3 gedachtes over “De man die “ik” zei

  1. FrankB

    Eenieder die belangstelling heeft voor filosofie van de natuurkunde en dan met name de Oerknal en het begrip tijd dient hoofdstuk 11 van Belijdenissen te lezen. Men moet wel door het bombastische taalgebruik heen prikken en zijn analyse te seculariseren. Dan blijkt Augustinus van Hippo één van de grootste denkers van de Oudheid te zijn. En itt Aristoteles van Stacheira is hij voor onze 21e eeuw nog even relevant.
    Jammer dat de man zoveel tijd besteedde aan theologie.

Reacties zijn gesloten.