Het einde van de Romeinse Republiek (1)

De brug over de Rubico

Een tijdje geleden beschreef ik hoe Julius Caesar in Alesia Vercingetorix versloeg. Het was niet het einde van de Gallische Oorlog, die nog ruim een jaar zou duren, maar de einduitkomst stond na die gebeurtenis vast. Het Romeinse Rijk strekte zich voortaan uit vanaf de Eufraat in het oosten naar de Atlantische Oceaan in het westen. Het was desondanks toch te klein voor én Julius Caesar én zijn schoonzoon-en-rivaal Pompeius én de conservatieve leden van de Senaat.

Het eerbiedwaardige staatsorgaan had al een kleine eeuw geprobeerd de opkomst van militaire potentaten te verhinderen en was er vaak in geslaagd de macht van al te succesvolle commandanten in te perken. Maar daarvoor hadden Pompeius en Caesar inmiddels teveel overwinningen behaald en teveel rijkdommen verworven, Pompeius in het oosten en Caesar nu in Gallië. Ze waren te groot geworden om nog genoegen te nemen met wat lange tijd voor een senator de hoogste eer was geweest: een triomftocht waarbij zijn collega’s hem bewonderend toejuichten en voor één dag erkenden als eerste onder gelijken. Voor zowel Pompeius als Caesar gold dat ze altijd de eerste man in Rome wilden zijn, de man met de grootste dignitas, “waardigheid”.

Het heeft er de schijn van dat Caesar het conflict heeft willen vermijden. In de winter van 51/50 bevond hij zich bij de Belgische stammen, ver van de Middellandse Zee, en trok hij zijn legioenen samen bij Trier, waar een van zijn bases bij Hermeskeil wordt opgegraven. Misschien overwoog hij een inval in Germanië om de Galliërs te tonen dat hij hen wilde beschermen. Het is niet met zekerheid te zeggen, maar in elk geval lijkt een bezoek aan de valleien van de Maas en Moezel niet de daad van iemand die een opstand voorbereidt.

De problemen namen echter toe. Een van de consuls stelde voor Caesar, nu de oorlog voorbij was, terug te roepen en zijn legioenen aan een ander over te dragen. Dezelfde consul liet een voorname bewoner van de stad Como geselen om de bewoners van de Povlakte duidelijk te maken dat zij geen Romeinse burgers waren, ook al had Caesar hen toegelaten tot de legioenen. Het op zich onbeduidende incident – alleen Appianus neemt de moeite het te vermelden – illustreert de haat die de conservatieven voelden voor de veroveraar van Gallië en zijn maatregelen. Voor het moment liet Caesar zich niet provoceren.

Ook Pompeius deed zijn best een conflict af te wenden. Hij was bevriend met Caesar, had een gelukkig huwelijk achter de rug met Caesars (inmiddels overleden) dochter Julia en voelde weinig voor een burgeroorlog. Daarom bood hij aan afstand te doen van de buitengewone bevoegdheden die de Senaat hem ooit had gegeven als ook Caesar zijn bevoegdheden neerlegde. Dat was voor de laatste echter niet aanvaardbaar omdat hij, zonder de onschendbaarheid van een officiële positie, aangeklaagd zou kunnen worden voor verschillende serieuze wetsovertredingen. Iemand stelde voor dat Caesar zich in afwezigheid kandidaat kon stellen voor het consulaat, en dus van ambt naar ambt kon stappen, maar de conservatieve senatoren verboden het. De consuls vroegen daarop Pompeius de republiek te beschermen en boden hem alle troepen in Italië aan. Aangesproken op zijn plicht en dignitas kon de oude generaal niet weigeren.

Nog eenmaal probeerde Caesar oorlog te voorkomen. Zijn rechterhand Marcus Antonius, een van de helden van Alesia, bekleedde in 49 het ambt van volkstribuun en stelde in Rome een gelijktijdige ontwapening voor, maar de consuls brachten het voorstel niet in stemming en verklaarden dat de bevelhebber van het leger in Gallië een staatsvijand was. Antonius protesteerde, werd genegeerd en vluchtte naar Caesar, die nu kon beweren te strijden voor het behoud van de constitutie en de rechten van de volkstribunen.

Er is een uitgebreide oudheidkundige discussie over die Rechtsfrage, m.a.w. de legitimiteit van Caesars acties in, en het antwoord lijkt te zijn dat in elk geval de Senaat niet in zijn recht stond. Hoe dat ook zij, Caesar voegde zich bij zijn troepen en trok in de nacht van 11 op 12 januari 49 v.Chr. (volgens de Romeinse kalender) met het Dertiende Legioen ten strijde tegen de Senaat. Appianus beschrijft het moment waarop oorlog onafwendbaar werd.

Toen hij in draf de Rubico had bereikt, die de grens vormt van Italië, hield hij halt. Terwijl hij naar de rivier staarde, verkeerde hij in tweestrijd. Hij overwoog alle rampen die het gevolg zouden zijn als hij de rivier zou oversteken met zijn leger. Zich herwinnend zei hij tot de aanwezigen: “Als ik van de oversteek afzie zal dat het begin zijn van de ellende voor mij, maar als ik oversteek voor de hele mensheid”. En voor hij uitgesproken was, stak hij in grote vaart, als een bezetene over, met dat bekende zinnetje: “De dobbelsteen is geworpen, het moet zo zijn”. (Appianus, Burgeroorlogen 2.35; vertaling Simone Mooij)

[De ondergang van de Romeinse republiek gaat morgen verder]

4 gedachtes over “Het einde van de Romeinse Republiek (1)

  1. FrankB

    “de Senaat niet in zijn recht stond”
    Inderdaad hoop ik dat je aandacht besteedt aan de rol van de Senaat, want die was bepaald niet een onbaatzuchtige voorvechter van vrijheid enz.

  2. Otto Cox

    Een detailvraag over de data: op welke dag viel 11 op 12 januari 49 v.Chr volgens de hedendaagse kalender? De Romeinse kalender was in die tijd behoorlijk van slag (als je het vergelijkt met de seizoenen).

      1. vgent

        Volgens Lucanus (Pharsalia, boek I, 218) was de maan toen drie avonden oud. Dit klopt niet met de berekende maanfase voor de avond van 16/17 december 50 v.Chr. Volgens SkyViewCafe was de astronomische nieuwe maan pas omstreeks zonsopgang op de 17de.

Reacties zijn gesloten.