Zwijgende letterdames en -heren

De Lachmannmethode was het model van Darwins evolutieleer.

Ik heb een erg aardige uitgever, waar ook erg aardige mensen werken. Ik ga daarom graag bij ze langs. Toch vermijd ik de nieuwjaarsborrel, heb ik uitnodigingen voor het boekenbal afgeslagen en ga ik ook niet naar de septemberborrel.

Ik voel me namelijk niet op mijn gemak tussen al die letterdames en -heren. Het is in het boekenvak als in elke andere beroepsgroep: zet enkele vakgenoten bij elkaar, en de conversatie gaat over onderwerpen waarover men het eens is. Deze of gene literaire prijs, hoe triest het toch is dat Selexyz surseance moest vragen, het ongunstige culturele klimaat, de olijk Halve Zoolstra genoemde staatssecretaris. Ik verveel me al heel snel. Dat ligt dus niet aan die leuke mensen, maar aan mij. Ware ik tandarts op een tandartsencongres, ik zou me vervelen bij de borrelconversatie daar.

Lees verder “Zwijgende letterdames en -heren”

Meester Pennewip

Er is net een nieuwe editie op de markt gekomen van Woutertje Pieterse, dat ik beschouw als het mooiste boek van Multatuli. Een van de mooiste personages is Meester Pennewip, de leraar van de titelheld. Hij is gaan gelden, zo zie ik vandaag weer op deze pagina, als “archetypische schoolfrik”.

Ik begrijp waar dat idee vandaan komt, maar Pennewip zou nooit zo bekend zijn geworden als hij echt een typetje was. In feite is hij een mooi, rond karakter, zoals in de Havelaar ook Droogstoppel enkele scherpzinnige opmerkingen maakt waarvan Multatuli later zei dat hij ze zelf had kunnen maken. (Denk bijvoorbeeld aan Droogstoppels hoon voor dichters die meisjes “een engel” noemen; dat is inderdaad een cliché.) Multatuli werkt niet met sjabloons. Daarom overtuigen zijn personages.

Lees verder “Meester Pennewip”

Tweemaal Woutertje Pieterse

De auteur van “Woutertje Pieterse”.

Als het aan Multatuli zelf zou hebben gelegen, was Woutertje Pieterse nooit verschenen. Het verhaal van een gevoelige jongen die in de eerste helft van de negentiende eeuw opgroeit in het westen van Amsterdam, verscheen als een reeks fragmenten in de bundels Ideën die hij tussen 1862 en 1877 het licht deed zien. De schrijver vond dat deze presentatie iets toevoegde aan het verhaal en zag Woutertje Pieterse liever niet als zelfstandig boek.

Meestal doet het nageslacht er goed aan de wil van een overleden schrijver te eerbiedigen. Niet alleen is dat een uiting van piëteit, maar bovendien weet de auteur in de regel zelf het beste of zijn product wel de moeite van het bewaren waard is. De eeuwige schandvlek op de westerse letteren die Aeneïs heet zou ons bespaard zijn gebleven als keizer Augustus die prul gewoon had vernietigd, zoals de stervende Vergilius hem vroeg. Multatuli’s verbod op een zelfstandige uitgave is op deze regel geen uitzondering: de schrijver geeft in de andere ideeën wel eens toelichting op Woutertje, en omgekeerd zijn sommige Wouterfragmenten uitwerkingen van eerdere invallen. Een uitgave van alleen de Woutertje Pieterse-Ideën is zo beschouwd een verarming.

Lees verder “Tweemaal Woutertje Pieterse”