Pompeius in Larisa

Pompeius (Louvre, Parijs)

Als ik u zeg dat het 2 sextilis was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 22 juni 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Pompeius 2069 jaar geleden?”

Pompeius’ leger

Hij kwam aan in Larisa, de hoofdstad van Thessalië, die al was bezet door Metellus Scipio. In zijn Burgeroorlog vertelt Caesar dat Pompeius alle legioenen in één legerkamp samentrok en vanaf nu het oppercommando deelde met Scipio. Pompeius gunde zijn collega zelfs de eer dat hij de signalen liet trompetteren vanaf diens commandotent. Later zouden ze hun kamp verplaatsen in de richting van dat van Caesar bij Farsalos.

Deze vervolgt zijn verslag met een bijna pesterige beschrijving van de stemming in Pompeius’ kamp. Daar was men inmiddels huiden gaan verkopen voordat de beer was geschoten.

Lees verder “Pompeius in Larisa”

Bloedbad in Gomfoi

Metéora

Als ik u zeg dat het 29 quintilis was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 18 juni 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Aankomen in Griekenland. Hij had na de nederlaag bij Dyrrhachion zijn acht legioenen in veiligheid gebracht in Apollonia, waar hij op 20 quintilis was aangekomen. Hij was er niet lang gebleven en opgerukt langs de rivier de Aoos, richting Ioannina. Daar was hij afgebogen naar het oosten, over de Pindos-bergen, richting Thessalië. Hij verliet nu het gebied dat in de Oudheid Epirus heette en trok nu met zes legioenen Griekenland binnen.

Lees verder “Bloedbad in Gomfoi”

Het einde van de Romeinse Republiek (3)

De vlakte van Farsalos

[In het eerste stukje beschreef ik hoe Julius Caesar de aanval opende op de Romeinse Republiek, waar de Senaat Pompeius het oppercommando had toegekend; in het tweede beschreef ik Caesars eerste successen, zijn nederlaag bij Dyrrhachion en zijn vlucht voorwaarts, richting Thessalië, waar zijn leger op de vlakte van Farsalos tegenover Pompeius kwam te staan.]

Toen Caesar het legerkamp van Pompeius naderde, trof hij diens leger in slagorde aan. Op de linkervleugel stonden de twee legioenen die door Caesar bij het begin van hun onenigheid op grond van een Senaatsbevel waren overgedragen: ze werden nu respectievelijk als het Eerste en het Derde aangeduid. Daar bevond zich Pompeius zelf. Het centrum van de slaglinie werd bezet door Scipio met de legioenen uit Syrië. Het legioen uit Kilikië, versterkt met de Spaanse cohorten […], was op de rechtervleugel geplaatst. Zij werden door Pompeius als zijn sterkste troepen beschouwd. Alle anderen had hij tussen het centrum en de vleugels opgesteld, en daarmee een totaal van honderdtien cohorten bereikt. Dit waren vijfenveertigduizend man, met daarbij nog ongeveer tweeduizend vrijwillig opgekomen veteranen, afkomstig uit […] zijn vroegere legers; deze had hij over de hele linie verdeeld. De zeven resterende cohorten had hij ter bescherming verspreid over het legerkamp van en de naburige vestingen. Zijn rechtervleugel werd beveiligd door een rivier met steile oevers; daarom had hij zijn hele ruiterij en alle boogschutters op de linkervleugel kunnen plaatsen.{{Caesar, De Burgeroorlog 3.88-96; vert. Hetty van Rooijen.}}

Lees verder “Het einde van de Romeinse Republiek (3)”